Uit de pers
Van welke aard is en welk gezag heeft het spreken van de kerk inzake samenlevingsvraagstukken en politieke kwesties?
Drie normen
Van welke aard is en welk gezag heeft het spreken van de kerk inzake samenlevingsvraagstukken en politieke kwesties? Dat is binnen de reformatorische kerken altijd een veelbediscussieerd probleem. Enerzijds willen we niet de kant op van een verkerkelijking van het leven, anderzijds blijkt het Evangelie ook politieke en maatschappelijke consequenties te hebben. Hoe liggen hier de verhoudingen? Hoe voorkomen we dat de kerk verwordt tot een politieke aktiegroep en het Evangelie vervormt tot een politieke ideologie? De laatste twee genoemde zaken kornen nogal eens om de hoek kijken. Ik denk aan discussies rondom de vredesvraagstukken, aan allerlei maatschappijkritische stromingen. Van die zijde hoort men vaak het verwijt dat niet-spreken ook spreken en kiezen is, nl. voor de bestaande orde, die men bestempelt als wanorde. Destijds waarschuwde met name Van Niftrik er voor om politieke stellingnamen niet te vereenzelvigen met het Evangelie. Veel invloed heeft in hervormde kring gehad de theocratische visie van Hoedemaker, Haitjema en Van Ruler. Ik heb het gevoel dat die invloed tanende is. Toch zou juist in de belijdenis dat aan Christus alle macht gegeven is in hemel en op aarde en dat kerk en overheid twee brandpunten zijn binnen de ene ellips wel eens een vruchtbaar uitgangspunt kunnen zijn. Nu heeft onlangs ook de Geref. Kerk zich uitgesproken over deze kwestie. Ook daar is veel in beweging. De scheiding tussen de kerk als instituut en de kerk als organisme wordt lang niet meer door iedereen gedeeld. Christelijke organisaties zijn ook binnen de kring van deze kerken nogal eens omstreden. En rondom het IKV is de relatie ook niet eenduidig.
Ter synode is gezegd dat de kerk geroepen is Gods beloften en geboden zo concreet mogelijk bekend te maken als zich kritieke ontwikkelingen in de samenleving voltrekken. Maar kerkelijke vergaderingen moeten rekenen met het volgende. En dan volgen drie normen:
A. het getuigenis van het Evangelie aangaande het vraagstuk waarover een uitspraak wordt overwogen, heeft volk en overheid niet bereikt of niet kunnen bereiken langs de weg van het getuigenis van christenen, werkzaam op de verschillende terreinen van het leven, dan wel hun getuigenis wordt zo weinig ernstig genomen of klinkt zo zwak door, dat ondersteuning daarvan door de kerkelijke vergadering geboden is;
B. datgene wat de kerkelijke vergadering wil uitspreken dient uiterlijk evangelisch te zijn, zodat het ook kan worden beschouwd als vertolking van het gevoelen van de gemeente;
C. de kerkelijke vergadering zal zich bij het doen van uitspraken niet begeven op specialistische terreinen-van welke aard ook, die zij niet kan overzien en waarover zij dus geen oordeel kan hebben.
Wat in deze normen is verwoord, is ook al eerder op vorige synodebijeenkomsten verwoord.
Met welk gezag?
Nu wijst prof. dr. J. Plomp er in het Geref. Weekblad van 13 november op dat op de achtergrond van het deputatenrapport en de uit spraken de vraag ligt: Met welk gezag spreekt de kerk in samenlevingsvragen. Dus ter discussie is niet, of de kerk moet spreken, maar of dergelijke uitspraken bindend zijn.
"Op de vorige synode was de vraag aan de orde gekomen: wanneer nu een synode uitspraken doet over maatschappelijke vraagstukken, welk gezag moet dan aan die uitspraken worden toegekend? De suggestie was gedaan er dan niet dat bindend karakter aan te verlenen dat volgens de kerkorde (artikel 31) de besluiten van de kerkelijke vergaderingen altijd hebben. Men voelt de gedachte hierachter: de synode zou zich dan wat vaker kunnen uitspreken en ook wat meer kunnen zeggen. Het zou echter tegelijk betekenen dat er voortaan door de synode twee soorten besluiten zouden worden genomen: besluiten met en besluiten zonder bindend karakter.
