De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Is er nog toekomst?

Er heerst bij velen in onze tijd een ondergangsstemming die weinig of helemaal niets meer voor de toekomst verwacht. We plegen dat uit te drukken met het snel ingeburgerde, maar anderzijds zeer vage woord 'doemdenken'. Het vooruitgangsgeloof heeft een fikse deuk gehad. Daarover schrijft de historicus, drs. H.G. Leigh in het Geref. weekblad van 9 oktober:

'Tegen het einde van de vorige eeuw schreef de bekende theosofe mevrouw Blavatsky haar verwachting dat 'de aarde in de 21e eeuw een hemel gelijk zal zijn, vergeleken bij wat ze tegenwoordig is'. De lezers kennen dat vooruitgangsoptimisme dat in de 18e eeuw op gang is gekomen en dat de hoop verkondigde, een hoop die vooral inhoud had in een morele verbetering van mens en mensheid. Het was de verwachting van een hogere cultuur, van een betere moraal, ja zelfs van de volmaakbaarheid van de mens. Gaandeweg breidde deze verwachting zich uit over de politiek en de economie, over wetenschap en technologie.

Het is waar: de pessimistische onderstroom was er in de 19e en 20e eeuw evenzeer. Het kwaad was er en bleef er. Reeds de Verlichting kende haar 'dialectiek' van hoop en van verbijstering, en ze zou in de 19e eeuw niet verdwijnen. Maar de verbijstering was veeleer inderdaad een onderstroom, door velen nauwelijks bespeurd en door anderen als onverantwoord gehekeld. Vooral als die verbijstering en dat pessimisme zich ontlaadden in revolutionaire bewegingen, in kritiek en vaak al te gewelddadig verzet: en ook in die revoluties zat toch weer een enorm brok verwachting en vooruitgangsgeloof, maar dan in oppositie tegen de vooruitgangsidee van de bestaande werkelijkheid.

Inderdaad, het vertrouwen in de toekomst was wijd verbreid; en ook al de tevredenheid met het heden, althans bij hen die van dat heden genieten konden. Een van de redenen was stellig dat er in de 19e eeuw, na de periode van Napoleon, vrijwel geen grote oorlogen waren, dat er een betrekkelijke vrede heerste tussen de staten; wie zou niet dankbaar zijn voor de orde en rust, die overal leken te heersen? Orde, rust, vrede, die overigens steeds weer bedreigd leken te worden door de ondergronds rommelende geest van verzet en revolutie, van socialisme en anarchisme. Zo was ook de zekerheid van de heersende elite en van de wat algemener burgerklasse, overigens zelf meermalen door revolutie omhooggekomen, niet maximaal.

De aarde in de komende 21e eeuw een hemel? Weinigen onder ons zullen het vandaag nog geloven. De eeuw waarin wij leven heeft ons ontstellende ervaringen bijgebracht. Het is de eeuw gebleken van tot dusver twee wereldoorlogen en van talloze 'kleinere' oorlogen, die miljoenen mensenlevens hebben geteisterd en kapotgemaakt; het lijkt bij uitstek de eeuw te zijn geworden van monsterachtigheden (al waren die er in de vroegere eeuwen ook in massaal aantal!), niet alleen ver van ons vandaan bij Stalin of in Argentinië of in het Oeganda van Idi Amin, maar juist zeer nadrukkelijk bij ons, in het hart van Europa, twaalf jaar lang na 1933!

Er zijn de economische crisissen met al hun werkloosheidsleed; anderzijds - althans in de westerse wereld - een snel gegroeide welvaart en een sociale welzijnsmaatschappij, zoals die er nog nooit is geweest. Maar wij hebben waarlijk wel ontdekt dat de 'hemel op aarde' niet bestaat bij de gratie van materiële welvaart alleen. Ook in onze rijke wereld groeit het pessimisme, en zeker niet zonder reden.'

