De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Zondag 10

De Vragen rondom de belijdenis aangaande Gods voorzienigheid zullen wel niet gemakkelijk tot rust komen. Telkens weer staan we voor verbijsterende raadsels, en stuiten we op lijden dat onverklaarbaar is. We denken zowel aan het geheel van de wereldgeschiedenis, als aan in het individuele leven. "Hoe hebben we het bijbelse spreken over de wil van God te verstaan? Wil God het kwaad? Of moeten we spreken van 'toelating'? Hoe dienen we het spreken over Gods almacht op te vatten? Kunnen we volstaan met 'weerloze overmacht' of doen we dan tekort aan de belijdenis dat de Here alle ding regeert?"
Wie zich verdiept in de dogmatische literatuur, ontdekt hoe diepingrijpend zulke vragen zijn. En dan dienen we te bedenken dat het niet gaat om studeerkamerkwesties, maar over pastorale vragen die diep insnijden in mensenlevens. Wat moet je als pastor zeggen in de confrontatie met het lijden, lijden waar we de zin niet van zien? Besterven ons dan niet de woorden op de lippen? In de bezinning op deze vragen komt dan ook nogal eens ter sprake de wijze waarop in de Heidelbergse Catechismus over de voorzienigheid gesproken wordt. Velen stoten zich aan de zinsnede, dat alle dingen, dus ook ziekte, ongeluk, ellende, armoede ons niet bij geval, maar van zijn vaderlijke hand ons toekomen. Kan men dat zomaar zeggen? , zo vraagt men. Legt men zo niet een te gemakkelijk verband tussen God en het lijden? Soms wijst men er dan op hoe in de Ned. Geloofsbelijdenis over de Godsregering en het kwaad gesproken wordt, waarbij deze Belijdenis volgens velen bijbelser tonen aanslaat dan Zondag 10. Persoonlijk ben ik van mening dat we Zondag 10 en art. 13 naast elkaar moeten lezen. Bepaalde formuleringen van de Heidelberger kunnen misverstand wekken. En we zullen in prediking en pastoraat duidelijk hebben te maken dat er een afgronddiep verschil is tussen een Stoïcijnse visie en een bijbels-reformatorisch denken. Toch vraag ik me af of veler kritiek op Zondag 10 recht doet aan verband en bedoeling van deze geloofsbelijdenis? Het zou de moeite waard zijn om Zondag 10 en art. 13 eens naast elkaar te leggen.

Nu is de kritiek op Zondag 10 er niet alleen van de zijde van dogmatici en pastores. Ook de literator Maarten 't Hart heeft zich in zijn boek Een vlucht regenwulpen en in andere publicaties zeer kritisch, voor sommiger gevoel zelfs schokkend over deze belijdenis uitgelaten. In een interview met Hans Werkman o.a. over Zondag 10 zegt Maarten 't Hart:

"Een roman is geen theologisch werk. Vanzelfsprekend had ik, om maar iets te noemen, Berkouwers boek 'De voorzienigheid Gods' in m'n roman kunnen verwerken, maar ik heb altijd een grote hekel gehad aan theologische scherpslijperij. (Wat te doen bijvoorbeeld met de hoofdstukken waarin het gaat over het verschil tussen de hand en de vinger Gods.) Waar het om gaat is: als een gelovige geconfronteerd wordt met iets verschrikkelijks (ziekte, lijden in concentratiekampen etc.) dan is toch altijd de eerste overweging: hoe kan een almachtig God zoiets toelaten, toestaan, dit aanzien zonder in te grijpen (vergelijk ook de discussies over dit probleem in 'De gebroeders Karamazov' en in 'La Peste' van Camus). In Zondag 10 wordt zonder blikken of blozen beleden dat alle geluk, maar ook alle ellende op de wereld ons van zijn vaderlijke hand toekomt. Misschien is dat niet een erg bijbels belijden, maar dat heb ik in mijn jeugd toch nooit iemand horen zeggen. Wat daar stond was waar, en daarover werd eens in de zoveel tijd gepreekt.

