Dienend getuigen
Dienen en getuigen: dat zijn de twee brandpunten van deze inleiding over onze evangelisatie-opdracht.
Dienen en getuigen: dat zijn de twee brandpunten van deze inleiding over onze evangelisatie-opdracht. We hebben dus niet de bedoeling een totaalbeeld te ontwerpen van wat het Nieuwe Testament over evangeliseren zegt. We lichten er slechts twee elementen uit. Maar dit zijn dan wel twee wézenlijke elementen, die vanaf de tijd van de eerste christengemeente samen gingen en bovendien op een onlosmakelijke manier rnet elkaar samenhangen. Is het getuigenis van Christus niet de grootste dienst die wij onze medemens bewijzen? En is werkelijk christelijk dienstbetoon niet tevens een stukje getuigenis van de enige Naam? Van een tegenstelling tussen getuigenis en dienst kan in Bijbels licht geen sprake zijn, net zo min als tussen woord en daad. Zonder hier dus te scheiden, dienen we tegelijk toch zo nuchter te zijn om te onderscheiden. Beide hebben ze nu eenmaal iets eigens. In het getuigen valt het accent op de hoorbare boodschap van het christelijk dienstbetoon aan de wereld, een boodschap waarin eeuwig heil wordt gepresenteerd; in het dienen valt de nadruk op de tastbare daadwerkelijkheid van Gods heil, als een voorlopig teken van de heerlijkheid die ophanden is.
Eeuwig heil
Als men in deze onderlinge samenhang toch enige orde wil aanbrengen, lijkt me de orde: 'getuigenis-dienstbetoon' onmiskenbaar en onopgeefbaar, wel vanuit de eenvoudige overweging dat het getuigenis eeuwig heil aanreikt, terwijl alle dienstbetoon niet verder reikt dan dit tijdelijk leven. Paulus' diepste bezorgdheid aangaande zijn joodse broeders naar het vlees betrof dan ook niet hun politieke knechtschap onder de Romeinse dwingelandij of b.v. hun sociale onderdrukking, maar hun afwijzing van het eeuwig behoud, (Rom. 9 : 1, 2, Rom. 10 : 1). Qua 'draagwijdte' is het diakonaat dus ondergeschikt aan het apostolaat. Maar dit mag er ons toch niet toe verleiden om het dienstbetoon dan maar te diskwalificeren als een 'opstapje' tot de woordverkondiging; alsof de naastenliefde slechts een sympathie-wervende voorbereiding was voor de prediking! Evenmin is de reden van christelijk dienstbetoon gelegen in het geloofwaardig maken van het Evangelie! Dienstbetoon heeft ten diepste maar één drijfveer: de liefde van Christus. Hier boren wij de ene bron aan, waaruit zowel getuigenis als dienst voortvloeien. Wie door Christus' liefde wordt bezield en gedreven, die heeft lief. En liefde is uit op eeuwig behoud van de ander. En hoe zouden wij iemand wél het heil van de hemel gunnen, maar niet het welzijn hier op aarde? Het eerste is het meerdere maar dan is het tweede toch wel 'het minste' wat we voor de ander zoeken?
Dienen
Nu moeten wij ons in het raam van deze inleiding natuurlijk nog, een verdere beperking opleggen: we kunnen er nl. niet aan denken om het thema 'diakonaat' uit te werken. Wat wij in dit kader beogen is alleen dit: te onderstrepen dat ons Christus getuigenis een (wezenlijke!) vorm van dienen is! De titel van de inleiding kan niet wegnemen dat het zwaartepunt hier valt op het mondeling getuigende aspect van het dienstbetoon. Ons uitgangspunt kiezen wij in 2 Korinthe 2, met name het laatste vers: 'Want wij dragen niet, gelijk velen, het Woord, maar als uit oprechtheid, maar als uit God, in de tegenwoordigheid Gods, spreken wij het in Christus.'
De apostel Paulus is bezig de aard van zijn prediking bloot te leggen. Hoe veelzeggend dat hij dan schrijft: Wij zijn Gode een goede reuk van Christus! Wie in Christus' gevolg en gemeenschap geraakt, wordt zó van Diens levensadem doortrokken en met het Evangelie besprengd, dat hij een goede geur van Christus wordt. Wie uit een rokerig vertrek komt, verspreidt een andere geur dan wie in de tintelende zeelucht toefde... Wel, wie met de zalf van Christus' Geest en liefde is overgoten, om hem hangt de reuk van Christus, penetrant als van een oosterse zalf.
