De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voortgaande openbaring (4)

Bekijk het origineel

Voortgaande openbaring (4)

De Heilige Schrift

9 minuten leestijd

(De weg)Wij besloten het voorafgaande deel over de leerontwikkeling binnen de voortgang van de openbaring met een verwijzing naar het dienstkarakter van de theologie. Het ging ons daarin immers om de plaats van de leer der kerk in het openbaringsgebeuren. Vanaf nu gaat het echter meer om (de veranderingen in) het leven. De vraag die nu onder ogen moet worden gezien is die naar de voortgang van de christelijke leefwijze bij het voortgaan van de openbaring, naar de mogelijkheden daartoe en naar de veranderingen daarin, en naar de functie die belijdenis en theologie ook hierin hebben.

(De weg)

Wij besloten het voorafgaande deel over de leerontwikkeling binnen de voortgang van de openbaring met een verwijzing naar het dienstkarakter van de theologie. Het ging ons daarin immers om de plaats van de leer der kerk in het openbaringsgebeuren. Vanaf nu gaat het echter meer om (de veranderingen in) het leven. De vraag die nu onder ogen moet worden gezien is die naar de voortgang van de christelijke leefwijze bij het voortgaan van de openbaring, naar de mogelijkheden daartoe en naar de veranderingen daarin, en naar de functie die belijdenis en theologie ook hierin hebben.

Actualiteit en noodzaak

Met het stellen van deze vragen komen wij ook bij praktische levensvragen terecht. De eigen tijd en eigentijdse veranderingen moeten serieus genomen worden - juist ter wille van de vastheid en de rijkdom van de schriftopenbaring. Wie datgene wat uit het heden op - ons afkomt bij voorbaat óf verfoeit óf heilig verklaart, moet hier dan ook geheel afhaken. Wij roepen hem echter achterna dat hij door zijn achterblijven de rijkdom van de Schriften kan verspelen: de Schrift weigert uit haar te laten putten in een leegte.

Met dóórgaan aanvaarden wij echter bewust een stuk kwetsbaarheid. Immers: de Schrift moet geloofd worden, maar de tijd moet geproefd worden. De in-dacht - van het Woord Gods - staat onder de belofte dat wij niet uit zullen glijden, maar de aan-dacht - voor de wereld - heeft wel een zeer sterk aan de persoon gebonden karakter: hoe verstaan wij onze tijd en hoe schiften wij de geesten die zich daarin sterk maken? Welke woorden of schriftgegevens verklaren wij nu juist voor dit heden, dat het onze is, van direct belang, zodat zij onze roeping invullen? In welke opzichten moeten wij ons laten leren, en laten bewegen tot een nieuw luisteren naar de Schrift, en in welke opzichten onvermurwbaar blijken?

De weg en de leer

Laten wij nu echter niet denken dat wat nu aan de orde komt iets van de tweede rang vormt, alsof het zoeken naar de christelijke leefwijze pas aan de orde zou komen nadat wij eerst de christelijke leer gevonden zouden hebben, zodat wat wij over de leefwijze zeggen niet alleen een meer persoonlijk maar ook een meer vrijblijvend karakter zou vertonen. Door deze gedachte maken wij de belijdenis-stand tot een belijdenis-stilstand, tot een handhaving van de status-quo, met verloochening van de erkenning dat de kerk door de Geest 'in staat van belijden' gesteld wordt. Dan zetten wij zakelijk de belijdenis buiten werking als het om onze levenswandel gaat. Met alle respect voor de persoonlijke vrijheid van keuze - een vrijheid die wij elkaar in vele opzichten moeten laten - , wij mogen nooit onze aanspreekbaarheid op de inhoud der Schrift verliezen. Op het platform waarop kerk en wereld elkaar ontmoeten staat een scheidsrechter: de Schrift. Al ons handelen in het concrete leven moet verifieerbaar zijn, d.i. niet alleen op de werkelijkheid gericht, maar ook toetsbaar aan de Schrift. Het voorafgaande hangt samen met het feit, dat het aan de kerk toevertrouwde en door haar overgeleverde erfgoed niet alleen de leer aangaande God in zich besluit, maar ook de leer aangaande het rechte handelen. Het derde deel van de Heidelberger Catechismus - het beleden gebod - is als belijdenis gelijkwaardig aan het tweede - de beleden God - , omdat beide op gelijke wijze uit openbaring opkomen.

