De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

8 minuten leestijd

Prof. dr. H. Berkhof, die in de Gereformeerde Gezindte (ook binnen de Nederlandse Hervormde Kerk) nu niet direct de naam heeft van een gereformeerd theoloog, krijgt ook van de vrijzinnigen, in het links-vrijzinnige blad Zwingli, niet direct sympathie in theologisch opzicht. Hij gaf 'een onjuist oordeel over de vrijzinnigheid'. Hier volgt een gedeelte van het betoog van dr. mr. P. D. van Roijen:

'Trouw van 5 september deed uitvoerig verslag van liet afscheidscollege van prof. dr. H. Berkhof als kerkelijk hoogleraar aan de Leidse Universiteit. Hij wilde het vak dogmatiek erkend zien als voluit wetenschappelijk en thuisbehorende aan een Rijksuniversiteit. Onze geestverwant prof. dr. P. A. H. de Boer heeft dit standpunt altijd krachtig bestreden, omdat dogmatiek ten nauwste samenhangt met kerkelijke geloofsopvattingen en als zodanig geen wetenschappelijk en onvooringenomen uitgangspunt bezit. Prof. Berkhof wil een einde maken aan de zgn. 'duplex ordo', die sinds 1876 in onze wetgeving verankerd ligt. Deze 'duplex ordo' garandeert de onafhankelijkheid van Rijkshoogleraren t.a.v. kerkgenootschappen en de onafhankelijkheid van kerkelijk hoogleraren t.a.v. overheidsbemoeienis. Prof. Berkhof streeft naar het systeem van de Vrije Universiteiten van de R.K. Universiteit te Nijmegen. Wij besteedden in 'Zwingli' van februari en maart 1979 reeds uitvoerig aandacht aan deze kwestie, waarbij wij ons volledig achter prof. De Boer stelden.

'Trouw' van 5 september bevat ook een interview met prof. Berkhof, die een verrechtsing van het predikantenbestand verwacht: 'Mensen, die meer links staan, hebben vaak te weinig besef van het eigene van de kerk en weten dikwijls niet tot het hart van Jeruzalem te spreken. Linkse afhakers - moeten dus niet over de verrechtsing klagen'. Aldus prof. Berkhof in het interview.

De orthodoxe prof. Berkhof toont hiermee, dat hij de positie van de vrijzinnigen beoordeelt met orthodoxe vooringenomenheid. Het 'eigene van de kerk' is voor een orthodox Hervormd gelovige iets heel anders dan voor een vrijzinnig Hervormd gelovige. Vrijzinnige predikanten spreken niet 'tot het hart van Jeruzalem', maar orthodoxe predikanten spreken niet tot het hart van gelovigen, die behalve Jeruzalem ook Athene als erflater beschouwen. Nu de Kerkorde van 1951 de vrije ontwikkeling van vrijzinnig Hervormd geloofsleven heeft kapot gemaakt, vindt prof. Berkhof, dat 'linkse afhakers niet over de verrechtsing moeten klagen'.

***

De heer M. Dankers schreef in het boek 'Beproefde Trouw' een markant artikel over 75 jaar Gereformeerde Bond. Hij behoort tot de Oud-Gereformeerde Gemeenten. Bij het overlijden van de oudgereformeerde predikant ds. J. v. d. Poel, schreef hij in 'De Schakel' het volgende stuk dat typerend is voor de Oud-Gereformeerde Gemeenten. Ds. v. d. Poel heeft enkele jaren geleden ook medewerking gegeven aan de bundel 'Tien keer Gereformeerd'.

'Hoewel ik hem de laatste 25 jaar niet meer dan vijf of zes keer heb horen preken, acht ik mijzelf toch gerechtigheid een In Memoriam te schrijven over ds. Joh. van der Poel. Mijn herinnering gaat dan terug naar de tijd dat ik als tienjarig jochie catechisatie volgde bij ds. Martinus Overduin uit Dordrecht. Met een plechtstatigheid, die in die tijd de mensen, en zeker de predikanten, nog kenmerkte, kondigde die ons kinderen op een voorjaarsmiddag in 1938 aan dat hij ons de volgende week, zo de Heere wilde, zou 'overdragen aan onze nieuwe leraar'. Dat was dan lerend ouderling Johannes van der Poel, een blozende boerenknecht uit het IJsselmondse, wiens prediking in een zaaltje in Sliedrecht de aandacht had getrokken van kerkeraad en lidmaten van de vrije gemeente, waartoe mijn ouders behoorden.

Dat was het begin van een gezegende tijd voor Giessendam. Althans, dat zie je achteraf. Tóén was alles heel gewoon. Ook zelfs tijdens de vijf bange oorlogsjaren, die alras aanbraken. Later denk je: o, wat een gezegende jeugd hebben wij gehad, zo dicht bij de altaren, waar zelfs de mus een huis vindt en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt. Hoe hebben wij, op de catechisatie en onder de prediking, aren gelezen met Ruth op Boaz' akker, en zijn afgedaald in de kuil, in de sneeuwtijd, met Benaja de zoon van Jojada, of hebben met Maria Magdalena wenend gestaan bij het graf in Jozefs hof. Achttien jaar heeft de Giessendamse tijd geduurd. Toen kwam het einde door het vertrek naar Ede, kort nadat het 'Eindse school' had plaats gemaakt voor een nieuwe, respectabele kerk. Een radicaal einde. Giessendam lag achter. Ede lag voor hem. Ik geloof dat dat mag. Dat het goed is als een predikant, die volhartig naar een nieuwe standplaats vertrekt, zijn vorige gemeente ook volhartig los laat. Welke vruchten heeft zijn Giessendamse tijd achtergelaten? Ach, dat zal de eeuwigheid openbaren. Daar zullen ook komen de vissen, die hij gevangen heeft. Van der Poel was singulier. Enig. Oorspronkelijk. In een mate zoals weinigen gegeven is. Hij heeft al de nadelen van het singulier zijn ondervonden. Hij is verafgood en verguisd, belachen en verheerlijkt. Vaak niet verstaan, door bewonderende geestelozen niet en evenmin door kritische kinderen Gods.