Onweerstaanbaar
Is het geen zinrijk beeld? Niets dat zich zo onweerstaanbaar verspreidt als geur. Geen deur houdt het tegen. Door naden en kieren dringt het even onzichtbaar als onstuitbaar heen! Zo verborgen doet het Evangelie zijn werk, en even onweerstaanbaar. Midden in de bedwelmende walm van de zonde houden wij de Roos van Saron hoog, voor ieder die de reuk maar inhaleren wil. Zeker, er zijn er die er even aan ruiken en vervolgens onverschillig of zelfs vol walging 't gezicht afwenden: de geur bevalt hen niet! Christus niet hun een doodslucht ten dode. En waarachtig niet omdat Christus op Zichzélf een doodslucht zou zijn of omdat God het zo bedoelen zou (zie Joh. 3 : 17). De oorzaak is gelegen in het bederf van de reukorganen! Gode zij dank, dat Hij zelf de reuk Zijner kennis openbaar maakt, door ons! Het is aan Hém om mensen onder de heilige en heilzame bekoring te brengen van de levensgeur. Aan óns, om hierbij instrument te zijn en de Bloem van het Evangelie op te houden, opdat mensen door Gods Geest en Woord onder Christus' bekoring tot bekering komen. Geen wónder dat Paulus uitroept: wie is tot deze dingen bekwaam? Want: wat een verantwoordelijkheid, om tussen God en onze medemens in te staan, op de snijlijn van eeuwig wel of eeuwig wee, leven óf dood! Wat een zelfverloochening om zich zó te laten besnoeien, dat de geur van Christus' liefde onvermengd onze woorden doortrekt. Om het Evangelie niet zoeter te maken dan het is, want dan wordt het goedkoop en ordinair. Om het Evangelie ook niet bitterder te maken dan het is, want dan wordt het afschrikwekkend en afstotend. Maar om het uit te reiken zoals het is: in de bitterheid van de ontdekking en in de zoetheid van de vertroosting.
Het geheim van zulk een zuiver en dienstbaar Christus-getuigenis brengt Paulus onder woorden in vers 17.
Geen winstbejag
Het eerste wat ons opvalt is het dienende karakter van dit getuigenis: Want wij dragen niet, zoals velen, het Woord van God te koop. Dat is kennelijk zeer wel mogelijk: evangeliseren uit winstbejag. Wie immers iets te koop aanbiedt, wil er op verdienen en vooruitgaan. Hij levert op bestelling en naar wens. Want de klant is koning! Zo kan een mens zich ook in de dienst van het Evangelie laten leiden door baatzuchtige, egocentrische motieven: de zucht naar succes, de begeerte naar aandacht en faam, of gewoon maar geldingsdrift. Kortom, achter het masker van evangelisatorische bewogenheid kan schuil gaan de drang om een goede boterham of positie over, te houden. En daarmee is ons getuigenis niet langer dienst. Dan is van de genade - die gratis is! - een koophandel gemaakt. Hoe licht wordt daar mee ook de boodschap zélf niet vervalst! Immers, om er zelf beter van te worden, trachten wij bij onze hoorders in het gevlei te komen. En zo beduimelen wij onze roeping met schandelijke bijmotieven en vermengen wij de wijn van het Evangelie met het venijn van menselijke inbreng, nu eens conservatief dan weer progressief gekleurd. Lijnrecht hier tegenover staat het getuigen als dienstbetoon.