Aan elke meer verfijnde discussie over Gods almacht gaat toch altijd die heel eenvoudige, haast emotionele gedachte vooraf: hoe kan God alle ellende toestaan?

Over de rol van de duivel schrijf ik uiteraard niet. Ik kan me heel goed voorstellen dat iemand in God gelooft, maar niet dat iemand in zoiets absurds kan geloven als 'de duivel'."

Ik trof dit citaat aan in een artikel van prof. dr. J. Plomp in de rubriek Van Week tot week in het Geref. Weekblad van 23 oktober.

Getroost leven

Ons interesseert hier het commentaar van Plomp. Hij wijst erop dat gezien de demonieën die we beleven in de geschiedenis het toch bepaald niet absurd is het bestaan van de duivel aan te nemen. Is juist op dit punt het bijbels getuigenis niet erg aktueel? Ingaand op wat Maarten 't Hart schrijft over Zondag 10 zegt Plomp dat hij de auteur weinig origineel acht in zijn kritiek, en dat hij het met die kritiek in toenemende mate moeilijk krijgt.

"Als Maarten 't Hart zegt: de eerste overweging van een gelovige, als hij met afschuwelijk lijden geconfronteerd wordt, is toch: hoe kan God dit toelaten? , ben ik dat helemaal met hem eens. Maar die overweging wordt in Zondag 10 ook helemaal niet verboden of gehekeld.

In Zondag 10 is iets anders aan de hand. Daar vertelt een gelovige hoe hij het leven beleeft, het leven met zijn ups en zijn downs. Niet als een noodlot, niet als een keten van toevalligheden. Hij weet op de een of andere wijze God daarin aanwezig. Ik ken mensen die op de rand van het leven hebben gebalanceerd, wie nauwelijks nog iets gelaten was, geen mens, geen Bijbel, geen woord, alleen hun geheugen, de herinnering aan een psalmregel of aan... Zondag 10, vroeger uit het hoofd geleerd, en die daardoor zeer getroost werden. In hun situatie hebben zij ook het verschil ervaren tussen de vinger van God die zij niet zagen - hoe duister èn chaotisch was het in en om hem - én de handen van God die zij om en onder zich wisten, beschermend, bewarend. Maar dit is toch niet alleen de geloofservaring van christenen in extreme situaties? Ik neem aan: niet alleen de aanvechting is algemeen-christelijk, maar toch ook het getroost zijn daarin.

Er zal theologisch best het een en ander aan Zondag 10 mankeren. Maar vermoedelijk minder dan meestal beweerd wordt. ds. M. P. van Dijk schreef in zijn vorig jaar verschenen commentaar op de catechismus: wij moeten niet vergeten dat in Zondag 10 gesproken wordt over wat de oude geloofsleer noemde de 'providentia specialissima', de 'allerbijzonderste' voorzienigheid. Dat wil dit zeggen:

"Het kind van God dat gelooft, beleeft en ervaart Gods vaderlijke leiding zo in zijn leven. Het gaat niet over Auschwitz tenzij iemand die gelooft in Auschwitz de verschrikkingen ondergaat. Het gaat hier niet om armoede zonder meer, het gaat er om hoe een arme, die tevens arm van geest is, zijn armoede beleeft."

Ik kan mij hierin goed vinden. Wie hier niet op let en meent dat in Zondag 10 de leer van de zgn. algemene voorzienigheid verkondigd wordt (of een soort objectieve theorie van Gods wereldbestuur), raakt hopeloos in de war. Die moet haast wel in Zondag 10 lezen dat al de daar vermelde ellende plus al die andere die daar niet genoemd wordt: oorlog, terreur, uitbuiting en wat niet al, door God gewild is. Maar dat staat er niet. Het is ook niet waar (Vgl. M. P. van Dijk, Onze enige troost en het komende Rijk. 59v.).

