Voortgaande openbaring (3)
De Heilige Schrift
De waarheid sprekenWij hebben gezien hoe de openbaring van God zich na Pinksteren voltrekt in de gestalte van het bij-voortduur-de-waarheid-spreken, zowel door de kerk als door de gelovige.Spreken wij die waarheid wel? Deze vraag wordt o.i. niet ten laatste beantwoord door het gehalte aan zuiverheid dat de uitspraken en formuleringen der kerk kenmerkt.
De waarheid spreken
Wij hebben gezien hoe de openbaring van God zich na Pinksteren voltrekt in de gestalte van het bij-voortduur-de-waarheid-spreken, zowel door de kerk als door de gelovige.
Spreken wij die waarheid wel? Deze vraag wordt o.i. niet ten laatste beantwoord door het gehalte aan zuiverheid dat de uitspraken en formuleringen der kerk kenmerkt. Op zichzelf is deze zuiverheid een groot goed, en is de belijdenis te waarderen als een stukje gelouterde lofprijzing van de naam des Heren ten overstaan van de wereld. Dit uitspreken van wat de kerk aan de openbaring heeft geschiedt spontaan, en is voor haar levensnoodzakelijk. Een kerk zonder geformuleerde belijdenissen kent het Nieuwe Testament dan ook niet: wij vinden deze bijv. in 1 Tim. 6 : 20; 2 Tim. 1 : 13, 14. Het evangelie kan dan ook het Woord der Waarheid genoemd worden, waaraan de gemeente zich te houden heeft en waarin zij rusten mag in de aanvechting (Efese 1 : 13; Col. 1 : 5, 6). In iedere formulering die de kerk zich biddend verwerft spreekt zij iets uit van datgene wat in geen mensenhart is opgekomen en wat al onze formuleringen te boven gaat. Van die formuleringen mogen wij belijden dat zij deel hebben aan de waarheid Gods. Wij hechten er dan ook sterk aan, hoezeer wij ook, met onze vaderen, beseffen dat zij onder het voorbehoud staan van de critiek der Schriften. Zij zijn aanvechtbaar omdat zij mensenwerk zijn, niet omdat zij bestaan en willen gelden.
De diepste toetssteen ligt echter niet in het gehalte van zuiverheid als zodanig maar in de waarachtigheid van datgene wat wij zeggen. De ortho-doxie, het rechte spreken, dient gericht te zijn op de ortho-praxie, het rechte handelen, het leven uit de Waarheid. De leer is, datgene wat, getoetst aan de praktijk, vruchten in de levenswandel voortbrengt. Ons hoogste doel is daarom niet de toetsing van het logische systeem, maar die van de vruchten, want daaraan zal men de boom der leer kennen. De diepste vraag is altijd of de leer op de rechte wég heeft gebracht. Dat dit zo is hangt weer samen met het levend en doelgericht karakter van de bijbelse leer zélf.
Wie zich, als wij, het goed recht van leertucht bewust is, zal zich ook dit in-dachtig dienen te maken, omdat het zó gesteld is met de waarheid Gods, omdat de Schrift zélf op deze wijze met de leer omgaat. Daarom pleiten wij er niet voor een wijde uitbouw van de belijdenis na te streven, omdat deze zich wel moét verwijderen van het hart van de prediking, en pleiten wij er tevens tégen een leertucht te oefenen die niet samengaat met de in-dacht, de bekering, van de kerk tot het Woord: het zal niet baten omdat alleen een 'uitwendige'-formule, voorwerpelijke - waarheid handhaven iets anders is dan het de-waarheid-spreken dat aan de kerk is toevertrouwd en opgedragen. Onze vaderen spraken o.i. terecht van een analogia fidei, een overeenstemming in het inhoudelijk geloven, als voorwaarde voor omgang en uitbouw van de leer. Waar dit geloven niet bloeit - de fides - kan geen enkele rechte formule - de analogia - waarborg bieden dat de kerk werkelijk de waarheid spreekt.