Hoe zulk getuigen zich voltrekt is door Paulus in de volgende woorden getekend: ls uit oprechtheid. In het Grieks gebruikt de apostel hier een woord dat samengesteld is uit twee elementen: zonlicht en keuring, beproefdheid. Het gaat dus om een oprechte houding, die het daglicht verdragen kan en door het licht is gelouterd; een habitus die helder verlicht en doorlicht is, beschenen en doorschijnend als glas dat door het zonlicht keurend en kritisch doorzeefd wordt. Paulus verduidelijkt dit in hfst. 4 : 5-7. 'Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus de Heere; en onszelf, dat wij uw dienaars zijn om Jezus wil. Want God Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht van God zij, en niet uit ons'. Hoort u? Wij presenteren niet onszelf. Wij representeren én presenteren 'slechts' Christus. En wat zijn wij zélf dan? Niets meer dan dienstknechten, slaven. Om Jezus' wil! Dus niet om de mensen naar de mond te praten, maar omwille van Jezus, Die aller dienaar werd en zich ontledigde tot in de slavengestalte (Pil. 2). Hij Die de Meester en de Meeste was, wilde de Minste zijn. En toen hij zijn discipelen de voeten gewassen had, zag Hij hen aan en sprak: Verstaat gij wat Ik u gedaan heb? Indien dan Ik, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo zijt ook gij schuldig, elkaars voeten te wassen' (Joh. 13 : 12-16). Zo Ik, zo gij! En dit is geen kwestie van imitatie onzerzijds, maar van illuminatie, verlichting Zijnerzijds. Hij schijnt in ons hart. Zodat wij God mogen kennen in het aangezicht van Jezus Christus. Maar ook: zodat wij doorzichtige mensen worden, doorschijnend tot op Christus. Niet omdat wij Hem nadoen in eigen kracht, maar navolgen door Zijn trekkracht. In heel ons optreden en spreken straalt Christus door. Daarbij gaat het niet om ons. Wij zijn maar dienstbaar. Net zoals het in de ramen van de St. Jan niet gaat om het glas en het lood, maar om de beelden die het zonlicht erin laat zien. Wij, zegt Paulus, zijn maar een aarden vat, waarvan de enige zin en waarde gelegen is in het feit dat het de schat van Christus' Evangelie draagt.
Bediening
Nu gaan wij beter verstaan dat Paulus zijn evangelieprediking elders diakonia (bediening) noemt (2 Kor. 4:1). God heeft hem de diakonia, de uitdeling, de dienstverlening, van de verzoening gegeven (2 Kor. 5:18, vgl. 2 Kor. 3 : 8!). En de boodschappers zijn als slaven, horigen, lijfeigenen van Christus, diakenen (dienaars, uitdelers) van het Nieuwe Testament. De schat is er niet om opgeborgen te blijven in het vat, maar het vat is er om de schat te laten zien en aan te prijzen. Zo dragen wij het Woord van God: niet te koop, maar als uit oprechtheid; als horigen van Christus die tot Zijn beschikking staan en aan anderen Zijn heil ter beschikking stellen. En hoe minder de aandacht daarbij valt op óns en hoe meer de gestalte van Christus door ons heen straalt, hoe beter het is. Van de apostelen lezen we in Hand. 4 dat men hen kende 'dat ze met Jezus geweest waren' (Hand. 4:1). Dat is het hoogst compliment dat een slaaf ten deel vallen kan!
De eerste christenen vielen óp in hun omgeving. Niet maar door hun woorden (vond men die geen ergernis en dwaasheid?), zeker ook niet omdat ze de aandacht trokken door optochtelijk gedrag, maar door hun hele bestaan, dat door Christus gestempeld was. In Handelingen lezen wij dat de vreugde en de eenvoudigheid van hart hen in de gunst bracht van het volk (2 : 46v). Wat een werfkracht! Ook latere schrijvers laten een zelfde beeld zien. Christenen waren anders. Ze hadden een afkeer van wreedheid, waren de overheid gehoorzaam als goede burgers, betaalden eerlijk hun belasting en vloekten niet. Ze hadden alles gemeen, behalve hun vrouwen. 'In hen', zo schrijft Theofilus, 'woont matigheid, door hen wordt zelfbeheersing beoefend, monogamie gehandhaafd, kuisheid bewaard, rechtvaardigheid betracht, de eredienst onderhouden; God wordt erkend, waarheid leidt hen, genade bewaart hen. Vrede houdt hen binnen de perken en het heilig Woord is hun gids' (Zie M. Green, Evangelie-verkondiging in de eerste eeuwen, blz. 206-212). Zo'n levensstijl is doorzichtig, tot op Christus! Zo dragen wij het Woord niet te koop maar uit oprechtheid, in spreken en handelen! En 'wij geven geen aanstoot in enig ding, opdat de bediening niet gelasterd worde, maar wij doen onszelf in alles kennen als dienaars van God' (2 Kor. 6 : 3v.).
