Maakt de bond de mensen rooms?
Toen we besloten in te gaan op elk van de artikelen, die in In de Waagschaal hebben gestaan over de Gereformeerde Bond -
Toen we besloten in te gaan op elk van de artikelen, die in In de Waagschaal hebben gestaan over de Gereformeerde Bond - een nummer dat we uitvoerig weergaven in de Waarheidsvriend van 8 oktober - nam ik op me om op het verhaal van dr. A. A. Spijkerboer te reageren, een verhaal getiteld 'De bond of de kerk?'. Spijkerboer zal het mij niet euvel duiden als ik begin met de opmerking, dat ik zo langzamerhand wat uitgekeken raak op zijn ontboezemingen over de Gereformeerde Bond. Ooit voerden we een uitvoerige discussie over de positie van de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk, opgenomen in Woord en Dienst en in de Waarheidsvriend. Later hebben we nog enkele malen met elkaar van gedachten gewisseld. Je krijgt dan het idee, dat het telkens op hetzelfde gaat neerkomen. In het korte artikel, dat Spijkerboer nu aan de Gereformeerde Bond heeft gewijd komt echter één aspect voor, waarvan ik het de moeite waard vind er - ook in kort bestek - nader op in te gaan.
Ik bedoel de volgende passage uit Spijkerboers artikel:
'Wat ik van de bond hoor heeft voor mij vaak iets beklemmends: rechtvaardiging door het geloof alleen, genade alleen, tegelijk rechtvaardige en zondaar - het is er allemaal, en toch blijkt dan dat het allemaal zomaar niet gaat, omdat er iets met je gebeurd moet zijn. Ik ben als predikant nogal eens mensen tegengekomen die door de prediking van de bond in een houding waren gebracht, waarin ze naar zichzelf zaten te kijken, of om precies te zijn: naar de bewegingen van hun eigen gemoed: was daar al iets van echte bekering te zien? Ze waren dan soms net zo ongelukkig als Luther voor zijn bekering en dan dacht ik: de gereformeerde bond heeft deze mensen rooms gemaakt. Ligt het niet voor de hand dat de waarheid bederft of soms zelfs in haar tegendeel omslaat wanneer je haar zo in eigen régie neemt als de bond het doet? '
Ernstige (aan)klacht
Deze uitspraak van Spijkerboer is zondermeer een ernstige klacht, tegelijk een ernstige aanklacht. Ik moest bij het lezen van deze passage denken aan een boekje, dat ik jaren geleden in mijn vacantie las en dat mij aansprak. Het was het boekje van Michel van der Plas en Godfried Bomans, getiteld 'In de kou'. De strekking van het boekje was, dat, nu allerlei roomse zekerheden wegvallen, mensen in de kou zijn komen te staan. Ik denk dat dit juist is. Iemand vertrouwde mij eens toe dat hij vroeger voor zaken moest biechten, die nu onschuldig zijn. En recent nog zei me een jonge rooms-katholiek, dat het allemaal weinig meer voorstelde. Vroeger volle kerken, maar nu houdt de pastoor nog een tuin-feest, waarmee hij wat mensen op de been brengt.
Toch lag in de titel van het boek van Bomans en Van der Plas voor mij een diepere strekking. Ik onderging de beklemming van die roomse sfeer, die de leden van deze kerk bang doet zijn voor God, om bepaalde zonden, om afwijking van bepaalde roomse tradities, om afwijkend gedrag ten opzichte van wat onder katholieken gebruikelijk was, hoe uitbundig het daar ook toe kan gaan (denk maar aan carnaval). Hel en vagevuur zijn de rooms katholieken vroeger ook wel ingeprent, zélfs als het ging over de rok, die niet tot over de knie bedekt was. Bij het lezen van dat boek dacht ik: niet alleen de huidige rooms-katholiek staat in de kou maar de vroegere rooms-katholiek stond óók in de kou, vanwege het ontbreken van het reine evangelie, het evangelie, dat spreekt van rechtvaardiging van goddelozen, die niet door hun werken maar door het éne werk van onze Borg en Middelaar Jezus Christus moeten en kunnen en zullen zalig worden.