Wat is dan wel waar? Thielicke schrijft in het boek waaruit ik al eerder citeerde: het is waar dat boven de wereld de regenboog staat, als teken dat God de wereld nooit meer door een grote vloed zal verdrinken, maar geduld met haar wil hebben. Maar het is óók waar dat daaronder ook nog de andere boog van de vloek over de wereld hangt, als 'een manend Kaïnsteken aan het voorhoofd van onze moordzieke wereld'.

Vandaar (aldus Thielicke) dat wij niet eenvoudig moeten zeggen: God stuurt de dood. God stuurt de kanker. God stuurt multiple sklerose. Het gaat ten diepste tegen het scheppingsplan van God in, dat deze machten er mogen zijn. Hij laat het toe en Hij doet dit volgens zijn hogere gedachten.

Maar tegelijk geldt iets anders, iets 'dat geen mens uit zichzelf kan zeggen'. En dat is dit:

Alles wat Hij zo toelaat van de duistere machten, moet eerst langs Hem heen en wordt door zijn vaderlijke blik gekeurd en beoordeeld, of het wel voor ons deugt, en of het voor hen die Hem liefhebben werkelijk ten beste dienen kan. Alles moet langs Hem heen, elke bom die mij misschien treft, elke granaatsplinter die het liefste van mijn zijde rukt, elke kuiperij of tegenwerking die ik van mensen ondervind... alles moet langs Hem heen.

Misschien vindt iemand dit indrukwekkend gezegd. Maar ook dit is gestamel, aanvechtbaar, net als Zondag 10. Maar het christelijk geloof heeft voor zulk gestamel een antenne. Het doet ons zeker weten en vast vertrouwen: wij vallen niet in de afgrond, wij zijn in Gods hand.

Tenslotte: laten wij van die hand van God niet te klein denken. Berkhof schrijft in zijn Christelijk Geloof (228): 'Elke dag dat het leven weer doorgaat, is voor de gelovige een teken dat God er nog wat in ziet en er nog wat mee voorheeft. Wij noemden dit 'onderhouding'. We zien nu, 'dat dit woord een veel te vriendelijk en statisch beeld oproept, als van een rentenier die zijn tuin onderhoudt. Maar wij kunnen het woord ook anders horen: deze mensenwereld heeft de tendens te desintegreren, zichzelf te vernietigen, ten val te komen. Maar God stuit haar val. Hij houdt er zijn hand onder. Zo onderhoudt Hij haar."

Willen we in ons spreken over Gods voorzienigheid niet het bijbelse spoor bijster raken dan zullen we Zondag 10 bij het hart van het Evangelie moeten houden. De vaderlijke hand is de hand van Hem Die zijn eigen Zoon niet gespaard heeft maar Hem voor ons heeft overgegeven. Hoe zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken? In het hart van deze belijdenis staat het Kruis.

***

Schrift en ervaring

Rondom de 31 e oktober wordt - gelukkig - in de bladen nogal wat aandacht geschonken aan de betekenis van de Kerkhervorming en de aktualiteit van het gebeuren van toen voor vandaag. Een van de zaken die dan aan bod komen is de belijdenis 'De Schrift alleen'. De Reformatie is een beweging geweest van het Woord dat door de kluisters van verstarring heenbrak en daarna een strijd om het Woord tegen menselijke en kerkelijke tradities in. De Schrift alleen... zo werd het beleden tegen het Rooms-katholieke 'én-en' van Schrift en traditie als twee bronnen. Is dit alles nog aktueel? Prof. dr. W. v. 't Spijker schrijft hierover in De Wekker van 30 oktober.:

"De grote vraag, waarvoor wij ons vandaag in kerk en theologie geplaatst zien, is, of wij dit karakter van het unieke openbaringsspreken van God in en door zijn Woord nog verstaan. Heerst het Woord alleen in de kerken?

