Voortgaande openbaring (7)
De Heilige Schrift
O.i. wordt al te lichtvaardig gesteld, ook in gereformeerde kring, dat in de bijbel geboden staan die niet letterlijk meer genomen behoeven te worden, en daarom niet meer gelden.
Het hele gebod
O.i. wordt al te lichtvaardig gesteld, ook in gereformeerde kring, dat in de bijbel geboden staan die niet letterlijk meer genomen behoeven te worden, en daarom niet meer gelden. O.i. zit dat nog. Zo is er bijv. ten aanzien van oudtestamentische geboden een klassiek geworden onderscheiding aangebracht tussen ceremoniële en zedelijke geboden. De eerste worden dan als achterhaald beschouwd omdat ze met de oudtestamentische vorm van eredienst te maken hebben, terwijl de tweede geacht worden hun geldigheid te hebben behouden. Met het onderscheid tussen ceremonieel en zedelijk gebod - op zichzelf o.i. een verduidelijkende onderscheiding - hebben wij een voorbeeld voor ons hoe verkeerd en gevaarlijk het kan zijn om iets van het concrete gebod ooit als afgedaan te beschouwen, alsof wij het concrete gebod zouden mogen beperken. Een dergelijke onderscheiding kan dan ook niet meer dan een hulpmiddel zijn omdat blijkt dat de ceremoniële en zedelijke geboden in de Schrift zélf al niet uit elkaar te halen zijn. Wie zich aan een dergelijke onderscheiding geheel uitlevert, besnoeit daarom het gezag van de Schrift.
Een gebod houdt o.i. dan ook pas op in zijn letterlijkheid te gelden wanneer God Zelf het in Zijn heilsopenbaring buiten werking heeft gesteld. Zo lang dit niet geschied is kan o.i. ieder gebod in zijn letterlijkheid als actuele wil Gods voor het heden terugkeren. Ook al is deze letter, ijkheid vanwege de wisseling van cultuur-van agrarische naar hoogtewaardige samenleving - terzijde gesteld, de letter heeft het nochtans altijd in zich als letter te willen gelden. Wie garandeert ons dat de cultuur waarin wij heden geroepen worden de weg te gaan niet omslaat in een andere, die méér vergelijkingspatronen biedt met de leefwereld van de bijbel dan de onze? Culturen kunnen wegzinken, en ook al zal men het technisch kunnen wel nooit meer weg kunnen denken uit de cultuur van de toekomst, de geschiedenis heeft vaak de neiging het verleden te variëren - ook al repeteert de geschiedenis zich nooit werkelijk. Bovendien zijn er ook in het heden naast onze cultuur andere culturen waarbinnen datgene wat wij momenteel achterhaald achten wel eens heel progressief en aanbevelenswaardig zou kunnen zijn.
Zelfs kunnen letterlijke bepalingen in een nieuwe situatie een bijzondere actualiteit ontvangen. Als in Deuteronomium 20 : 19 verboden wordt om bij beleg het geboomte rondom de stad om te hakken, omdat de vijand niet van zijn levensmogelijkheid mag worden beroofd - de weg van het gebod in de jungle die wij oorlogsvoering noemen! - zou vanuit de letterlijkheid van dit gebod - laten staan! - wel eens een lijn kunnen lopen naar het gebruik van ontbladeringsmiddelen (Vietnam) of naar het héle bewapeningsproces sedert de Tweede Wereldoorlog, van A-bom tot neutronengranaat. Tenzij men van mening is dat de opgetreden schaalvergroting van het kwaad de grenzen die God stelt aan het kwaad te niet doen.
Wij vatten samen: wie de opdracht tot letterlijke navolging van het gebod niet open houdt, kiest in feite tegen de letterlijkheid als openbaring, en verhindert daarmee de voortgang van de openbaring op het, gebied van de christelijke zede.