Dialoog
In dit verband is het wellicht dienstig om iets te zeggen over de, dialoog-vorm van ons evangelisatiewerk. Hiermee wordt soms korte metten gemaakt, vanuit het strak consequent toegepaste principe: evangeliseren is Gods Woord proclameren, van Eén kant, loodrecht van Boven. Van dit principe is uiteraard geen kwaad woord te zeggen. Integendeel. Alleen, hoe gaan we er mee om? Laten wij niet wijzer zijn dan de apostelen en de grote Meester Zelf! Hoe heeft de Heere Jezus de mensen niet opgezocht en aangesproken in hun eigen stemming en gesteldheid: Hij sprak hen niet alleen toe, maar sprak hen aan en ging met hen in gesprek! Hoe stemden de apostelen hun Woord niet af op de mensen. Dat is geen aanpassing aan, maar toepassing op de harten. Evenmin is het verraad aan het eenzijdige Evangelie, maar echte bediening, diakonie ervan. Want het Evangelie uitdelen is geen vorm van gewelddadige dwang, maar van veelbewogen drang. In de wijze waarop wij met onze medemens omgaan zal manifest moeten worden dat wij niet overheersen willen, maar dienstbaar willen zijn. Iemand zei eens: we moeten weigeren te proberen mensen het Koninkrijk van God in te slaan (zie J. Stott, Zending in de moderne wereld, blz. 121).
Herhaaldelijk lezen wij dan ook dat Paulus in dialoog ging. Hij schroomde niet om een debat aan te gaan, luisterend, antwoordend, argumenterend. Maar altijd zó, dat het gesprek ondergeschikt was aan Gods aanspraak. Dialoog kan nooit betekenen: de betrouwbaarheid van het Evangelie ter discussie stellen. Als wij het opnemen voor de gespreksvorm pleiten wij geenszins voor vervanging van de proclamatie door de dialoog. Alleen geloven wij dat de apostelen ons er in zijn voorgegaan om de dialoog in te vlechten in de prediking. Op 2 manieren. In de eerste plaats zal in iedere preek - al is alleen de predikant aan het woord - toch ook de hoorder ' aan het woord komen' in zijn vragen en verdriet, zijn zorgen en zonden, zijn maren en bezwaren...
Het Evangelie is weliswaar niet naar de mens, dus niet overeenkomstig zijn wensdromen en eigen wijsheid, maar het is wel vóór de mens bestemd en op de mens gericht. En hierbij is 'de mens' geen abstractie, maar God roept déze mens aan in zijn eigen concrete aard en geschiedenis en roept hem op om zich over te geven, te verootmoedigen en te bekeren. Gods 'Waar zij gij? ' is geen retorische vraag, maar de inzet van die unieke dialoog tussen de heilige God en de onheilige mens.
In de tweede plaats blijkt de dialoog-vorm van ons evangelisatiewerk in het feit dat wij niet alleen tot de mensen preken vanaf de kansel, maar ook spreken met de mensen rond de tafel, of op de stoep... Ook zo behaagt het de Heilige Geest om mensen te werven en te winnen. Daarbij mogen we hier en daar instrument zijn. Dat vereist een grote mate van luisterende nederigheid, nabijheid en fijngevoeligheid. Want het gaat niet aan om vanuit de hoogte wat waarheden uit te storten over het hoofd van onze gesprekspartner, maar om hem dienend nabij te komen, zelf zó doorschijnend tot op Christus Die de Waarheid is, dat deze Waarheid ook door die mensen heen gaat lichten: kritisch, ontmaskerd, maar ook vergevend en genezend. Dat is iemand de waarheid zeggen; nooit onbarmhartig en afstandelijk, maar genadig en nabij.
Daarbij mogen we ons gerust heel kwetsbaaropstellen. Het gaat er immers niet om dat wij mensen overbluffen, zelfs niet: overtuigen. Wij dienen en getuigen slechts. De Heilige Geest weet wel te overtuigen. Laten wij dat aan Hém over!
(Inleiding over evangelisatie, gehouden op de jaarlijkse Echo-dag, 1981)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's