Kuyper over de vrijzinnigheid Een fata morgana (3)
Principieel gezien stelt het Modernisme niets voor.
Onwezenlijk
Nu het derde deel van Kuypers betoog: het Modernisme is onwezenlijk. Deze stelling lijkt gewaagd, al te gewaagd. Immers, het Modernisme was er dan toch maar! En niet alleen dat, maar het was ook een richting in de Hervormde Kerk waarmee waarlijk niet te spotten viel. Overal zwermden in de Hervormde gemeenten uit de candidaten die gezeten hadden, evenals Kuyper zelf, aan de voeten van de grote Scholten en die van Kuenen en Rauwenhoff en Tiele, Leidse hoogleraren. Zij brachten hun moderne ideeën onder het volk, waren ook zeer actief. Hielden cursussen, lezingen en wierpen zich met kracht op een hele 'omturning' van de kerk in moderne richting.
Dit alles is Kuyper natuurlijk niet ontgaan. Hij heeft het ook niet onderschat. Maar als hij het Modernisme een fata morgana, een gezichtsbedrog noemt, en zegt dat het onwézenlijk is, dan velt hij er een principieel oordeel over. Principieel gezien stelt het Modernisme niets voor. En omdat het principieel niets voorstelt, daarom zal het ook, in toenemende mate, reëel niets voorstellen. Zoals het Modernisme opkwam, zo zal het ook weer ondergaan. De Kerk zal ook deze ketterij te boven komen. De dagen van het Modernisme, ook al houdt het gedurende nog een eeuw stand, zijn niettemin geteld.
Verval
Kuyper heeft, zoals hij zelf zegt, de eerste symptomen van dat verval reeds gezien. Hij spreekt van 'een snel verloop' en dat 'in zo korte jaren', en hij heeft dan voor ogen dat toen reeds, in 1871, het Modernisme haar élan begon te verliezen. Onze Modernen hebben 'in een oogwenk des tijds een heerlijke tempel opgetrokken' (29), maar zie, nu reeds hoort men van alle kanten dat zij aan 'verbouwing en vernieuwing' toegekomen zijn. 'Scholten is reeds onherroepelijk geantikeerd' (30). Nauwelijks was het kind gespeend of er vertoonden zich reeds vege tekenen. Kuyper denkt ook aan het feit, dat reeds enige voormannen van de moderne richting uit eigen beweging de Moderne theologie, en soms zelfs heel het christendom de rug hadden toegekeerd. Hij noemt met name Busken Huet en Allard Pierson. De eerste had in 1862 en de laatste in 1865 de moderne richting verlaten. Zij hadden het theoretisch zwakke ervan ingezien. Het Modernisme bleek naar hun eigen besef niet bestand tegen de strenge logica, waarop toch dat Modernisme zelf als methode aanspraak meende te kunnen maken. Zij trokken de 'konsekwentie', en dat stelde hen buiten het Modernisme, maar ook buiten de Kerk en zelfs buiten het christendom. Dit alles wordt niet door Kuyper zelf in zijn rede verhaald, maar wel maakt hij de opmerking: 'Nog geen tiental levensjaren heeft het Modernisme gekend, of mannen van enthusiasme, mannen van zeldzaam talent en die zoo boeiend en wegslepend zijn woord tot ons volk gesproken hadden, verliezen zelf het geloof aan wat zij anderen predikten en leggen het ambtsgewaad af' (30). Conclusie: Het Modernisme heeft zelfs mannen met een zeldzaam talent als Busken Huet en Pierson in de onkerkelijkheid, ja de onchristelijkheid gedreven. Welk een triest resultaat van een beweging die met zoveel enthousiasme is begonnen. Men zie er in een symptoom van haar onwezenlijkheid.