Vreemdelingschap
In het spreken van de waarheid in de eigen tijd vanuit het beleven en belijden daarvan, ontmoet de kerk zichzelf in haar ongeloof, als wereld, en daarin de wereld, de eigen Godvergetende tijd. Altijd ligt de gerechtvaardigde met de blijvende zondaar overhoop, zowel in de geschiedenis van een mensenleven als in die van de wereld.
Wie dit aanvaardt, krijgt te maken met wat de bijbel vreemdelingschap noemt. Welke christen doet niet de ervaring op 'misplaatst' te zijn, 'displaced person', in een hem vreemde wereld? De neiging bestaat dan óf de tijden van vroeger óf de toekomst te gaan romantiseren, alsof het toen anders was, alsof het ooit anders zal wórden. Deze illusie is o.i. bedrog, en leidt ons af van het heden. Ook in de tijd van de bijbel waren de gelovigen vreemdelingen op de aarde, die wisten te leven in een veelszins barbaarse tijd. De galerij der geloofshelden in Hebreeën 11 vormt hiervan één doorlopend getuigenis. In plaats van de feiten - datgene wat ze zagen - stelden zij echter de waarheid Gods en leefden zij uit de werkelijkheid daarvan. Voor hen waren de feiten van de wereld on-werkelijk: die feiten hebben het immers niet in zich om de beloften te overleven, het zijn schijn-feiten. Daarom had voor hen de vervulling van de belofte het laatste woord: het koninkrijk Gods, dat komt, het laatste heils-feit.
Na de voltooiing van de schriftwording en bij het leven uit de voldragen Schrift staan de zaken niet wezenlijk anders. De vervulde belofte heeft plaats gemaakt voor een nieuw en opnieuw leven uit de belofte, nl. dat Christus met ons zal zijn tot aan het einde der dagen. Met het leven uit die belofte is gegeven dat het vreemdelingschap zichzelf eens overleefd zal hebben, nl. wanneer de waarheid en de werkelijkheid die uit God zijn aan het daglicht gekomen zullen zijn, en daarmee zijn dan de leugen en de wereld der schijnbare feiten ontmaskerd. Tot die tijd is het Woord Gods het zaad dat steeds op nieuw ontkiemen wacht, opdat mensen, levend bij de overlevering van dat Woord, de werkelijkheid van de heilsfeiten zullen ervaren, vanwege het openbarend handelen Gods - een werkelijkheid die niet gezien wordt, nochtans geloofd, en daarom te meer: op waarheid rustende, nl. omdat God die spreekt.
Wijsheidskunde
De doorwerking van de waarheid en de ontmaskering van de wereld - of deze nu het eigen hart is, of de wereld in de kerk, of de wereld rondom ons - dient, zoals wij zeiden, te geschieden in overeenstemming met de Schrift en op de wijze van de eigen tijd. In dat verband lieten wij het woord wijsheidskunde vallen: de wijsheid van de mens die zich, staande in de wisselwerking tussen in-dacht en aan-dacht, oefent in het voortgaan óp en uitzetten van de weg Gods. Deze wijsheidskunde wortelt in de aard van het schriftgetuigenis zelf: altijd immers schakelt de openbaring mensen in. Openbaring wil als door mensen verwerkte openbaring voortgaan.
Deze wijsheidskunde is niet alleen een spontane opdracht maar tevens een vorm van dienstbetoon, zowel aan de wereld als aan de kerk. Zij is geen doel in zichzelf: zij dient de voortgang van de waarheid Gods. Omdat God ons met de waarheid be-dient - via de bediening der verzoening - en omdat dit in iedere tijd zijn eigen spits krijgt, dient eveneens het onderzoek van die waarheid de mens en de kerk. Zowel de kerk als de wereld blijven daarom steeds theologie nodig hebben, omdat God deze goed voor haar vindt. In de theologische doordenking worden daarom de in-dacht en de aandacht voortdurend op elkaar betrokken en scherpen zij elkaar.
