In het geloof gestorven
Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien en geloofd en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. Hebr. 11 : 13
Aanstaande zondag is het weer de laatste zondag van het kerkelijk jaar, dat is de laatste zondag vóór Advent. Van oudsher is het dan gewoonte, dat dan in de prediking stil gestaan wordt bij de overleden gelovigen, zij, die in de Heere mochten ontslapen. Zij zijn ons vóórgegaan naar het land van de eeuwige rust. Zij zijn van alle smart en smaad ontheven. Zij hebben het strijdperk van het aardse leven mogen verlaten en zijn aangeland daar, waar geen inwoner meer zal zeggen: ik ben ziek, of: ik ben eenzaam en ellendig. Zij zijn bij Jezus. En dat is het hoogste geluk. Vandaar. Vandaar, dat de apostel Paulus zei: ik wenste wel ontbonden en met Christus te zijn, want dit is zéér verre het beste. (Filip 1 : 23). Hier is zoveel verdriet, zoveel strijd en moeite, hier zijn zoveel tranen. Hier dragen wij het lichaam der zonde om, hier zijn wij in het gebied van de vorst der duisternis. Zeker, deze wereld is Gods schepping, maar door de zonde is zij het domein van satan geworden. Er is niets in de schepping onaangetast gebleven. Daarom gaat God een nieuwe wereld scheppen, niet in dit tijdperk, maar in het toekomende. De gelovigen aller eeuwen zijn naar die nieuwe toekomst op reis. Zij hebben die niet beleefd, maar wel in het geloof vanuit de verte aanschouwd. En zij hebben er naar verlangd. Zó zijn zij gestorven, maar... in het gelóóf! Zij hebben het hoofd neergelegd op Zijn beloften. Alleen die beloften hebben hun leven in evenwicht gehouden. Zij hebben hun de pelgrimsstaf in de hand gegeven om steeds voort te gaan, op reis naar de Godsstad.
Deze allen! Dit zal slaan op de aartsvaders: Abraham, Izak en Jacob. Rijke beloften mochten zij van God ontvangen, beloften omtrent hemelse goederen, maar zij hebben de vervulling daarvan niet aan déze zijde van het graf gezien. Ik denk in de eerste plaats aan Abraham. Op Gods bevel moet hij zich losmaken van zijn stamverband en moet hij alles in de steek laten. En hij moet gaan die vreemde, onbegrijpelijke, moeilijke weg. In Mesopotamië wist hij wat hij bezat, maar nu moet hij maar afwachten wat hij krijgt. En toch gehoorzaamt hij aan Gods bevel, want... hij gelooft Zijn Woord. Abraham toog héén, gelijk de Heere tot hem gesproken had. De Heere heeft gesproken, dat is voor de gelovige het eind van alle tegenspraak. Wat is geloven anders dan gehoorzamen en telkens opnieuw gehoorzamen? Er bestaat van Abrahams uittocht een plaat. Wat ons daarbij opvalt is de blik van z'n ogen. 't Is alsof hij wil zeggen: Ik zie iets in de verte en alsof hij vraagt: Ziet u het ook? Ik hoor een stem. Hoort u die óók?
Die stem klinkt ook tot ons: Maak u op, o, mens, want ge moet uw vaderland verlaten. Wij hebben hier geen blijvende stad, wij moeten hier vandaan. Wie wordt er onrustig onder? Wie het echt hoort, ja, die wordt onrustig, als een vogel voor de trek. Is het u wel eens opgevallen hoe onrustig de vogels zijn in de herfst? Vlak voordat zij gaan vertrekken? Zij storen zich er niet aan al is het weer nog zo mooi en al staat de zon hoog aan de hemel. Tijd is tijd! Ook voor ons staat de grote trek voor de deur. Beseffen we het? Voor de gelovigen betekent dit: de trek naar Gods wijde verte. Het geloof is visionnair. Niets geeft ruimer blik, niets ziet zo vér als het geloof. Wat een horizon! Wat een perspectieven! De aartsvaders hebben ervaren wat de beloften inhielden, ze hebben ze van verre gezien en... omhelsd. Met de verre-kijker van het geloof hebben zij heerlijke dingen aanschouwd. Daarom hielden zij het doel van de reis goed in het oog. En zij roepen het ook de gelovigen in 1981 toe: Komt, reisgenoten, 't hoofd omhoog!
Juist omdat het zwaartepunt van hun leven niet op déze aarde was, werden de dingen der wereld zo klein, zo betrekkelijk in hun ogen. Daardoor beleden zij, dat zij gasten en vreemdelingen op aarde waren. Déze aarde bood niet hun eigenlijke woonplaats. Elders was hun vaderland. Naarmate de beloofde Zaligmaker en de hemel trokken, verbleekten de dingen, die van beneden zijn.
Wie iets van de heerlijkheid van Christus (in het geloof) aanschouwd heeft, zegt: al wat aan Hem is is gans begeerlijk. Dan zijn we helemaal niet zo teleurgesteld als de aarde ons zo weinig biedt. Wij weten immers, dat zij ons echt niet zoveel te bieden hééft? ! Wij zijn gezegend als een ander vaderland aan de horizont ons begroet, als we vanuit de verte de Godsstad aanschouwen:
Jeruzalem, gij stad in 't eeuwig licht waarheen ik thans met al Gods kinderen wandel gij staat voor mij in 't lief lijk vér gezicht
En vandaar het gast-en vreemdelinge zijn hier op aarde. Wie in het geloof op Jezus ziet, laat zich door de uiterlijke omstandigheden, dóór voor-en tegenspoed niet uit de koers drijven. Dat is genade van de Heilige Geest, Die er op uit is Christus te verheerlijken. En Hij sprak: waar uw schat is, daar zal uw hart zijn. Zijn rijk is niet van deze wereld. Gods beloften kunnen op deze aarde nooit vervuld worden. Daar is de eeuwigheid voor nodig. Daarom zijn wij op aarde pelgrim en blijven wij op aarde pelgrim. Wij weigeren het een of andere land voor een gevonden vaderland aan te zien. Het is inderdaad: door genade een pelgrim hier beneden, door genade een burger hier boven.