Wij komen hier in aanraking met de dubbelheid die de schriftopenbaring kent, en, die naar gereformeerd inzicht, voor haar kenmerkend is, zowel in het Oude Testament als in het Nieuwe. In de Schrift openbaart God allereerst Zijn Naam. Het is het opschrift boven, de lijst óm, de Tien Geboden, de bindende woorden van het verbond (Exodus 20 : 2).

Om die reden jubelt Israël bij het ontvangen van die geboden: at zijn wij bevoorrecht; daar schuilt verkiezing Gods achter (Deuteronomium 6 : 4). De keerzijde van de naamopenbaring is dan de wilsopenbaring: od openbaart Zijn Naam opdat wij die zouden heiligen. Het patroon voor deze heiliging door de wereld, die tevens onze persoonlijke levensheiliging omvat, is de wet Gods, evenzeer zelfopenbaring Gods als de Naam Gods dat is. Daarom wordt in de Schrift zelfde wet al van meet af aan mee-getradeerd, en duikt telkens de structuur van de Tien Woorden - geboden - weer in de bijbel op, bijv. in de Bergrede en in de apostolische vermaningen. De leer is bestemd om geleefd te worden, zoals het jawoord op de huwelijksdag zich omzet in de huwelijkstrouw: ze zijn niet van elkaar los te maken, en staan of vallen met elkaar.

Kerk en theologie staan zodoende, wanneer zij vragen naar de gestalte van de wilsopenbaring Gods in de eigen tijd, midden in het traderen der kerk, in de overleveringsgeschiedenis, en ook wanneer er een uiteengaan is in de wijze waarop men in sommige opzichten de eigen tijd inschat, of het schriftgegeven taxeert, heeft men te maken met eenzelfde roeping als bij de voortgang van het leerproces, nl. om het heilsproces, de openbaring, te laten voortgaan, door het in te doen gaan in de geschiedenis, in het mensenleven.

Traditievorming

Overal waar mensen zijn vormt zich traditie, een religieuze en zedelijke gewoonte. De zedelijke traditie van de christen wordt in eerste instantie bepaald door de wet Gods, met name door de tien geboden. Deze zijn als een granieten gegeven door de wisselingen der geschiedenis heen. Vervolgens wordt de traditie bepaald door ervaring, nl. doordat zij antwoord geeft op de vraag hoe men onder bepaalde omstandigheden het beste blijft in de weg der gehoorzaamjieid. Al doende heeft men geleerd. Traditie heeft dus ook alles te maken met geschiedenis: welke mogelijkheden en begrenzingen biedt onze tijd ons? ; Met nut; welke traditie 'werkt' het beste, bepaalt ons het duidelijkst bij uitgangspunt en doel? De culturele gestalte die het christendom aanneemt varieert daarom, al naar gelang van het cultuurpatroon waarbinnen het zedelijk besef zich een weg baant. Met name zendingsarbeiders weten hiervan mee te praten.

Traditie moet echter ook geijkt worden. Altijd dreigen immers twee gevaren: óf de traditie verstart en wordt doel in zichzelf, zodat de vormen van het leven het gebod waarnaar en waaruit men begeert te leven overwoekeren, óf de traditie breekt stuk omdat wij niet in de gaten hadden dat zij niet meer voldeed, en niet in staat waren om haar aan te passen, zodat men met de traditie ook de gehoorzaamheid zélf verspeelt.

Op het front van deze beide gevaren - dus wéér op het front van de aanvechting - worden wij nu tot bezinning geroepen, een bezinning die enerzijds in-dachtig moet zijn - nl. aan de woorden der Schrift, inclusief de wet Gods - anderzijds aan-dachtig - nl. aandacht schenkend aan de nood en eisen van de tijd - . Hier treffen wij weer de dienstmaagd aan die theologie heet. Haar taak is het, het oude én het nieuwe te doorlichten, af te snijden wat afleidt of verdord is, aan te prijzen wat noodzakelijk en mogelijk is in de wisseling der tijd.

