De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voortgaande openbaring (5)

Bekijk het origineel

Voortgaande openbaring (5)

De Heilige Schrift

10 minuten leestijd

Het zicht dat A. Kuyper opent op de mogelijkheid van een christelijke levenwandel in zijn tijd werd gedragen door een, o.i. boeiende maar evenzeer riskante, grondgedachte.

Dienstbaar bedoelde constructies

Het zicht dat A. Kuyper opent op de mogelijkheid van een christelijke levenwandel in zijn tijd werd gedragen door een, o.i. boeiende maar evenzeer riskante, grondgedachte. Centraal staat een tekst als Johannes 14 : 12, die spreekt over de 'meerdere' werken dan die van de wonderen van Christus, die na Hem door Zijn discipelen zullen worden gedaan. Dit 'meerdere' betrekt hij dan op de ontwikkeling van de menselijke geest, op zijn kennisverwerving, en op de ontwikkeling van het technisch kunnen. Na pinksteren wordt de wondermacht van Christus afgewisseld door een 'middellijke' wondermacht die zich voltrekt in wetenschap en techniek. Zo wordt het werk van de Heilige Geest met een zekere vanzelfsprekendheid in verband gesteld met de ontplooiing van de menselijke geest en van de menselijke technische vaardigheid. Op deze wijze wilden Kuyper-en H. Bavinck - de christenheid uit de innerlijkheid alleen uitleiden, en hun de weg aanwijzen die zij in de wereld mogen en moeten gaan. Bij Kuyper staat de wetsvolbrenging dan ook sterk betrokken op de wereldlijke dienst, iets wat o.i. over de in-dacht een schaduw werpt, vanwege de eenzijdige aan-dacht voor de, zich ontwikkelende, wereld. Toch moet gezegd worden, dat Johannes 14 : 12 óók in de bijbel staat, en dat hier iets wordt aangeraakt dat vanuit de bijbel legitiem is. Beleeft het geloof bijv. het medisch kunnen en wat wij daaraan te danken hebben niet vaak als een wonder?

De tijd van het optimistisch vooruitgangsgeloof, van een procesmatig zich ontwikkelende en steeds wijzer (beter? ) wordende wereld is voorbij. Andere modellen zijn daarom gevolgd, alle ter wille van 'de weg', van de begaanbaarheid van het pad naar de toekomst, constructies waarin tegelijkertijd ook de teleurstelling is verwerkt over hetgeen een ongebreidelde technische vaardigheid ons bracht.

Er zijn dan ook voorbeelden van te geven hoe in onze eigen tijd theologen de schriftopenbaring bewust te buiten gaan ter wille van het wijzen van begaanbare wegen, van het aanwijzen van een christelijke leefwijze. Zo vinden wij allerlei gedachten van Kuypers cultuuropvatting terug bij A. A. van Ruler. Bij deze laatste stond vooral Johannes 16 : 13 (vooral het slot) centraal. Voor hem is het beheersende uitgangspunt dat in de uitstorting van de Heilige Geest, als eerstelinggave, als voorschot op wat God in de toekomst doen zal, de toekomst van God op aarde reeds nu gestalte aanneemt. Omdat deze toekomst die van Gód is, en omdat deze niet uit onszelf opkomt, kon hij, sterker dan Kuyper dit deed, wijzen op de noodzaak om veranderingen aan te brengen binnen de ontwikkelingen der geschiedenis, terwijl hij tegelijkertijd ook meer oog kon hebben voor deze werkelijkheid als een werkelijkheid die in de greep van de Boze ligt en die daaraan ontworsteld moet worden. Toch valt ook bij hem een licht optimistische ondertoon te horen als hij over de techniek en cultuur van onze eigen tijd spreekt.