Leigh herinnert dan aan de dertiger jaren waarin Huizinga zijn beroemde boek 'In de schaduwen van morgen' schreef over het instorten van de cultuur, het leven in een bezeten wereld. Nu is er onlangs van Amerikaanse zijde een boek over de tachtiger jaren gepubliceerd, waarin met een overvloed aan feitenmateriaal allerlei schokkende elementen uit onze tijd beschreven worden: De onstellende bewapeningswedloop, de vergiftiging van het milieu, de computerbedreiging. Over dit boek schrijft niet alleen Leigh in zijn hierboven genoemd artikel, maar ook ds. J. H. Velema in De Wekker van 9 oktober. Velema acht het nuttig en nodig van de feiten in dit boek kennis te nemen. Hij schrijft:

'Gewezen wordt op de gigantische bewapeningswedloop, en wedlopen op dat gebied lopen bijna altijd op oorlog uit, vroeg of laat. De schrijvers berekenen dat er sinds 3600 voor Christus slechts 292 jaar vrede is geweest. In deze 25 eeuwen zijn er - schrik niet - 14531 oorlogen gevoerd. Alleen in de periode 1945-1975 zijn er 119 activiteiten aan te wijzen die als oorlog - een burgeroorlog of een internationale oorlog - zijn aan te merken (19).

Tussen 1968 en 1975 hebben 913 internationale terreuracties plaatsgevonden waarbij Amerikaanse burgers werden betrokken (23). Even verder lezen we: als het de terroristen niet op korte termijn onmogelijk wordt gemaakt over kernwapens te beschikken kan zich in het Midden-Oosten een onvoorstelbare ramp voltrekken (28).

Waar loopt het allemaal op uit? 'Op een helse holocaust door middel waarvan de mens zijn duivelse mogelijkheden om de hele mensheid te vernietigen ten toon spreidt? Of wijst het in de richting van een werelddictator? ' (43).

Toen een Amerikaanse senator drie jaar geleden een bezoek bracht aan China kwam hij ontmoedigd terug 'door de berusting van de regering van Peking in de absolute onvermijdelijkheid van een wereldoorlog'. (60).

Het moet onze lezers duidelijk zijn dat wie deze tekening op zich laat inwerken geen reden heeft om onbezorgd en onbekommerd te zijn over de gang van zaken in de wereld. In het hier getekende klimaat kan het doemdenken ontstaan.

Waar leven we nog voor en wat is de zin van ons bestaan als de zaken er zo voor staan?

Somber is ook de tekening die gegeven wordt over de gevolgen van de milieuvervuiling. In Amerika is de kans op kanker de afgelopen jaren gestegen van één op acht tot één op vijf mensen. Deze stijging werd grotendeels veroorzaakt door de duizenden giftige stoffen die de moderne mens gebruikt (83). Wat we via allerlei stoffen binnenkrijgen en welke schadelijke bestanddelen allerlei etenswaren bevatten is onvoorstelbaar. We gebruiken insekticiden - insektendodende middelen - maar de gezondheid van de mens wordt er door aangetast. De samenstelling van de meeste chemische middelen die op de markt zijn gebracht is een fabrieksgeheim en niemand weet hoeveel middelen kankerverwekkend zijn. 'Amerika zou wel eens bezig kunnen zijn letterlijk zelfmoord te plegen' (90).

De oorzaken van kanker en hartkwalen moeten voor 70 tot 80% in milieuproblemen worden gezocht (94). De eerste ecologische wereldramp - op het gebied van de milieuvervuiling - wordt aan het eind van deze eeuw verwacht (95). De oceaan is al heel lang 's werelds grootste vuilnisbelt. Alle soorten vergif en afval die maar bestaan, worden er in geloosd. Nog voor het eind van deze eeuw zal de oceaan dood zijn als er niet gauw iets wordt gedaan (98). Een schokkende tijd staat vlak voor de deur (122).

Nogmaals - kunt u het doemdenken begrijpen? Kunt u als u zich met deze problemen bezighoudt en u zou niet in God geloven maar alleen maar leven voor deze tijd en deze wereld, zich indenken dat er ondergangsprofeten komen die zeggen: het gaat met deze wereld naar de vernietiging?

Bijzonder boeiend is het hoofdstuk over de bedreiging door de computer.

Wie de tekst uit Openbaring 13:17 niet begrijpt: niemand kan kopen of verkopen dan wie het merkteken, de naam van het beest of het getal van zijn naam heeft, ', moet dit hoofdstuk eens lezen. We komen angstig dicht in de buurt van de vervulling van dit woord.

We gaan een kille samenleving tegemoet die door een meester-computer wordt bestuurd. De ontwikkelingen op het gebied van de elektronische geldoverdracht volgen elkaar steeds sneller in een alarmerend tempo op. Traditionele gewoonten in het zakenleven en in de maatschappij zullen door de elektronische geldoverdracht radicaal veranderen. Eén enkele identificatiekaart zal het contante geld vervangen.'