Komt het in zijn geheel unieke betekenis tot uitdrukking in de hedendaagse gereformeerde theologie? Wie de vraag stelt, weet het antwoord. Op vele manieren komt vandaag het probleem van Schrift en ervaring aan de orde. Het gehele leefklimaat van onze moderne tijd is doortrokken van de vraag van de ervaring. Tegenover de theologie van het Woord staat die van de menselijke ondervinding. Tegenover de openbaring staat de menselijke inbreng aan waarheidsverstaan en waarheidsbeleving, waardoor op een manier, die waarschijnlijk nog niet eerder in de geschiedenis is vertoond, afbreuk wordt gedaan aan het Sola Scriptura. Wij brengen in ons verstaan van de Schrift onze eigen zaken mee. En wij weigeren over de hele linie om aan het Woord alleen ons gewonnen te geven.

Is het dan zo moeilijk, om te leren, wat het zeggen wil: Heer, ai maak mij uwe wegen door uw Woord en Geest bekend? Heeft men door de nadruk op de Geest niet reeds een deur geopend, waardoor op religieuze manier tekort wordt gedaan aan het geheel unieke karakter van Gods Woord?

De moderne theologie suggereert dit onlangs de weg van de nivellering van het openbaringsbegrip: Gods openbaring is overal. Zijn stem wordt overal vernomen, tot in het getuigenis van de grote wereldgodsdiensten toe.

De moderne charismatische beweging verwijt aan de Reformatie een tekort aan spreken over de Geest. Zij wil dit tekort opheffen door een intensieve aandacht voor de verschijnselen van de Geest.

Maar wanneer de Reformatie sprak over Woord en Geest, was daarmee niets anders bedoeld, dan dat het de Geest is, die ons het unieke karakter van het Woord doet verstaan. De Geest doet aan de kracht van het Woord niets af en niets toe. Niemand heeft een zo grote eerbied voor zijn eigen werk als de Geest, die het Woord heeft gegeven. Hij schrijft het in de harten, levend en krachtig. Het Sola Scriptura is een zaak van Woord én Geest.

Daarom komt het Woord, komt de Schrift tot zijn recht, wanneer de Geest getuigt. Zo wordt het geestelijk verstaan van de Schrift geboren. Het is ingebed in het leven der genade. In het leven van het geloof. Zo leert Gods kind verstaan, dat alles mag wijken en wankelen, maar dat het Woord blijft tot in eeuwigheid. Dit geldt in de meest brede zin van het woord. Hoeveel theologieën heeft de Schrift niet zegevierend overleefd?

Luther sprak in dit verband over de Oneindigheid van de Schrift. Maar het geldt in de meest volstrekte zin ook voor het persoonlijke leven. Uw beloften maken mij levend! Wanneer inderdaad alles wijkt, wanneer onze eigen kleine wereld op instorten staat, wanneer in de aanvechting alle fundamenten wankelen en menselijke woorden niet meer toereikend zijn blijft het Woord Gods. Het blijft tot in eeuwigheid. Het zal geen duimbreed wijken. Ten dage dat ik zal vrezen, zal ik vertrouwen!

Sola Scriptura! Ik roem in God, ik prijs 't onfeilbaar Woord!"

Stellig zijn traditie, ervaring en charisma belangrijke zaken. Maar we zullen ook in deze tijd op onze hoede moeten zijn voor die nevenschikking die er toe leidt dat menselijke gedachtenspinsels gaan heersen over de Schrift. Wij zien het in allerlei eigentijdse vormen van bijbeluitleg. Menselijke gevoelens, economische bindingen, materiële vooronderstellingen worden dan bepalend voor de Schriftuitleg. Op die manier wordt de Schrift opnieuw aan banden gelegd. Een protestants modernisme en een rooms-katholieke openbaringsleer reiken elkaar maar al te vaak de hand. Er blijft reden te over de wacht te betrekken bij het reformatorisch belijden inzake de Schrift. Niet in een hoogmoedige houding als zouden we de Schrift moeten verdedigen. Want het Woord is niet geboeid. Het zet zich door, bevrijdend en overmachtig. Maar het ontslaat ons niet van waakzaamheid. Vanuit het bevrijdende weten van het Lutherlied: Gods heilig Woord alleen houdt stand. Gods waarheid zal ons staven'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1981

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1981

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's