Maar tegelijk haal ik mij voor de geest nummers van het evangelisatieblad De Open Deur, een blad dat dunkt me toch niet rooms is en dat ook van bondse smetten vrij is. Het komt dunkt me dichter in de buurt van de geestelijke ruimte, waarin Spijkerboer ademt. Wat dan opvalt is dat alle nummers van De Open Deur doorregen zijn van verhalen van mensen, die hun angst voor God kenbaar maken of van artikelen, waarin dit element expliciet aan de orde wordt gesteld. Mensen, die bang zijn voor God, vind je in alle kringen. Dat wil ik er maar mee zeggen. Maar dan nu ook snel terzake.
God is heilig
God is de Heilige en wij, mensen, zijn onheilig. Dat is het onontkoombare bijbelse gegeven, dat in de praktijk van elke dag waar blijkt te zijn. Nu zijn mensen, die niét bekeerd zijn, zoals Luther vóór die onvergetelijke dag in zijn leven, inderdaad bang voor God. Men moet er Romeinen 1 maar op nalezen. Gods toorn wordt openbaar over alle goddeloosheid; en God heeft het alle mensen nog geopenbaard ook. Vandaar dat er bij de mens een latent besef aanwezig is van (een) God, die toornt over de zonde. En of men nu onbekeerd-rooms of onbekeerd-bonds is, die gedachte houdt mensen bevangen.
Maar, iemand die dan, zoals Luther, bekeerd is? Die mag inderdaad leven uit de vreemde vrijspraak; dié vrijspraak, waardoor een goddeloze rechtvaardig mag zijn voor God. Maar blijft die bekeerde en nochtans goddeloze niet vrezen voor Gods majesteit? Het blijft toch in het leven van een christenmens: simul iustus et peccator? Tegelijk zondaar én gerechtvaardigd? Luther heeft inderdaad de bevrijdende ontdekking gehad dat, toen hij uit de Romeinenbrief de rechtvaardiging van de goddeloze geopenbaard kreeg, de poorten van de hemel voor zich zag opengaan. Maar heeft hij daarna toch ook niet de klacht gekend vanwege zijn zonde, en heeft hij niet blijvend, tot zijn laatste adem toe, geweten van Gods heiligheid, waardoor hij tóch moest vrezen voor God, die hem inmiddels zozeer nabij gekomen was in Zijn opzoekende zondaarsliefde?
Ik behoef niet alle bijbelteksten of bijbelgedeelten op een rijtje te zetten, waarin het gaat om de vrees, ook voor Gods kinderen, voor de heiligheid Gods. De kerk des Heeren weet er intussen wel van!
Waar ligt het verschil?
Ik probeer nu te tasten naar wat Spijkerboer bedoelt. Ik zal bepaald niet ontkennen, dat er in de kring van de Gereformeerde Bond, zoals in héél de kerk, een onbijbelse angst is voor God die te maken heeft met het onbekeerde leven. Maakt Spijkerboer dat echter in zijn eigen kring niet mee?
Maar er is ook de verrukking over het vrijgemaakt, het verlost-zijn, dat niet de trekken draagt van een evangelisch-triumfalisme en dat óók niet wegglijdt in liberale oppervlakkigheid. Er is vreugde in God (noem het met Van Ruler 'gestolde vreugde'), die bevindelijk van aard is en die toch de kenmerken van het kermende leven heeft. Men moet ze ontmoet hebben: de mensen, die door God waren vrijgemaakt en die het tóch op een bepaald moment niet hadden, omdat ze wisten dat ze dagelijks begenadigd moesten worden. De rechtvaardiging van de goddeloze is niet iets wat dagelijks voor het opgrijpen ligt; het is ook niet een zaak, die alleen maar buiten ons ligt (al ligt ze buiten ons in Christus). De rechtvaardiging van de goddeloze rechtvaardigt ons dagelijks, als goddeloze. En dat wordt nog een keer beleefd ook. Als Spijkerboer dan ook spreekt over de beklemming, die hij in het geestelijk leven binnen de Bond ervaart, dan val ik hem best bij als het gaat om het onbekeerde leven, dat ook nog een keer heel wettisch kan zijn, maar ik val hem niet bij als het gaat om het bekeerde leven dat toch nog de elementen van het gekrookte riet in zich heeft.