Gebod in heilsgeschiedenis
De eigenlijke scheidsrechter die uitmaakt wat God in het heden gebiedt is dan ook niet de geschiedenis, maar de heilsgeschiedenis. De eigen geschiedenis levert ons de aanleiding tot de oprichting van het gebod, en biedt ons het materiaal voor de weg der gehoorzaamheid. De gehoorzaamheid zélf wordt echter door de heilsgeschiedenis bepaald: deze is immers geen geschiedenis uit het verleden, maar een geschiedenis die zich in het hedeij present meldt, wanneer de Schrift gepredikt wordt en beslag krijgt op het leven van mensen.
Deze heilsgeschiedenis loopt door, ook na de afsluiting van de canon. Na pinksteren werkt daarom ook het gebod Gods verder. Evenmin als de Schrift na Pinksteren wordt afgeschaft - zij wordt juist door de Geest levend gemaakt en gehouden - wordt het gebod, of wordt iets van het gebod, afgeschaft. Gods wil is onveranderbaar.
Wat echter wél voorkomt is, dat de gestalte van het gebod door God Zelf in de heilsgeschiedenis wordt achterhaald verklaard of wordt gewijzigd. Dit hangt dan altijd samen met de gerichtheid van het desbetreffende gebod: zo zijn bijv. de oudtestamentische offerdienst, de sabbath en de besnijdenis vanwege de vervulling door Christus overbodig. In Hem zijn ze tot volkomenheid gebracht: Christus is de verzoening (het offer), de rust (de sabbath), het nieuwe verbond (de besnijdenis) Zélf, en door Zijn komst en Zijn werk is een stuk wetgeving achterhaald. Tegelijkertijd blijkt dan, dat dit vervuld en achterhaaldzijn niét hetzelfde is als afschaffing. Wet blijft wet. In vervormde gestalte - vervormd vanwege de vervulling - komen er geboden terug: de offergedachte wordt op de gemeente toegepast; de rustdag wordt op de hele week betrokken, op het rusten in Christus, en dat met name op de opstandingsdag; voor de dooppraktijk wordt teruggegrepen op de verbondsgedachte die achter de besnijdenis lag.
De heilsgeschiedenis vervormt echter niet alleen, zij brengt ook vaak het concrete gebod in zijn letterlijkheid en onaantastbaarheid aan het licht. Hier valt bijv. te wijzen op de monogamie, de duurzame echtverbintenis tussen één man en één vrouw. In de praktijk van het oudtestamentische leven is de monogamie nog een zeer vloeiende zaak - hiervan zijn voorbeelden te over aan te wijzen - maar in later tijd niet meer, en ten tijde van de Here Jezus en de apostelen blijkt deze een fundamenteel en onaanvechtbaar onderdeel van de christelijke zede te zijn. Hetzelfde valt op te merken inzake de gelijkwaardigheid van man en vrouw - ook al hebben noch de Here Jezus noch Paulus ooit ingehaakt op de emancipatiebewegingen van hun tijd. Zo wordt in de heilsgeschiedenis het gebod als het ware op zijn voeten gezet. Om er achter te komen in hoeverre concrete geboden in de Schrift worden gemodifiëerd - gewijzigd - dan wel op hun voeten gezet hebben wij altijd het hele schriftgetuigenis nodig, omdat dit ons het verloop van de heilsgeschiedenis op een gezaghebbende wijze schetst. Het schriftgetuigenis biedt ons niet alleen de wet, maar toont ons ook de wijze waarop die wet wil gelden, en beide zijn gezaghebbend.
Gebod en voortgaande openbaring
Ook na de afsluiting van de canon blijft het gebod bestemd om zich concreet te verwerkelijken. De strekking van het gebod is immers wezenlijk voor dat gebod zelf: het gebod 'strekt' zich naar de toekomst Gods, en wil daarom 'werken'.