Bij H. Berkhof valt deze ondertoon in sterkere mate te beluisteren. Net als bijv. Kuyper gaat ook hij uit van het midden van de heilsgeschiedenis, en niet, zoals Van Ruler, vanuit het einde, en pleit ook hij voor een verbinding van het werk van de Heilige Geest met technische en geestelijke ontwikkelingen. Tegelijkertijd wil hij, net als Van Ruler, oog houden voor de greep van de duisternis op het wereldleven. Daartoe verzelfstandigt hij echter de dreiging binnen de schepping zo zeer, dat de schepping haast naast God komt te staan, in plaats van ónder God. Zo dreigt het gevaar dat het 'boek der schepping' naast de bijbel komt te liggen, en dat er twee openbaringsbronnen ontstaan. Dan wordt het moeilijk om uit te maken wat hij nu uit de openbaring afleest, en wat uit de algemene ervaring van mensen, uit de empirie. Zijn dogmatische werk toont ons dan ook hoe openbaring en ervaring voortdurend door elkaar heenlopen. Daardoor ontstaat de mogelijkheid om met een zeker gemak allerlei humanistische idealen met het christelijk leven te verbinden.

Bij een theoloog als H. M. Kuitert liggen de zaken weer anders: de ervaring van de noodzaak tot verandering en de twijfel aan de zin van het ontstane, met name op het gebied van de moraal, wordt gemaakt tot een voertuig waarin de theologie uitgenodigd wordt in te stappen. Wat Berkhof nog bijeen probeert te houden - de traditie van de kerk en de noodzaak tot verandering omdat de wereld bezig is te veranderen - valt bij Kuitert uiteen, en het pleit tussen deze beide wordt beslecht ten gunste van de verandering. Alles wat de zedelijke traditie heeft opgeleverd komt onder het voorteken van de verandering te staan, ook al propageert Kuitert de revolutie bepaald niet. Immers: revolutie leidt immers altijd weer tot een nieuwe orde, een nieuwe status-quo, waarin de dingen worden vastgelegd, en de veranderlijkheid buiten spel gezet wordt.

Kuitert nu verder terzijde latende, wijzen wij er op hoezeer wij voor de opbouw van een systeem uit (een aantal) bijbelgegevens beducht moeten zijn. Wij hebben daarvoor twee redenen: het belijden lijdt er schade van, maar evenzeer het leven uit dat belijden.

Wat het eerste betreft: de ons geschonken schriftopenbaring is dermate rijk en vooralsnog door ons onuitgeput, dat ieder door mensen ontworpen schema altijd een willekeurige beperking aanbrengt in de inhoud van de Schrift. Dat is dan ook de reden, waarom de belijdenis der kerk zich in hoofdzaak bepaald heeft tot het op een rijtje zetten van de dingen, daarbij het gesloten systeem vermijdende, ook al zijn onze vaderen zélf daarin wel eens verder gegaan.

Voorts is ons bezwaar dat een dergelijke op de situatie van de tijd afgestemde systeemvorming het in zich heeft, om ook de weg van het geloven, de gehoorzaamheid, al te eenzijdig voor te stellen: de christelijke en de humanistische weg dreigen door elkaar heen te lopen, en het systeem verleent daaraan de rugdekking.

De volheid der Schrift

Ons verweer tegen beperking van de Schrift kan alleen hout snijden wanneer wij van harte en eerlijk bereid zijn de klassieke uitdrukking 'de volheid der Schriften' voluit serieus te nemen, daarnaar te handelen en ons denken er door te laten bepalen. Wij mogen de Schrift niet al reeds uitgeput achten in datgene wat zij ons op allerlei terrein heeft geleerd, met name niet wanneer het gaat om het houden van de wil Gods. Wie niet bereid is vanuit de Schrift ontdekkingen te doen en zich zo nodig te laten corrigeren, moet over de volheid der Schrift maar liever zwijgen, want hij blijkt haar in de praktijk al uitgeput te achten, niet meer in staat tot het aanreiken van nieuwe dingen, niet berekend op een tijd die ons uit de hand loopt, niet meer in staat weg-wijs te maken in een nieuwe en andere periode der geschiedenis. Dan hebben wij vergeten dat de Schrift met het wegvallen van de apostelen is afgesloten opdat het leven er uit in de tijd na Pinksteren op gang zou komen.

Voor dit verwerken van de Schrift moeten wij letten op het appèl dat van de tijd waarin wij leven uitgaat. Twee belangrijke vragen zijn hier in het geding: hoe waarderen wij de tijd waarin wij leven, en hoe waarderen wij de tijd als zodanig als het gaat om het zoeken van de levensweg.

