Kuyper over de vrijzinnigheid Een fata morgana (2)
19e Eeuw en Modernisme behoren onlosmakelijk bij elkaar.
Wet der geschiedenis
Wij zijn toegekomen aan het tweede deel van Kuypers rede over het Modernisme. Dat gaat over het wetmatige dat er door Kuyper in ontdekt is. Niet toevallig, zegt hij, is het Modernisme ontstaan. Argeloos is het oordeel van hem die meent 'dat slechts gril of moedwil het Modernisme zijn geboorte gaf' (17). En dan wijst Kuyper naar het 'onloochenbaar feit' dat ongeveer terzelfdertijd én in Duitsland én in Frankrijk én in Zwitserland én in Amerika het Modernisme is opgekomen. Dat alles wijst op een 'innerlijke noodzakelijkheid'. Deze 'ketterij' móest op een bepaalde tijd opkomen en zich in het kerkelijke leven presenteren.
Dit lijkt een uiterst gewaagde stelling. Is er dan ook in het geestelijke leven zoiets als een zekere 'wetmatigheid'? Staat Kuyper met dit zo te stellen niet zelf onder invloed van Scholten of, breder genomen, van het natuurwetenschappelijk denken van zijn dagen?
Ons antwoord is: Wij menen dat het stellig te ver gaat hem daarvan te verdenken. Maar wel is het een feit, dat Kuyper geneigd was, op zijn wijze, te spreken van een zekere ontwikkeling, een organische ontwikkeling. Hij speelt, ook hier in deze rede, wat met de uitdrukking 'wet der geschiedenis'. En dan gaat hij een bepaald geschiedenisverloop construeren. Zijn speculatieve geest speelde hem nogal eens parten.
Réveil en ketterij
Zijn redenering komt hier op neer. Ketterijen doen zich vooral voor in eeuwen van geestelijke opwekking. En elk van die eeuwen heeft dan zijn eigen ketterij. Een ketterij die noodwendig behoort tot deze eeuw, deze en geen andere. Dé ketterij van de 19e eeuw is het Modernisme. 19e Eeuw en Modernisme behoren onlosmakelijk bij elkaar. Vanwege het feit dat ook de 19e eeuw een eeuw van geestelijke opleving was én ook nog vanwege het feit dat heel de geest des tijds het Modernisme als het ware heeft opgeroepen en ook wel móest oproepen.
Het is, zoals men wel zal beseffen, een grootse gedachte die Kuyper hier heeft ontwikkeld. Zij werpt in elk geval een zeer bepaald licht op het Modernisme en op het ontstaan ervan. Wij ontkennen ook niet dat er een zekere kern van waarheid in zit, al lijkt ons het geheel wat constructief.
Tot de eeuwen die een geestelijke ontwaking te zien hebben gegeven, rekent Kuyper de 4e eeuw, die van Augustinus, de 16e eeuw, die van de Reformatie en, heel merkwaardig, ook de 9e eeuw, en tenslotte zijn eigen eeuw, de 19e. In al deze eeuwen straalde het licht der waarheid, maar vertoonde zich ook de ketterij, steeds een ketterij, die bij die eeuw paste. En Kuyper ziet daarin een vaste wet, hij zegt: 'Zoo dikwijls na eeuwen van geestelijken doodslaap weer het licht der kennis begint op te waken, kan, maar dan ook, móet de ketterij zich vertonen' (20).
Negentiende eeuw
Het is niet onze bedoeling verder na te gaan, hoe Kuyper dit in details besproken heeft, maar wel willen wij graag horen hoe hij in dit verband gesproken heeft over zijn eigen eeuw en het ontstaan van het Modernisme daarin. Was de 19e eeuw, zo vragen wij, nu werkelijk een eeuw van geestelijke opleving? Met enige reserve heeft Kuyper er over gesproken. Hij noemt niet het Réveil, maar het lijkt ons haast onmogelijk dat hij niet aan haar gedacht zou hebben. En, niet te vergeten, hij zal ook gedacht hebben aan eigen levenstaak. Hem zweefde voor ogen een krachtige herleving van het Calvinisme in ons land. Het was 1871, Kuyper was nog maar 34 jaar oud en stond nog niet op het toppunt van zijn levensarbeid. Toch, hij heeft breder gezien dan eigen levenswerk alleen, en hij had ook niet alleen Nederland voor ogen. Hij spreekt over een nieuwe dag die met deze eeuw over 'ons werelddeel' is aangebroken (21). Niet dat er volgens Kuyper niet nog veel te wensen was overgebleven. Het licht kwam nog maar 'ter halver hoogte', het zenith is nog niet bereikt. 'De zon onzer eeuw schoof nog niet in het centrum der waarheid' (21).
Reactie-verschijnsel
Zo zal men dus, aldus Kuyper, het Modernisme moeten zien, als een reactie-verschijnsel. In de 19e eeuw begon na een lange tijd van 'geestelijke doodslaap' zich het licht weer te vertonen, en dat riep noodwendig op, als reactie, de schaduw van het Modernisme.