Daarom gebeuren er na Pinksteren juist ook niéuwe dingen waarin het gebod zijn kracht bewijst. Die dingen zijn dan voor ons nieuw, al zijn ze het voor de Schrift niet. Als het eenmaal gegeven gebod onder de leiding van de Geest in de geschiedenis verwerkt wordt, blijkt weer dat nieuwe schatten te voorschijn komen uit het oude Woord, en zo gaat dan de openbaring voort, ook op het gebied van de zede. De kerkgeschiedenis is als een lont die, door de Schrift aangestoken, een ontploffing te weeg brengt die soms pas eeuwen later geschieden kan. Nieuwe dingen uit het oude Woord: de slavernij wordt afgeschaft; de ogen worden geopend voor de sociale strekking van de oudtestamentische wetgeving - het jubeljaar - en van de Bergrede, en misschien vallen er zelfs wel lijnen te trekken vanuit de oudtestamentische opdracht het land op gezette tijden braak te laten liggen naar het streven naar ecologisch evenwicht van vandaag, of vanuit het oudtestamentisch vermaan dier en vee geen kwaad aan te doen of uit te buiten - zelfs het vee heeft recht op zijn rustdag! - naar de bio-industrie: zowel het land als de dieren hebben ook hun eigen waarde. Wie de Schrift ernstig wil nemen ter wille van de voortgang der openbaring zal het de héle Schrift moeten doen, en niet mogen afschaffen wat hem niet uitkomt.
Lering en profijt
Zo staan de in-dacht en de aan-dacht voortdurend op elkaar betrokken. In-dachtig laten wij de geboden der Schrift op ons aankomen. Aan-dachtig leven wij ons de vragen en noden van deze wereld in. De vrucht hiervan is de geloofskennis die in de gehoorzaamheid tot bloei komt. En zo gaat dan de openbaring voort doordat wij leren uit het Woord en van de wereld.
Niet ieder die zo handelt komt dan in het concrete handelen altijd bij dezelfde positiekeuze uit. Het brandpunt waar stralen van alle geboden in samenkomen is immers de liefde, en de liefde is niet een (onderdeel van de) wet, maar een houding. Alles wat met het geloven samenhangt ligt immers in de, eerste plaats in de sfeer van het zijn, en pas daarna in die van het doen. Het is niet voor niets dat ook het derde deel van de Heidelbergse Catechismus gelezen wil worden vanuit het eerste antwoord. Nooit is het christen-zijn tot een programma of een gevoelsmatige motivatie te herleiden, hoe programmatisch of emotioneel het soms ook bij de praktijk der gehoorzaamheid kan toegaan. De identiteit van de christen ligt in de eerste plaats, oncontroleerbaar voor de wereld, in de wijze waarop hij op God én wereld gespannen staat. In de daadwerkelijke gehoorzaamheid leeft de christen zijn hart uit, en gaat hij van de liefde die hij ontving en waarvan hij zelf leeft, naar de oefening van de liefde, waarbij zowel de geboden als de omstandigheden waaronder zij willen gelden, gewogen worden. Het doen bloeit op uit het horen, het gehoorzamen uit het zijn, nl. het kindschap Gods als een worider temidden van de wereld.
Zó leven is profijtelijk voor onszelf, opdat wij uit het gaan van de weg verzekerd worden van de goedheid van die weg, en dat met name dan, wanneer wij andere wegen gaan dan de wereld, vanwege de begrenzing die het gebod' aanbrengt. Hiermee sluiten wij dan aan bij Zondag 32 van de Heidelberger Catechismus: wij worden verzekerd van de goedheid Gods jegens ons uit de werken.
Zó leven is ook profijtelijk voor de Wereld, omdat wij aan de wereld de gehoorzaamheid - schuldig zijn, het leven uit hetgebod. Zolang de openbaring voortgaat gaat ook de zedelijke onderwijzing voort. ' Aan alles, hoe volkomen ook, heb ik een einde gezien, maar Uw gebod is onbegrensd'. (Psalm 119 : 96).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1981
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1981
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's