Kuyper over de vrijzinnigheid Een fata morgana (slot)
Toch heeft hij niet willen ontkennen dat het Modernisme in het kerkelijke leven van Nederland een zekere functie heeft gehad.
Wij naderen het einde van Kuypers rede. Als hij samenvat hetgeen hij in het Modernisme heeft moeten constateren, dan zegt hij: 'wel de namen, wel de schaduwen, maar de wortel der wezenheid niet' (48).
Dit oordeel kunnen wij onmogelijk anders dan negatief noemen. Kuyper heeft niet slechts ten halve-maar geheel met het Modernisme afgerekend.
Functie
Toch heeft hij niet willen ontkennen dat het Modernisme in het kerkelijke leven van Nederland een zekere functie heeft gehad. Lettend op die functie die het heeft gehad, heeft Kuyper er zelfs een zégen in kunnen zien. Hij zegt: 'In een kerk, gelijk de onze eenmaal was, geplaatst in een eeuw, als waarin wij het levenslicht zagen, moest het Modernisme niet slechts komen, maar heeft het ons ook ten zegen gestrekt' (49).
Het woord 'zegen' is nogal kras, naar ons oordeel té kras. Niet dat Kuyper er ook maar enigszins mee zou hebben bedoeld iets terug te nemen van zijn hard oordeel over het Modernisme; integendeel. Het woord 'zegen' slaat niet op het Modernisme zelf, maar alleen op de functie die het heeft gehad. Niettemin, ook dan achten wij het toch een minder gelukkig woord.
Welke was dan die functie? Er zat in het Modernisme een uitdaging. Het heeft de kerk in die zin verder gebracht dat het haar heeft wakker gemaakt en dat het haar genoopt heeft tot bezinning, te weten op al die punten waarop het Modernisme kritisch actief was.
Prikkel
Het Modernisme, zegt Kuyper, heeft ons door zijn niets-sparende uitval weer tot geestesarbeid gedwongen (49). Het Modernisme prikkelde. Zoals de kerk steeds de ketterijen heeft nodig gehad om niet in te slapen, maar wakker te worden en verder te gaan, zo ook het Modernisme in de 19e eeuw.
Kuyper zegt: wij hadden 'onze ontwikkeling gestaakt', en dan spreekt hij over 'een allesdoodend Conservatisme', dat als 'een loodzwaren arm' op ons lag.
Kuyper was bepaald geen conservatief man. Hij stond in een beweging, bracht die zelf op gang en wist dat. Er zit een stukje zelfwaardering in, als hij op deze wijze spreekt over de uitdaging van het Modernisme.
Neo-calvinisme
Men kan tegen deze beweging critisch aankijken, en wij doen dat ook. Wij spreken dan van een 'neo-calvinisme', en zien dan voor ons oprijzen een heel kerk-en cultuurproject dat niet zonder meer onze sympathie kan hebben. Eén trekje daarvan is haar optimisme. Het zit ook in het woord 'zegen' dat Kuyper gebruikt en verder in heel de gang van zijn betoog, waarin hij het Modernisme schetst als iets wat wel over zal gaan. Hierin heeft Kuyper zich vergist. Hij had dieper moeten zien. Het kwaad zat niet alleen in de 19e eeuw. Hij heeft de tijd vóór eigen optreden tezeer beoordeeld vanuit eigen optreden en daardoor viel zij te ongunstig uit. Het was niet slechts conservatisme al wat de klok sloeg in de 18e en eventueel zelfs de 17e eeuw.
Anderzijds, een feit is het, dat én Kuyper én Bavinck de gereformeerde theologie weer hebben gebracht in rapport met eigen tijd - die eer kunnen wij hen niet onthouden. En zij hebben dat gedaan onder de uitdaging van het Modernisme.
Maar zowel aan Kuyper als aan Bavinck zelf zien wij hoe moeilijk dat is en, hoe gemakkelijk men uitglijdt. Luther zou zeggen: Men moet zich nooit te ver begeven op het terrein van de tegenstander; menigmaal deed hij een uitval, maar dan trok hij zich, zoals hij zelf zegt, weer ijlings terug in de vaste en veilige burcht van het onderzoek van Gods Woord.
Optimisme
Daaraan moeten wij denken, als wij het slot van Kuypers rede lezen. Zij klinkt ons te optimistisch in de oren. Een citaat: 'Ook wij gaan dus veilig, zoo wij met de kennisse van het verleden voor den geest, onze blik op de toekomst richten, en dan zeg ik uit vaste overtuiging: Gemeente van Christus! Vrees van het Modernisme niets!' (50). Wij verzuchten: Ach, was het maar waar, dat de Gemeente van Christus van het Modernisme niets te duchten had! En dan rijzen voor onze ogen op, al die gemeenten die door het Modernisme verwoest zijn, en wij zien onze eigen kerk en hetgeen daarin gaande was en nog is, en wij zien ook voor ons, de kerk die, 15 jaar na het houden van deze rede, in 1886 door Kuyper zelf gesticht is en hoe het met haar gegaan is en thans gesteld is.