Het is enigszins begrijpelijk dat de theologische arbeid soms in de gemeente geen hoge ogen gooit. Daar kunnen allerlei op zichzelf begrijpelijke redenen voor zijn. Heeft zij in het verleden niet vaak tot spitsvondigheden geleid die de gemeente verwijderde van het hart van het belijden? Heeft zij niet vaak stellingen betrokken van waaruit men rugwaarts het geloof van de gemeente kwaad deed, en dit geloof zelfs ondermijnde?
Toch is het on-gereformeerd de theologische doordenking als zodanig in verdachtheid te brengen, en een nevenstelling te forceren tussen het van God geleerd zijn - de gemeente, de belijdenis - en de godgeleerdheid als wetenschap - de theologie - . Zulk een nevenstelling is spiritualistisch en hoort meer thuis in remonstrante of doperse kring dan in gereformeerde. Het is dan ook onjuist wanneer op gereformeerd erf bewust of onbewust met een soort latente tegenstelling zou worden gewerkt, waarbij de belijdenis gezien wordt als een soort spontane en op voorwetenschappelijke wijze tot bloei gekomen vrucht van het belijden der gemeente, terwijl de theologie dan geacht wordt daarna in te zetten, als een menselijke en wetenschappelijke doordenking van minder gehalte. Onze belijdenis zelf weerspreekt deze nevestelling al door het geducht gehalte aan theologische bezinning dat zij verraadt. Wij denken hier bijv. aan art. 8 uit onze Ned. Gel. Bel. over de godsleer of aan Zondag 18 uit de Heid. Catechismus waarin zich een afgrenzing van het lutheranisme voltrekt. Het is de taak van de theologie om de dingen die door de kerk liefdevol op een rij zijn gezet in haar belijdenis te herijken en opnieuw in verband te stellen met de eigen tijd. Deze herijking is nodig omdat de keerzijde van de duurzaamheid van de leer het duurzaam volharden bij de leer is: nooit immers hangt de leer in de lucht, maar altijd is zij met de werkelijkheid van de gelovige verbonden. En omdat de gelovige altijd op een bepaalde plaats in die geschiedenis staat, moet altijd weer de ontmoeting worden gezocht, de plaats waar waarheid en wereld hun wisselwerking oefenen. Rechte theologie brengt zo oude én nieuwe dingen voort, en juist in dit samengaan van het oude met het nieuwe, van de Schrift met de eigen tijd, ontstaat een antwoordend spreken dat de kerk helpt op haar weg aan de hand van de waarheid. Zodoende komt ook de wereld niet tekort, want zij mag deze wandel van de kerk verwachten: wij zijn schuldenaars aan de wereld.
Daarbij moet de theologie niet te afgesloten zijn om in datgene wat er in de wereld omgaat een aanleiding te zien om nieuwe dingen te zeggen - ze zullen blijken voort te kunnen komen uit het oude Woord dat ons denken te boven blijkt te gaan. Zelfs zal de theologie bereid moeten zijn van de wereld te leren, aan-dacht te oefenen ter wille van de in-dacht. Zo staat de theologie rondom het belijden der kerk heen, ter wille van de duurzaamheid van dat belijden, omdat de inhoud van dat belijden zich immers altijd weer in het heden, in de weg der volharding, der werkzaamheid, bewijzen moet. De theologie staat niet naast de belijdenis, en zeker niet tegenover haar, maar rondom haar: zij dient. Zij is daarbij, ook op gereformeerd erf, nog wel eens wat uitgegleden, maar dat behoort tot het risico van alle dienst aan de voortgang der openbaring die ons is opgedragen, en dit bepaalt ons dan bij het 'klein beginsel der gehoorzaamheid, dat zelfs de allerheiligsten nog maar hebben' (Heid. Gat. Zondag 44). Het is dan ook veelzeggend, dat deze aanhaling genomen is uit het derde stuk van de Catechismus: dat van de dankbaarheid, van gebod én gebed, dat van leven uit het Woord, dat van de aanvaarding van de roeping, dat van de wég van de christen: de heiliging van het leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's