Geestverwanten kon hij mateloos irriteren door zijn impulsiviteit en broeders van andere kerkelijken huize ontwapenen door zijn humor.

Vooral en ten diepste was hij evangelisch-nauw voor zichzelf en evangelisch-ruim voor anderen. Niet alleen op de preekstoel, vrijblijvend, maar ook in het pastorale gesprek. Welke zoekende ziel, die weinig zichzelf uit, krijgt ooit onder vier ogen wel eens een hart onder de riem gestoken? 't Lijkt wel of vele pastors vuurbang zijn dat een geestelijke tobberd vaste grond onder de voeten krijgt. Niet alzo Van der Poel. Nóg hoor ik hem ergens in een portaal van een kerkzaaltje bij het afscheid na een preekbeurt een witgemutst wijfje toevoegen: 'Van de beloften naar de Belover, hoor Kee!' De gulle lach, waarmee dat gepaard ging!

Nog herinner ik mij een winterse morgen tijdens de oorlog. In het fornuis knapten de wilgestronken, erop stond een pot snert te pruttelen. We waren allemaal thuis. Ziekte misschien, of oorlogsomstandigheden. Daar had je de dominee. Was even in de buurt; kwam even binnen lopen. Er werden een paar woorden gewisseld. Nog zie ik die diep heilige ernst in zijn ogen, terwijl hij, z'n handen warmend aan de glanzende fornuisstang, tegen m'n moeder zei: 'Och Koosje, die dierbare Borg zegt tegen z'n jongeren: Uw hart worde niet ontroerd, gijlieden gelooft in God, gelooft ook in mij. En toen stonden ze ook nog vóór Golgotha'. Ik zeg het nog eens: hoezeer hij ook meestal in de donkerte verkeerde, toch viel ook het licht der Goddelijke genade vaak en ruim op zijn pad. Die evangelische inslag, die gunning, zoals dat onder ons genoemd wordt, had hij gemeen met vele grote, geliefde leraars in onze en de Engelse traditie. Hoe singulier, hoe geniaal hij ook was, studeren kon hij niet. Hij wist nauwelijks het verschil tussen dogmatiek en exegese. Woorden als doxologie, eschatologie, apologie, piëtisme heeft hij nooit gekend. '

Als Alexander Comrie in een van zijn preken een onderscheid maakt tussen een recht de jure en een recht de facto, dan heeft hij dat maar overgeslagen. Als daarom een uitgever hem zover krijgt een voorwoord te schrijven in een heruitgave van een moeilijk boek over John Owen, is dat meer op de commercie gericht dan dat gezocht is naar iemand die competent was om dat voorwoord te schrijven. Maar Van der Poel was van studie en onderricht ook niet afhankelijk.

Dezer dagen las ik in een studie over de Engelse schrijfster Emily Brontë: 'Er is een klasse schrijvers, die voornamelijk afhangt van de wetenschap, die zij verkregen en de ervaringen die zij opgedaan hebben. Maar er is een veel kleinere klasse, die kan putten uit een intuïtief kennen, uit een kennen dat zij al bij de geboorte hebben meegebracht'. Mijn persoonlijke overtuiging is dat wij bij ds. Joh. van der Poel, afgezien van de genade van geloof en bekering, een dergelijk verschijnsel aantreffen. Onder het preken kón hij eenvoudig niet terugvallen op een voorbereidende studie, hoe ernstig hij dat soms ook probeerde. Hij bleef afhankelijk van wat in het stichtelijk woordgebruik invloeiing heet.

Vaak heb ik door mij hooggeachte predikanten en doctoren in de godgeleerdheid op de preekstoel of voor de radio diepe gedachten horen ontvouwen, die kennelijk vrucht waren van diepgaande studie en ernstig onderzoek, en dan dacht ik: 'Kijk, dat zei Van der Poel al tegen ons op de catechisatie toen wij nog jongens waren en hij nauwelijks achter de ploeg vandaan'.

De verleiding om een vergelijking te maken is te groot dan dat ik daaraan weerstand zou kunnen bieden. Welnu, ds. Van der Poel had meer in zich van Kohlbrugge dan van Kersten, meer van Spurgeon dan van Steenbeek.

Zoals vele sterke geesten heeft ook Van der Poel zijn stempel op duizenden gedrukt, maar door zijn rijke schakering ook talloos verschillende stempels. Velen van hen, die in sterke mate zijn beïnvloed, kunnen buiten de nauwe kring van de Oud Gereformeerde Gemeenten nauwelijks een leraar waarderen. Anderen, evenzeer in zijn geest gedrenkt, omarmen het hele geestelijke klimaat van hedendaags reformatorisch Nederland, van Abma, Mallan, van Velema tot Aalders.

Dominee Johannes van der Poel, een figuur als Andreas, die zijn broer Simon bij de hand namen tot Jezus leidde. Dominee Johannes van der Poel, een kleine rimpeling in de grote oceaan van kerkgeschiedenis van Pinksteren tot voleinding. Toch een man, die in het eeuwig heilsplan Gods een plekje heeft gekregen tussen Augustinus en Maarten Luther, tussen Johannes Hus en John Knox, tussen Wilhelmus a Brakel en George Whitefield. Met hen zal hij staan rondom de troon van het Lam en het schallend loflied aanheffen tot in alle eeuwigheid. Zalig dan zijn nagedachtenis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's