Zeker, wij begrijpen Kuyper wel: het Modernisme is een fata morgana. Maar ook een fata morgana is toch niet helemaal niets. Bedrog is bedrog. En duizenden worden er doof bedrogen.
Heeft Kuyper dat niet geweten? Natuurlijk wel. Maar dat had hem wel, op wat gedempter toon kunnen doen spreken aan het eind van zijn rede.
Bekentenis
Zelf heb ik eenmaal, zegt hij, de droom van het Modernisme meegedroomd, maar: zijn ogen waren opengegaan, en toen 'is haar prachtige schepping voor mij in het ijle weggezonken, toen een zachte koelte uit hooger dreven den horizont mijns levens trillen deed en in de glorie van mijn Heer en Koning mij de ware werkelijkheid verscheen' (52). Bij zo'n bekentenis zwijgen wij met eerbied. En wij moeten zeggen: Kuyper heeft het ook waar gemaakt!
Had men maar, ook in de kerk die hij later zelf stichtte, het hier bij gehouden! Maar het is maar al te zeer waar geweest wat Roessingh in 1922 constateerde: De moderne ideeën hebben ver buiten de Modernen zelf brede ingang gevonden, en dan noemt hij óók de Gereformeerden.
Het waren de jaren vóór de synode van Assen, 1926, toen Roessingh dat schreef. Het is bij die ene beweging niet gebleven.
Aarzeling
Het Modernisme werd nog wel afgewezen, jawel, maar... Bavinck schreef in 1911, 10 jaar voor zijn dood zijn Modernisme en Orthodoxie. Ook daarin een afwijzing van het Modernisme, zeker, en toch. Wij allen zijn nog zoekende, zegt Bavinck (16). Het waren de jaren waarin Bavinck bezig was zijn oude Gereformeerde theologie-boeken van de hand te doen.
Stappen wij over naar onze eigen tijd, dan wordt het beeld er niet beter op. De kloeke taal van Kuyper zal in de kring van de theologen die behoren tot de kerk die uit zijn arbeid is voortgekomen niet meer worden gehoord.
Wij hebben de indruk dat zij met Kuypers fata morgana eigenlijk niet goed raad meer weten. Veel van het Modernisme hebben zij in zich opgenomen en zich eigen gemaakt. De thans 'heersende begrippen' oefenen hun invloed uit. Men behoeft alleen maar te denken aan het relatieve waarheidsbegrip waarop heel het Gereformeerde rapport over het Schriftgezag is getoonzet.
Relativisme
De dingen worden 'relatief' bekeken en beoordeeld. (Relationeel waarheidsbegrip.) Precies zoals het Modernisme al meer dan een eeuw lang bezig is te doen. Kuyper zei in zijn rede: 'Het Modernisme kiest tot uitgangspunt het menschelijk gezag in geloofszaken, waartegen het Protestantisme juist zijn machtig protest verhief' (27).
Dat is het inderdaad. En wij beluisteren dat ook in het 'relatieve waarheidsbegrip', nu zo gretig gehanteerd door Kuypers eigen volgelingen.
Het ergste is niet dat men Kuyper schier vergeten is, maar dat men zich buigt onder de heersende begrippen van de tijd.
Veel is er sinds ruim honderd jaar geleden veranderd, niaar in de grond der zaak toch minder dan het lijkt. Het oud-modernisme is op z'n retour. Daarin is de profetie van Kuyper vervuld. In 1903 schreef De Standaard, Kuypers lijfblad: Het Modernisme is gelijk een uitgeknepen citroen, er komt niet veel vocht meer uit. Daar hebben wij datzelfde optimisme dat wij al eerder constateerden. En men had er intussen geen oog voor, dat de oude vijand op kousevoeten bezig was eigen erf te betreden.
Vertrouwen
Het Modernisme moet men niet onderschatten. Dat de kerk het overleven zal, is zeker, maar hóe? Door veel stormen en verlies heen. Wij hebben niet te vertrouwen op een soort immenante kracht in de kerk zelf of in een 'wet der geschiedenis', waardoor het Modernisme tot een tijdsverschijnsel wordt gedegradeerd. Natuurlijk is het óók een tijdverschijnsel, maar het is tegelijk méér. Het heeft alles te maken met de paradijszonde, van de mens die als God wilde wezen.
En buiten die paradijszonde staat niemand en ook geen enkele kerk. Daarom is er geen reden tot een zeker kerkelijk of cultureel optimisme, maar wel tot bidden en strijden.
Daaraan is gehecht de belofte der overwinning. Maar die is dan ook gave Gods. Ondanks het Modernisme is er nog de kerk. Daarin zien wij een wonder. Veel is veranderd, de bedreigingen zijn gebleveïi, maar onze God is niet veranderd. Daarop grondt zich onze hoop voor de toekomst, daarop alleen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1981
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1981
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's