Het is dus zo, dat een pelgrim weet waarheen hij op weg is. Hij zwalkt niet doelloos rond. De aartsvaders wisten van het rijk van God, waarvan Jezus Koning is. In de wetenschap deelgenoot van dat rijk te worden, zijn zij gestorven. Sterven is het allereenzaamste wat een mens op de wereld te doen kan krijgen. Dan laten wij niet alles, maar allen achter ons. Wij nemen slechts één ding mee: onze verantwoordelijkheid. Daarmee treden wij voor God. Maar, wie in het geloof sterft, mag weten: een Ander staat voor mij in, Jezus Christus, mijn getrouwe Borg en Middelaar. Dan is
niet genezen. Daarom blijft er niets anders over dan dat ik geloof dat God met mijn bestaan het een of ander voor heeft.
Er zijn ook dingen die me vreugde en hoop geven. Ik ben dankbaar dat ik mooie dingen kan zien en horen en dat ik voedsel kan proeven en in me opnemen. Mijn familie en vrienden verschaffen me ook vreugde, met name de liefde en de hulp die ik van mijn broers en zuster en van mijn vader en moeder ontvang. Mijn lieve moeder besteedt er bijna al haar tijd aan om voor me te zorgen, en zij klaagt daar nooit over. Ze houdt gewoon van me en probeert het allemaal zo aangenaam mogelijk voor me te maken. Er is ook nog iets anders dat me helpt. Dat is dat ik van Jezus weet. Ik geloof dat hij weet wat lijden is zonder dat je weet of je er nog eens van af zult komen. Ik geloof ook dat hij van me weet en dat het hem ter harte gaat dat ik ben zoals ik ben, en dat ik eens bij hem zal zijn, en verlost van mijn arme lichaam. Zo geeft hij wat zin aan mijn moeilijke leven zoals ik dat nu leid, en wat hoop voor de toekomst, als de tranen zijn afgewist.
Samen één gemeente
De grote opstellen staan in dit boek in drie groepen. De eerste twee artikelen geven de theologische fundering van de integratie tussen gehandicapten en niet gehandicapten in de - gemeente. Het tweede deel van dit boek zoekt naar praktische maatregelen om die integratie te doen plaats vinden. Het laatste deel vertelt over de huidige situatie, bijvoorbeeld in de DDR. in Kenia en in de USA. Al die tien, artikelen te bespreken is ondoenlijk. Bij sommige voel je tussen jezelf en de auteur een enorm verschil in Schriftgebruik en een duidelijk andere beleving van het geloof. Dat geeft wel een afstand, maar dat wil niet zeggen dat er van die ander niet veel te leren valt.
Het hoofdstuk geschreven door Leslie Newbigin. ccn Engelsman, 'Zonder de gehandicapten geen eenheid' is voor mijn gevoel het meest fundamentele uit deze bundel. De Duitser Ulrich Bach schrijft over 'Ruimte waarin wij allen vrij kunnen zijn'. Beide theologen laten uit Oud-en Nieuw Testament zien dat een gemeente en een prediking waarin geen volwaardige plaats voor de gehandicapte is, geen gemeente en geen prediking van Christus zijn kan.
Als een opwekking om dit boek zelf (zij het kritisch) te lezen, laat ik hier het slot van Newbigins artikel volgen:
'In een groot flatgebouw met veel verdiepingen in een arm gedeelte van Londen woont een man die ongeneeslijk verminkt is. Zoals in de meeste huurkazernes is het leven van de mens er ontmenselijkt. Buren komen er weinig toe elkaar eens op te zoeken, kinderen hebben weinig gelegenheid om met elkaar te spelen. Echte menselijke gemeenschap is er moeilijk te vindert. Maar in dit gebouw is het toch anders. De verminkte man - hij kan zijn flat niet uit - houdt zijn deur altijd open. Kinderen en hun ouders lopen er op elk uur van de dag in en uit om met hem te praten en hem hun moeilijkheden te vertellen. Hij is in zijn menselijkheid het hart geworden van een lichaam dat anders een wanhopig tekort aan liefde zou vertonen. Zijn ziekte betekent voor die gemeenschap gezondheid. De hopeloos gehandicapte man is een middel waardoor eenheid en integriteit bevorderd wordt voor mensen die anders vast zouden lopen in een structuur waarin de mens hoe langer hoe minder echt mens kan zijn. Vermoedelijk kan iedere lezer zich wel vergelijkbare voorbeelden te binnen brengen van een pastoraat dat de zwakken aan de sterken bedienen. Het is de waanvoorstelling van de sterken, de gezonden, van hen wie het aan niets ontbreekt, dat zij denken dat ze in het middelpunt staan en dat de gehandicapten aan de rand zitten. De kerk moet van die waanvoorstelling bevrijd worden doordat het kruis in het middelpunt van het kerkelijk leven staat. Hij die aan dat kruis geleden heeft, moet centraal staan. Als de kerk er niet voor zorgt dat de gehandicapten een plaats krijgen en houden daar waar het hart van het leven van de kerk klopt, dan ontkent en onteert zij Hem die regeert vanaf het kruis en die anderen redde, maar die zichzelf niet wilde redden.’
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's