En dan zou ik toch aan Spijkerboer deze vraag willen stellen: komt in uw eigen kring (wat die dan ook zijn moge, maar in ieder gevoel niet die van de Bond, maar wel in de kerk) die oproep tot bekering, een bekering waarvan Luther dan toch wél wist, nog echt voor? En wordt de beleving van de rechtvaardiging van de goddeloze daar echt méér gevonden? Ik hoop van ganser harte, dat in de kring van de vigerende midden-orthodoxie veel mensen worden gevonden, die door de prediking, gevoed uit Barth, Miskotte en Hasselaar, zich vrij mogen weten door de vreemde vrijspraak. Ooit zei ds. L. Vroegindewey op een zendingsdag van de G.Z.B, dat hij - in antwoord op een vraag uit een gemeente om een 'goeie dominee' - ten antwoord had gegeven: 'bid of God de pastoor bekeert, dan heb je een goede dominee'. In de bekering zullen roomsen, bonders en midden-orthodoxen dunkt me elkaar van harte ontmoeten.
Calvijn over de rechtvaardiging
Ik eindig met een citaat van Calvijn uit diens preken over de rechtvaardiging (n.a.v. Gen. 15):
'Wat is dan 'geloven' ? Het is datgene, wat uit Gods mond tot ons gekomen is, met zulke eerbied aannemen, dat wij er door vastgehouden worden en er bij ons geen plaats overblijft voor enige twijfel. Ja, wij moeten hier nog iets verder gaan, want God zal soms zo spreken, dat wij er heel weinig nut van zullen hebben als wij naar Hem luisteren. Toen Hij tot Kain gesproken heeft en hem gevraagd heeft, waar zijn broeder Abel was, hebben wij gezien dat Kain in zijn verbeten woede toch gevoeld heeft, dat hij tegenover zijn Rechter stond en Hem antwoorden moest; nochtans heeft hij niet opgehouden te grommen en verongelijkt te doen, want hij zegt: 'Wie heeft mij aangesteld om de wacht te houden over mijn broeder? ' Zo heeft ook Adam heel goed de stem gehoord, die hem zeide: 'Waar zijt gij? ' Verbijstering en schrik hebben hem echter bevangen, hij heeft zich verborgen en had een afgrond willen vinden, waarin hij de tegenwoordigheid Gods zou kunnen ontvluchten.
Het is dus niet voldoende, wanneer wij het Woord, dat van Godswege tot ons komt, zo ontvangen, dat wij het gezag, dat daaraan toekomt, eerbiedigen; dit Woord moet nader bepaald zijn, d.w.z: het moet het karakter dragen van een zekere, plechtige belofte, die ons tot God doet naderen en ons Zijn goedgunstigheid deelachtig maakt, zodat wij niet twijfelen, of Hij zal ons tot een Vader en Verlosser zijn, en wij daaraan de vrijmoedigheid ontlenen om Hem aan te roepen en ons als Zijn kinderen te beschouwen en de toevlucht tot Hem te nemen.'
In de rechtvaardiging van de goddeloze gaat het om zonde èn genade en om de voortdurende doorleving daarvan in het leven van het geloof. Calvijn heeft in de tijd van de Reformatie aan deze twee aspecten in hun onderlinge samenhang duidelijke richtlijnen gegeven en daarin onderwijs voor de kerk der Reformatie.
V. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's