Niet apostolair
Maar er is nog veel meer. Was het niet het vroege ideaal van het Modernisme om te winnen wat kerk en christendom sinds vele jaren in de 19e eeuw verloren hadden? Hoeveel intellectuelen waren niet van kerk en christendom vervreemd geraakt? Het materialisme behaalde haar overwinningen. De buit die zij behaalde op de kerk was waarlijk niet gering. Toen kwam het Modernisme. De Kerk is de aansluiting met de nieuwe tijd, met de moderne mens kwijt. Wij - Modernen - zullen trachten die aansluiting weer te vinden. Wij zetten de oude leer der kerk opzij, zij heeft afgedaan, zij is niet bij de tijd, wij kunnen haar hoogstens nog gebruiken in die zin dat zij ons het begrippenmateriaal biedt waarin wij onze moderne ideeën aan de gewone man brengen. Wij zoeken een christendom dat past bij deze (moderne) tijd. En de hoop der Modernen was dan dat als vanzelf, de velen die buiten de kerk leefden, omdat zij gekozen hadden voor de 'moderne tijd' en de kerk hen niet meer aansprak, zouden worden teruggewonnen voor het christendom.
De eerste Modernen hadden het hoge ideaal van een hervorming, een zuivering van het in hun ogen verouderde christendom. Zij meenden met het Modernisme het materialisme te kunnen overwinnen.
En is dat nu bereikt? Kuypers antwoord is kort en goed: Integendeel! Er is ook door en na het optreden van de Modernen geen opmerkelijke verandering onder ons volk te bespeuren. Het resultaat van de arbeid der Modernen kan zonder meer als 'teleurstellend' worden gekarakteriseerd.
Wij mogen hierbij een opmerking maken onzerzijds. Er blijkt niets nieuws onder de zon te zijn. Worden niet heden ten dage van neovrijzinnige kant steeds weer dezelfde geluiden gehoord? Steeds komen de 'buitenkerkelijken' opdraven, de moderne mensen. Die kunnen door dat oude woord van de Kerk niet meer gewonnen worden, er moet iets anders worden gezegd. Steeds rechtvaardigt zich de Vrijzinnigheid met een beroep op haar aanspreekbaarheid bij de moderne mens. En de resultaten? Als in de dagen van Kuyper. De 'schouwburggangers', de 'sociëteitsbezoekers' en de 'straatslijpers', zij zijn er nog net zo aan toe als in de tijd toen er van een Modernisme nog geen sprake was (31).
Bovendien, het Modernisme zelf is, aldus Kuyper, ook niet meer wat het geweest is. Het vertoont reeds de eerste tekenen van 'verdorring en versterving'.
Wij hoorden al, dat Roessingh, de rechts-vrijzinnige theoloog die een halve eeuw later een geschiedenis van het Modernisme schreef, haar bloeitijd liet doorlopen tot ongeveer 1870. Daarna kwam het verval. Kuypers constatering in 1871 is dus wel een juiste geweest! Hij zag het Modernisme in zekere zin al op haar retour. En toch, zij zou het langer uithouden dan hij wellicht vermoed heeft. Zij zou zelfs herleven. Alleen, niet in haar oude gedaante, maar doordat de orthodoxie haar deuren ervoor zou openzetten, waarna dat merkwaardig fenomeen van een neo-modernisme is ontstaan.
Op vier terreinen onderwerpt Kuyper vervolgens in zijn rede het Modernisme aan een test. Wat heeft het ons gebracht op. het gebied van de godsdienst, dat van de zedelijkheid, dat van de theologie en dat van de kerk? Op alle vier deze gebieden blijkt bij nader onderzoek er in het Modernisme geen werkelijke winst te hebben gezeten.
De religie
In dit artikel beperken wij ons tot hetgeen Kuyper gezegd heeft over de betekenis van het Modernisme voor de religie, ofwel de godsdienst.
De God der Modernen, zegt hij, is een Idee, en daardoor een abstractie. Niet de levende God van de Bijbel. Eigenlijk is hun God een zelfgedachte 'God'. Kuyper gebruikt dat woord niet, maar men zou kunnen zeggen: hij verwijt het Modernisme het hebben van een afgod! Het hoogste en reinste wat zij, de Modernen, zich denken kunnen, vatten zij samen in hun Godsidee. Zij geven er niet eens altijd de naam 'God' aan, vaak volstaan zij met veel algemener termen, als Geest, hoogste Werkelijkheid etc. God is voor hen 'iets', en 'door persoonsverbeelding lenen zij aan dat iets wezenheid en persoonlijk bestaan' (34). Zo'n God kan de harten niet verwarmen met zijn liefde. Hij laat de harten leeg. Ook het Godsbeeld der Modernen is een fata morgana, een schone schijn, in werkelijkheid: niets!