Zowel Leigh als Velema zijn van oordeel dat dit boek niet alleen schaduwen van morgen beschrijft, maar ons laat zien de nacht waarheen en waarin we ons begeven. Vooral Leigh is scherp ten aanzien van zijn kritiek. Hij noemt het een huiveringwekkend boek dat feitelijk geen uitweg biedt. Nu gaat het ons niet om een beoordeling van dit boek in deze rubriek. Het viel me wel op dat Velema positiever oordeelde over de teneur van dit werk. Belangrijk vond ik wat Leigh schrijft over ons handelen in het licht van de toekomst.

'De schrijvers van 'De Tachtiger Jaren' menen ook wel dat aan al de door hen beschreven kwalijke ontwikkelingen iets moet worden gedaan. Maar wat, blijft in het duister. Hoe komt dat? M.i. omdat de auteurs zich niet afvragen, evenmin als de meeste revolutionairen en anderen die tegen de heilloze ontwikkeling in verzet komen, waar de diepste wortels liggen van het zo falikant verkeerd gaan, van een grondig christelijk-ethisch falen, ook in landen waar 'het christendom' nog invloed lijkt te hebben.

In plaats van zich de grondvragen te stellen, juist als christenen, gaan zij de Bijbel gebruiken (misbruiken, zou ik liever zeggen) om allerlei pseudoreligieuze verklaringen te bieden. Want mag men in de EEG enige relatie zien met de koninkrijken uit de droom van Nebukadnezar (p. 138)? Of met Daniels ijzer-leemmengsel (p. 137)? Heeft Jesaja in zijn profetieën inderdaad de hedendaagse milieuvervuiling zien op gang komen (p. 84)? En is de door deskundigen verwachte massale vissterfte in de nabije toekomst reeds door Johannes op Patmos geschouwd, toen hij, overigens 'nog maar' een derde deel van de schepselen in zee zag sterven (p. 98)?

Feitelijk zien de auteurs nog maar één toekomst als heel nabij, nl. de komst van een werelddictator, en dat zal h.i. de Antichrist zijn. Het einde der tijden is in zicht, horen wij voor de zoveelste maal in bijna tweeduizend jaar.

Er is de geloofszekerheid dat God Zijn beloften zal vervullen, uiteindelijk in de wederkomst van Jezus Christus. Maar deze blijde belijdenis roept in dit boek nauwelijks op tot waarachtige bekering, in die zin dat wij weer bereid zijn tot het vervullen van Gods wil in ons staan in déze wereld met al haar mogelijkheden en ontaardingen. In dit opzicht stelden indertijd de boeken van Huizinga en vele andere cultuurhistorici en - filosofen teleur, in dat opzicht faalt m. i. het boek van Wilson en Weldon.'

Waar het op aan komt voor de christelijke gemeente is dat zij juist in deze tijd op een bijbelse wijze getuigenis geeft van de hoop die er is dankzij Jezus Christus. Die hoop verlamt niet, maar inspireert tot dienen en getuigen. De profetische oproep tot bekering krijgt juist in onze tijd een ongehoorde aktualiteit. Er is in de geschiedenis voorts een dubbele beweging. Aan de ene kant tekent de Bijbel de toenemende verwording en wetteloosheid, daarnaast is er toch ook het positieve teken der tijden van de verkondiging van het Evangelie in woord en daad (Matth. 24, 14). Christelijk geloof weet wel van de ernst van het oordeel, de dreiging van de antichrist en zijn macht, maar laat zich niet verlammen tot een doemdenken. Want de machten zijn in principe verslagen.

Zonder te vervallen in triomfalisme, mag het 'Jezus is overwinnaar' toch doorklinken in prediking, pastoraat en ethos. In Spreuken 29 lezen we: Indien openbaring ontbreekt, verwildert het volk. Een Engels geleerde vertaalt deze tekst: Als er geen visie (visioen) is, gaat het volk te gronde. Hoe zullen we bezig kunnen blijven zonder het uitzicht op Gods Koninkrijk? Hoe zullen we kunnen leven en werken als we niet in geloof en hoop leren leven uit de beloften van God in Jezus Christus.

Dwars door alle pessimisme en vooruitgangsgeloof heen zullen kerk en theologie zich meer dan ooit rekenschap moeten geven van de hoop. Rekenschap ook aan wie ons verantwoording vragen.