In de Schrift valt het dan ook op, dat de Here Jezus in zijn voortdurende conflicten met de Farizeeën nimmer het bestaan van zedelijke traditie heeft aangevochten - Hij heeft deze Zelf in praktijk gebracht en geëerd - , maar altijd de overheersing van de wet dóór de traditie heeft bestreden, en daarin zelfs provocerend optrad: men denke vooral aan het sabbathsgebod. Voorts treft ons dat zowel de Here Jezus als Paulus een vrijmoedig gebruik hebben gemaakt van gewoonten en zeden van hun eigen tijd, iets wat met name blijkt uit de vorm van de twistgesprekken met de farizeeën, en uit vele betogen van Paulus, die soms voor joden dan ook veel meer direct doorzichtig zijn geweest dan voor ons, en het zijn vermaningen waardoor hij de gemeente de rechte zede inscherpt.

Samenvattend: traditie kan veranderen. Zij moet dit ook, mits het gebod blijft. Daarom gaat bij iedere verandering van traditie het wezen van het oude mee, als de zaken goed liggen. Het gezicht van de zedelijke traditie, het uitwendig aanzien, kan immers door de tijd niet onberoerd blijven. De theologie, mét name de ethiek, de christelijke zedeleer, heeft hier een wachtersfunctie bij.

Voorbeelden uit het verleden

Uit de geschiedenis zijn er voorbeelden te noemen van perioden in de kerkgeschiedenis die het gelaat van het christenleven ingrijpend hebben veranderd. Zo bijv. de periode van plm. 200 na Chr. waarin de kerk, van vervolgde kerk in de catacomben, staatskerk werd; De tijd waarin het Romeinse rijk, en daarmee de eenheid, van de wereld, uiteen viel, en Augustinus zijn stem verhief, plm. 400 jaar na Christus; de doorbraak der reformatie met zijn verlangen naar levensheiliging en bewustwording van de persoon van de mens in zijn directe verantwoordingsplicht jegens God. In die gevallen was er telkens iets ouds dat vernieuwd werd, iets wat wegviel om plaats te maken voor wat anders, op grond van de eis van het Woord en naar aanleiding van de eis van zijn tijd.

Op gereformeerd erf zijn het vooral Bavinck en Kuyper geweest die een dergelijke stroomversnelling in de geschiedenis theologisch begeleid hebben. Het blijkt dan hoezeer de doordenking - de dogmatiek - dienstbaar is aan het ontwerpen van de weg - de ethiek - , hoezeer de leer het leven üit die leer wil dienen. Nu kan men tegen hun conceptie(s) allerlei bezwaren aanvoeren die hout snijden, maar men kan o.i. niet ontkennen dat zij, ook wanneer zij soms misgrepen, op een legitieme wijze bezig waren met overleveren van het eenmaal geschonken erfgoed. Het ging hen om de openbaring van de Naam samen met die van de heiliging van die Naam. Men poogde de leer en leven zó met elkaar te verbinden dat men de in het isolement geraakte en van de wereld vervreemde christenen weer een weg in deze wereld wees die voor hen begaanbaar was, terwijl men tegelijkertijd de christelijke traditie in verbinding stelde met de wetenschappelijke en technische ontwikkelingen in die dagen. O.i. een volslagen bijbels bedoelen, ondanks ingrijpende en o. i. ter zake uitgebrachte kritiek die daarop later is gekomen. Dit laatste mag er immers niet toe leiden dat wij het eerste, bedoeling, bedoeling miskennen.

Nu heiligt, ook op theologisch erf, het doel niet alle middelen. Het gevaar dreigt altijd, dat met de beste bedoelingen het christelijk leven al te zeer of te eenzijdig in schema gebracht wordt. Wij wijzen nu in kort bestek een paar van zulke constructies aan waarmee wij in onze dagen (nog) te maken hebben.

S. Meyers

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Voortgaande openbaring (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's