De eigen tijd

Reeds eerder schreven wij dat zich in de loop van de geschiedenis telkens momenten hebben voorgedaan waarop.er veranderingen optraden - moesten optreden - in het leven naar de stijl van de openbaring. Die veranderingen tekenen zich in de bijbel al af: het joodse volk heeft een andere stijl van leven dan de vervolgde christengemeenten in het Romeinse Keizerrijk. Dat heeft niet alleen te maken met het in vervulling gaan van de belofte, met de heilsgeschiedenis, maar ook met verandering van de omstandigheden, met de geschiedenis. Vergelijkbare veranderingen treden op als de vervolgde kerk staatskerk wordt, als het Romeins keizerrijk uiteen valt, als de reformatie komt, en rondom de laatste eeuwwisseling.

Nu kan men niet zonder meer zeggen dat iedere omwenteling een herontdekking van het evangelie heeft betekend. Wél kan men stellen dat op al deze momenten dingen uit de Schrift naar voren kwamen die werkzaam werden, en dat voorheen niét waren. Met name geldt dit, uiteraard, de reformatie. Daarom heeft met name de 16e eeuw een christelijke stijl van leven en samenleven voortgebracht.

De zorg die men o.i. over onze tijd kan hebben is, dat dit momenteel niét geschiedt. Weliswaar vinden wij een grote nadruk op het rechte handelen, op de ortho-praxie, en grote aandacht voor het collectieve mensenleven - voor wereldproblemen, voor het gevaar van de macht, voor het milieuvraagstuk, voor de oorlogsdreiging - , maar al te weinig wordt gesproken over de persoonlijke levensheiliging, of over de persoonlijke levensstijl. Wie echter de gemeenschappelijke levensstijl niet ent op de persoonlijke, dreigt in het moralisme te vervallen. De gehoorzaamheid wast dan niet op uit de navolging van Christus, maar uit slagzinnen.

Nu ontkennen wij niet, dat de hierboven gesignaleerde noden voor ons als christenen geen tekenen zijn waarop wij te letten hebben. Integendeel. Ze hebben voor ons een signaalfunctie, en vormen een aanleiding van godswege tot bezinning op de weg van de christen in deze tijd. Nochtans mag het ons niet ontgaan, dat deze problemen vanuit dezelfde invalshoek worden benaderd als van waaruit men het de persoonlijke christelijke levensstijl doet, nl. vanuit de grondgedachte van de mondig geworden of mondig te maken mens. Het resultaat van deze benadering is dan ook dat onze tijd, op het persoonlijke vlak, momenteel althans, géén levensstijl oplevert. Niet alleen de moraal maar ook wat daarachter ligt, het dwingende vanwege de norm Gods, wordt in de taboe-sfeer getrokken, en vervolgens wordt deze taboe-sfeer zélf taboe verklaard. Het resultaat is geen baanbreking, maar uitsluitend dóór-breking.

Daar schuilen twee gedachten achter. De eerste is, dat het leven zit opgesloten tussen wieg en graf, en dat wij het dus in dit leven waar zullen moeten maken, want arbeiden voor wat daarna komt heeft geen zin. Onze generatie is in hoofdzaak pragmatisch: op haalbaarheid van concrete doelstellingen uit. De tweede is, dat rnen met de lessen van de geschiedenis, met wat vooraf ging, en dus ook met wat het verleden aan gehoorzaamheid voortbracht, niet meer uit de voeten kan, omdat onze tijd dermate uniek geacht wordt, dat zij geheel onvergelijkbaar is. Zowel het perspectief als de verworteling ontbreken. In plaats van het verleden en de lessen uit dat verleden is het concrete heden getreden, en de toekomst is slechts van belang voor zover deze in het heden door ons realiseerbaar is. Zo ontvalt ons het verleden, en verwereldlijkt de hoop.

Deze verandering van instelling verraadt o.i. een crisis-denken, dat ten diepste een religieus crisis-denken is: de zin van het leven wordt gezocht in het leven zelf, omdat gebleken is dat nóch het verleden nóch een idealistische (christelijke) toekomstverwachting in staat zijn geweest een heil-vol en gelukkig heden voort te brengen. Tegen deze achtergrond van de crisis van het religieuze doet het te meer pijn om te ontdekken dat het moderne crisisdenken als een verlossing wordt aangeprezen, en wellicht ook - nog - als zodanig wordt beleefd: het zou echter o.i. een loutering moeten zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Voortgaande openbaring (5)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's