Globaal bekeken
In een huis-aan-huis blad van de gemeente Huizen stond één en ander over 'de ambtsketen van de burgemeester'. Het is niet 'zo maar een ketting'.
Wanneer de burgemeester bij bijzondere gelegenheden officieel als eerste burger optreedt, draagt hij altijd een ambtsketen met penning. Dit is officieel voorgeschreven sinds 16 november 1852, toen door Koning Willem III het Koninklijk Besluit werd getekend tot invoering van een onderscheidingsteken voor de burgemeesters van de Nederlandse gemeenten.
Koning Willem III deed dit in navolging van een al eeuwen bestaande traditie om eerste burgers in gemeenten eretekenen te laten dragen (denk aan de scepter van de koningen van Israël).
Meningsverschil
In het Koninklijk Besluit stond beschreven hoe zo'n ambtsketen met penning eruit moest zien. Het teken moest bestaan uit een zilveren penning, waarop aan de ene zijde het rijkswapen diende te staan en op de keerzijde het wapen van de betreffende gemeente.
Over de ambtsketen was in eerste instantie een meningsverschil tussen de Raad van State en minister Thorbecke. Het ging daarbij om de vraag of de penning aan een zilveren keten of aan een oranje lint moest hangen. De Raad van State vond dat een zilveren ketting voor sommige gemeenten te duur zou zijn. Uiteindelijk werd vastgelegd dat de gemeenten zelf mochten kiezen tussen een lint of een keten.
Sinds 1852 in Huizen
Vrijwel onmiddellijk na het ondertekenen van het Koninklijk Besluit ontstond een wedloop van zilversmeden en ontwerpers om de gemeenten van het nodige te voorzien. De Staatsraad van Noord-Holland (tegenwoordig de Commissaris der Koningin) deelde op 9 december 1852 mee, dat de penning bij hem besteld kon worden voor de prijs van ƒ 10, - . Als de gemeente geen eigen wapen had, werd de prijs ƒ 6, - . In Huizen werd door de raad op 7 december 1852 besloten tot aanschaf over te gaan, op kosten van de gemeente. In die tijd was de heer A. Rebel burgemeester, die op 13 mei van dat zelfde jaar tevens was benoemd tot burgemeester van Blaricum. (...) Op 23 januari 1853 kreeg Huizen zijn penning die vanaf 1 januari van dat jaar gedragen mocht worden. Kosten: ƒ 10, - die ten spoedigste betaald moesten worden. (...)
Lint of keten
Nu kwam de vraag waaraan de penning moest hangen: een keten of een lint Ketenen die in de handel waren, liepen sterk in prijs uiteen: van ƒ 6, 80 tot f 88, - . Zo kocht Leeuwarden een keten van f 44, - , maar Tietjerksteradeel vond een lint van f 0, 60 voldoende. Feit is, dat er bijzonder mooie en fijnzinnige kunststukken werden gemaakt van zilver of zelfs verguld. De ketens van Utrecht, Hoorn, Rotterdam en Haarlem zijn een goed voorbeeld, hoewel de keten van Vlieland de kroon spant. Dit heeft Vlieland te danken aan Prins Hendrik. Die vond dat de Waddeneilanden maar slecht bedeeld waren met een ambtsketen, zodat hij Vlieland een keten cadeau deed, gemaakt in 1908 door de fa. Begeer. (...)
Wanneer dragen
In het Koninklijk Besluit van 16 november 1852 werd precies voorgeschreven wanneer de burgemeester dit teken van waardigheid dient te dragen:
1. Wanneer hij de gemeenteraad voorzit.
2. In geval van brand, oproerige beweging, samenscholing of andere stoornissen der openbare orde, of als de burgemeester zich in het openbaar begeeft.