***

De Heilige Geest en de evangelisatie

Hoe geven we het evangelie door aan onze tijdgenoten? Aan de onverschilligen en aan de vijandigen, aan marxisten en religieuze zoekers, aan atheïsten en humanisten. In Credo van okt. 1981 wijst prof. dr. J. Veenhof erop dat wij in onze cultuurkring mensen ontmoeten die nooit neutraal tegenover kerk en evangelie staan. Het is niet iets volstrekt nieuws voor hen. Hoe zullen we onder deze mensen evangeliseren? Veenhof zegt terecht dat dat niet iets is, wat je onder de knie kunt krijgen, zoals met bepaalde zaken in ons leven. Elk automatisme en vanzelfsprekendheid is uitgesloten. De Bijbel verwijst ons naar de Heilige Geest.

Hij legt de verbinding tussen Christus en mij, tussen Christus en de ander en die tussen die ander en mij. Wanneer ik alleen of samen met andere christenen probeer iets van de evangelische boodschap door te geven - hoe dan ook - mag ik vertrouwen op de belofte, dat Jezus Christus in zijn Geest 'erbij' zal zijn en dat het relatiestichtende werk van de Geest aan het licht zal treden, door onze inzet héén! Dit laatste houdt in, dat christenen bepaalde dingen ontvangen of, anders geformuleerd, met bepaalde gaven worden toegerust. Ik noem er drie. In de eerste plaats krijgen zij openheid voor de medemens, die zelf buiten de lichtkring van het evangelie leeft. Ze ontvangen een open oog voor situatie van die ander. Liefde maakt niet blind maar ziende. En dat open oog komt voort uit een open hart. De ander wordt tot mijn naaste. Voor dat ik hem of haar mijn 'verhaal' ga vertellen, span ik mij eerst in scherp en zuiver te horen, wat die ander bezig houdt en wat hij of zij mij te zegge heeft; ik weet, dat ik daar dikwijls veel van leren kan. In het luisteren naar die ander groeit er vertrouwen en kan ook ik uiting geven aan wat mij na aan het hart ligt en wat ik als waarheid heb leren ervaren. Ik zie die ander, ik ontzie die ander (dat wil zeggen: ik wals niet over hem of haar heen) en ik voorzie in de noden en behoeften van die ander.

Vervolgens ontvangen zij in de wisselende situaties het juiste woord om te spreken. De Geest zal hen zo leiden, dat zij ook in moeilijke situaties, wellicht argeloos en zonder veel voorafgaand overleg, het juiste woord op de juiste plaats weten te vinden. Dat is een belofte van Jezus zelf, waarop wij staat mogen maken. (Matth. 10 : 20). Als wij op Jezus vertrouwen, groeit door de Geest de moed om onze verlegenheid te overwinnen, wanneer wij tot een getuigenis worden geroepen en tevens de fijngevoeligheid om te onderscheiden, waar het op aankomt in die bepaalde situatie, waarin wij ons tot spreken voelen gedrongen.

In de derde plaats worden christenen door de Geest in staat gesteld het door hen gesproken woord zichtbaar, tastbaar en vruchtbaar te maken in de concrete taal. Ik zinspeelde zojuist al op het 'inspelen' op de noden en behoeften van de ander. Die hulp en allerlei andere vormen van daadwerkelijke inzet zijn een 'vrucht' van de Geest. De Geest doet ze groeien aan de boom van ons leven. Wie de deugdelijkheid van een boom wil testen, gaat geen gat boren in de stam, maar hij kijkt naar de vruchten. Dié zijn het zichtbare teken van hoe het met de boom gesteld is.

Het zijn deze drie gaven, die de Geest uitdeelt aan christenen bij het doorgeven van het evangelie; de openheid, die luisteren kan; het woord, dat in een bepaalde situatie heilzaam 'overkomt' en de daad die de zichtbare gestalte is van het woord als heilswoord.

In de bezinning op de evangelisatorische arbeid is het goed na te denken over de vruchten en gaven die de Geest schenkt. Ik denk dat we dan ook weer stuiten op dat rijke en diepe woord 'gemeenschap' waarvan het Nieuwe Testament getuigt. Ook Veenhof wijst daarop. Dan worden we tegelijk ook weer teruggebracht bij ons gemeente-zijn. Functioneren de we inderdaad als een gemeenschap van geloof en liefde? Voor de toekomst van de evangelisatie in ons land een zeer aangelegen vraag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's