Maar daarmee is volgens Kuyper nog niet alles verklaard. Er is nl. ook nog het feit, dat het Modernisme - hoe vreemd het ook klinkt - alleen maar op de bodem van het christendom heeft kunnen ontstaan. Het is waar, er is in deze beweging een sterk heidense trek. De studie van de godsdienstgeschiedenis (en dan moet Kuyper wel hebben gedacht aan de Leidse hoogleraar Tiele) is bij de Modernen zeer in trek. En toch, het Modernisme zou nooit hebben kunnen opkomen, als er nooit een Kerk van Christus was geweest. Sprekend over de Modernen zegt Kuyper: 'Een onzuivere, vaak geheel omgekeerde nagalm van Christelijke toonen klinkt u nog tegen in hun lied' (22).
Tenslotte is er ook nog wat Kuyper noemt het 'karakter onzer eeuw'. En hier, vooral op dit punt, wil hij duidelijk maken welk een 'innerlijke samenhang' er is tussen tijdgeest en een bepaalde ketterij, tussen 19e eeuw en Modernisme.
Realisme
Kuyper zegt: onze eeuw kenmerkt zich door Réalisme, haar dorst naar werkelijkheid. 'Men heeft het dwepen met holle idealen verleerd' (22). En dan wijst Kuyper onder andere op de natuurwetenschap van zijn tijd; men heeft zich gekeerd tot het zichtbare en het tastbare. Op het leven van onze eeuw drukt een zeer 'realistisch stempel' (25).
Hij ziet die omslag naar het Realisme ook in de kerk. Er was een tijd, en Kuyper zal daarbij gedacht hebben aan die van de gereformeerde scholastiek, dat er een ijskorst lag op de waterspiegel van het kerkelijke leven; de levensstroom daaronder vloot weg. 'Deftig, maar zinledig was haar taal'. Onbezield haar leven. Gekunsteld was haar taal. Maar nu is dat anders geworden. Nu leeft wat De Génestet dichtte: 'Geef mij natuur en waarheid weer'. Is Kuyper dan onverdeeld gelukkig met het Realisme van zijn eeuw? Dat nu ook weer niet. Hij ziet de gevaren. 'Het realisme bedreigt ons met een zeer ernstig gevaar' (25). Het glijdt zo gemakkelijk af in het materialisme. En reeds zijn wij daarheen op weg, verzucht Kuyper.
Opnieuw stelt hij dan vast, dat in het Modernisme gezien moet worden een reactie; ook een reactie op het Realisme van de 19e eeuw. Juist als reactieverschijnsel op het Realisme houdt Kuyper het Modernisme voor een typisch 19e eeuwse aangelegenheid. Zozeer dat hij ook, in een zeker optimisme, kan zeggen, dat, wanneer de heersende begrippen zwenken, dat wil zeggen de tijdgeest verandert, het Modernisme 'schier onzichtbaar achter de kinnen des levens' zal verdwijnen (20).
Tegenover het Realisme van de 19e eeuw stelde het Modernisme het geloof aan een ideale wereld. Ziehier het eigene van het Modernisme, zoals Kuyper het heeft gezien. Hij moet speciaal gedacht hebben aan het Modernisme a la Scholten. Bij die vindt men dat hier bedoelde idealisme.
Intussen, Kuyper ziet wel, wat er in deze 'ketterij' is gebeurd. Het Modernisme kent maar één werkelijkheid, die der zichtbare dingen, en het mag dan al spreken van God, God is maar een Idee. God staat niet buiten en boven de werkelijkheid, maar is in de werkelijkheid.
Wij merken hierbij op: Dit zijn klanken die men heden ten dage nog steeds beluisteren kan. En dan niet alleen bij de oud-Modernen, maar ook bij de neo-vrijzinnigen. Hier zouden heel wat namen te noemen zijn. Het leidt tot een volstrekt horizontalistische levenshouding. Blijkbaar is de ketterij van het Modernisme niet alleen geschikt geweest - om te blijven in de gedachtengang van Kuyper - voor de 19e eeuw, maar is zij het ook voor de 20e eeuw.
Incarnatie
Tot slot, Kuyper bepleit op zijn beurt, tegenover het Modernisme, een zeker gezond realisme. Hij spreekt van 'een goddelijke realisme, dat in de vleeswording des Woords ligt opgesloten' (26). Tegenover het Realisme van de 19e eeuw, dat ook Kuyper, voorzover het dreigde weg te zinken in materialisme, niet anders dan afwijzen kan, stelt hij dus een ander realisme, dat van de Vleeswording van het Woord Gods. Dan komt er weer zicht - een zicht dat in het Modernisme was verloren gegaan - 'op het lichamelijk verrijzen van den Christus uit het graf' (26). Met andere woorden, dan komt er weer zicht op de wonderen
Gods, die door het Modernisme werden geloochend, tot verlossing van ziel en lichaam beide. Dan ontstaat er een bijbelse beschouwing van leven en wereld.
Het Modernisme pretendeerde een levens-en wereldbeschouwing te bieden. Maar zij was maar arm. In het christelijk geloof in de Vleeswording des Woords ligt ook een levens-en wereldbeschouwing, maar een heel andere, een troostvolle. Er is uitzicht, er is toekomst. Ook ten aanzien van de zo belangrijke kwestie van een levens-en wereldbeschouwing is het Modernisme - ook heden ten dage - niet anders dan een nietig en onwezenlijk schouwspel, een fata morgana!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's