3. Wanneer hij in het openbaar bevelen geeft.
4. Bij plechtige gelegenheden waar hij namens de gemeente komt.
5. Bij eventuele andere gevallen als dit gewenst wordt geacht. (...)
***
In de oktober-Kontaktbrief van de Gereformeerde Zendings Bond staan in interview-vorm enkele impressies van ds. Th. Kobong en ds. J. Tandilolo, die op verzoek van de G.Z.B, en van het moderamen van de generale synode een bezoek hebben gebracht aan Nederland namens de Torajakerk. Uit dit interview geven we het volgende door:
Wat is uw indruk van het kerkelijk leven in 'het Westen?'
Bij de beantwoording gaat ds. Tandilolo er eens even voor zitten. Met zijn mooie donkere stem vertelt hij in het Indonesisch (vertaald door dr. v. d. End):
'Het is hier eigenlijk net als in Indonesië, namelijk ook hier is het tekort schieten. Het geloof funktioneert alleen binnen de eredienst en de gemeente. Maar de maatschappij dorst naar christelijke invloed. Het is onze gezamenlijke taak om de christelijke levensovertuiging aan de wereld door te geven. In Indonesië is de vraag vaak: Hoe moet dit vanuit een situatie met tekorten, in Nederland is het andersom: Hoe moet het vanuit de overvloed. Dat is niet zo eenvoudig. Als voorbeeld: Torajaland is een toeristengebied geworden. Voor een Toraja is iedere westerling een christen. Hij geraakt in gróte verwarring, want de blanke (dus christen) leeft als een niet-christen. Hoe is dat mogelijk? De 'uitstraling' is kennelijk onvoldoende. Zo is er meer. De stem van de christenen wordt te weinig gehoord via de kerken zelf. Het wordt daardoor onduidelijk van wie de ontwikkelingshulp komt, van de regering of van de kerken. Als de Nederlandse regering hulp geeft voor een islamitisch ziekenhuis in Jakarta dan is het begrijpelijk dat dit vragen geeft bij de Indonesische christenen'.
Welke indruk maakt het kerkelijk leven op u?
Hierbij is ds. Kobong aan zet. In goed nederlands tracht hij met begrip toch eerlijk zijn mening te formuleren. 'Ik meen een zekere krampachtigheid te bespeuren. Ook is er soms gebrek aan flexibiliteit. Dit kan de werfkracht beperken, waarbij we vooral aan de jeugd moeten denken. Ook wordt deze kramp teruggevonden in de houding ten opzichte van de wereld. Het gevaar voor introversie is aanwezig. Verwacht mag worden dat de kerk leeft in de wereld van God met een taak van God voor deze wereld. De ramen en de deuren van de kerk zitten te dicht, maar dit probleem kennen we in Indonesië ook. Als we ernst maken met de goede traditie, die niet minder inhoudt dan bewaring van het Woord, dan moeten we als kerk het risico durven lopen om deuren en ramen naar de wereld te openen'.
Is de werfkracht van de Torajakerk groter?
Opnieuw is het even nadenken. De gedachten worden kennelijk eerst geordend voordat ze geuit worden.
'Uit diverse gesprekken is ons gebleken dat men moeite heeft om de jeugd te binden. De mannenverenigingen krijgen bijvoorbeeld zeer weinig jonge leden.
Bij ons bestaat in sommige diensten de helft van de kerkgangers uit jongeren. In Ujung Pandang is dit zelfs meer. Dus de jeugd, die uit het achterland naar de grote stad gaat om te studeren, gaat ook in de stad naar de kerk. In Nederland verdwijnen ze vaak als ze naar de stad gaan. Bij ons in Indonesië is de vraag: Wat moeten we er mee aan, hoe houden we ze bezig? In Nederland is de vraag veel meer: Hoe houden we ze vast, of zelfs: Hoe krijgen we ze binnen? '. (...)
***
Een correctie, in het vorige 'Globaal Bekeken' namen we een stuk op, dat de heer M. Dankers schreef naar aanleiding van het overlijden van ds. J. van der Poel. Door foutieve plaatsing van het aanhalingsteken aan het slot en doordat het slotstuk niet cursief was gezet werd ten onrechte de suggestie gewekt dat ondergetekende het slotstuk zelf schreef. Maar ook dat was van de hand van de heer Dankers.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1981
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1981
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's