Gebed
Tot deze 'God' is het moeilijk bidden. Of eigenlijk: het is onmogelijk. Het bidden tot Hem is in elk geval geen vragen. Aan een Alwezen of eeuwige Kosmos kan men niets vragen. Alle dingen gebeuren met noodwendigheid, men kan geen beroep doen op zijn persoonlijke barmhartigheid en liefde.
De Modernen leerden: Het echte gebed is nog door niemand ooit begrepen. Wat was dan volgens hen het gebed? Niet het vragen om dit of om dat. Dan krijgt men immers weer dat door het Modernisme zo gewraakte supranaturalisme, dat wil zeggen, dat er in deze wereld een ingrijpen is vanuit een hogere wereld, en dat er dus ook wonderen kunnen plaatsvinden. Neen, bidden is geen vragen. Wat dan wel? Bidden is slechts 'een uitstorting der ziel', 'een tweegesprek met de eigen ziel', een zekere 'zielsverheffing'. Kuyper gebruikt dat woord niet, maar men zou kunnen zeggen: in het Modernisme is het gebed een monoloog, een alleenspraak. Er is niet een Hoorder en Verhoorder, er is niemand die antwoord geeft. De bidder blijft met zijn gebed en met zichzelf alleen. Er wordt niet een hemel boven ons opengebroken, er wordt alleen maar een hart ontsloten, of beter gezegd: de bidder zelf ontsluit zijn hart. Niet: voor Gód, maar: voor zichzelf! Ook het gebed is een fata morgana.
Godsbestuur
Tenslotte, ook nog het Godsbestuur. Wil het Modernisme, aldus Kuyper, konsekwent zijn, dan moet het breken met de gedachte aan een Godsbestuur over alle dingen. Dan is er alleen maar de natuur en de geschiedenis. Dan verlopen alle dingen uitsluitend volgens de natuurwetten en volgens de 'wet der geschiedenis'. Dan moet men dr. I. Hooykaas, een van de Modernen uit die dagen, gelijk geven. Die zei, 'Dat wij niets in 's mensen uiterlijk lotgeval van een Godsbestuur zien' (39). Dat is tenminste konsekwent! Maar zo konsekwent waren toch niet alle Modernen. Sprak hun soms orthodoxe afkomst een woordje mee als zij toch, op enigerlei wijze, aan een bestuur van God in alle dingen bleven vasthouden? Op die vraag gaat Kuyper niet in. Hij constateert alleen het feit. Hij spreekt het Modernisme aan op hetgeen het naar haar wezen belijdt en ook belijden móet. En dan komt de bittere armoede ervan aan het licht. Neen, in religieus of godsdienstig opzicht is het Modernisme bepaald geen winst geweest. Het heeft aan het godsdienstig leven grote schade berokkend. De schijn was mooi, de werkelijkheid bedroevend.
En is dat heden anders? Kan men spreken van een bloeiend geestelijk en godsdienstig leven, daar waar de vrijzinnigheid, in oude of nieuwe vorm, het leven beheerst? De terminologie die zij gebruikt is sinds Kuyper een andere geworden, maar is ook de werkelijkheid van hetgeen zij belijdt of beter gezegd niét belijdt anders geworden? Het Modernisme is altijd sterk geweest in de negatie. Mannen als Roessingh en vele andere Modernen hebben dat ook wel ingezien. En dan zeiden zij: Wij hebben genoeg gebroken, nu moeten wij aan het bouwen. Maar dat bouwen kwam nooit. En, naar ons oordeel, kan dat ook niet komen. Het Modernisme, ofwel de Vrijzinnigheid is perdefinitie negatief! Het sloopt en breekt, het laat een puinhoop achter. Op alle terreinen. Ook op dat van de godsdienst. Weer moet onze conclusie zijn: een fata morgana!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's