Deputaten hebben de synode geadviseerd die weg niet op te gaan. Het bindend karakter van de besluiten van de kerkelijke vergaderingen is zó typerend voor de gereformeerde kerkinrichting dat dit op straffe van grondige aantasting daarvan niet kan worden prijsgegeven. Dat wil niet zeggen dat synodale besluiten niet voor verandering vatbaar zouden moeten zijn, integendeel. Men kan er tegen in appèl gaan (wanneer het besluiten van mindere vergaderingen betreft, art. 31), men kan er revisie van aanvragen (art. 32) en zowel het appèl als het verzoek om revisie kunnen leiden tot wijziging van het besluit. Maar dat bevestigt juist het bindend karakter ervan. Want als de besluiten dat karakter niet hadden hoefde men er niet tegen in appèl te gaan of revisie ervan aan te vragen, als men er zich niet in kon vinden. Men zou ze dan populair gezegd rustig aan zijn laars kunnen lappen. Er is wel een kerktype waarin zulk soort vrijblijvende besluiten, voorkomen, ja zelfs regel zijn, het congregationalistische. Daarin is het mogelijk dat een gemeente kennis neemt van wat in de gemeenschappelijke vergadering van de gemeenten besloten is om het vervolgens naast zich neer te leggen en haar eigen gang te gaan. Maar dat is wel het tegendeel van gereformeerd! En van het omgekeerde-bepaalde uitspraken, b.v. over maatschappelijke vragen vrijwaren voor pogingen ze veranderd te krijgen - geldt dat nog veel meer; dat past helemaal niet in een reformatorische kerk. Vandaar dat de deputaten de synode aanbevelen: 'synode, bevestig dat ook besluiten van de kerkelijke vergaderingen betreffende maatschappelijke vraagstukken een bindend karakter hebben. De synode deed dit in de volgende bewoordingen: 'Besluiten of uitspraken van de kerkelijke vergaderingen betreffende maatschappelijke vraagstukken zijn niet uitgezonderd van het in de artikelen 31 en 32 van de kerkorde bepaalde betreffende besluiten en uitspraken van de kerkelijke vergaderingen in het algemeen. Dit houdt o.a: in dat ook deze een bindend karakter dragen en vatbaar zijn voor wijziging.’
Maar, zo zou ik nu willen vervolgen, dan moeten die besluiten er ook maar zijn! Het laat zich denken dat men de synode zou willen bewegen tot een uitspraak over een onderwerp dat ligt op een terrein waaromtrent deze niet beschikt over de deskundigheid, nodig om er een zinnig woord over te zeggen en waarover ze ook vanuit het evangelie niets zeggen kan. Zou de synode zich dan toch tot het doen van een uitspraak laten verleiden, dan wordt het wel erg moeilijk, ja in feite onmogelijk het bindend karakter van zó'n uitspraak te erkennen. Maar een synode moet zulke uitspraken ook niet doen! Dat is het wat de huidige synode vorige week met zoveel woorden heeft gezegd. Ze herhaalde ter voorkoming van alle misverstand de uitspraak van 1971: de kerk is soms geroepen uit alle macht te spreken."
Maar, zo vervolgt Plomp, ze kan alleen spreken als aan bepaalde normen voldaan is en als er bepaalde dingen geconstateerd zijn. U begrijpt nu de achtergrond van de drie genoemde normen. Op genoemde synodevergadering is ook geprobeerd te omschrijven wat men verstaat onder 'kerkelijke zaken'. O.m. is gezegd dat daar ook onder vallen, zaken die het leven van de gemeente beïnvloeden, en waaromtrent de kerk als verkondigster van het Evangelie niet mag nalaten Gods eisen en beloften bekend te maken. B.v. ethische vragen. De vraag rijst wel of in onze tijd met z'n ook binnen de kerken zo verschillende opvattingen de aangenomen kriteria en normen ook duidelijk zijn. Wat is 'duidelijk evangelisch'? Wie bepaalt of iets specialistisch is? Hoe ligt het met de relatie tot de belijdenis van de kerk? Plomp waarschuwt voor het gevaar dat de kerk zich als machtsfactor laat gebruiken door politieke pressiegroepen of maatschappelijke aktiegroepen. Het is uit zijn betoog duidelijk dat Plomp zeer behoedzaam wil optreden. Hij wijst op de noodzaak tot spreken waar het de Jodenvervolging betrof en waar het nu Zuid-Afrika betreft. Maar, zo zegt hij: Het water moet wel haast over de lippen gekomen zijn, wil de kerk zich in de praktische politiek begeven. Het zou interessant zijn deze beschouwingen eens te vergelijken met wat er b.v. in de kringen van de ROS over deze materie gezegd wordt. Ik denk dat het niet zo eenvoudig zal zijn hierin samen op weg te gaan.
Misplaatste zuinigheid?
Ook van geref. zijde zelf is kritiek op de synodale beslissingen. Hervormd Nederland van 14 november laat hierover dr. O. Jager aan het woord. Hij schrijft:
"Door het politieke spreken van de kerk te binden aan drie regels heeft de synode van de gereformeerde kerken meteen zelf die drie regels overtreden. Dat wil zeggen: wat zij zou willen, kan helemaal niet. Zij wil zuinig zijn met politieke uitspraken. Maar juist door dat vast te leggen, deed zij een uitspraak vanuit politieke vooronderstellingen, met een politieke strekking en politieke effecten. Ook in de toekomst zal haar zwijgen politiek veelzeggend zijn. Zij wil zich niet begeven op specialistische terreinen. Maar daarmee verklaart zij deskundig genoeg te zijn om te beslissen, wanneer een zaak aan deskundigen kan worden overgelaten.
Zij wil alleen uitspreken wat het gevoelen van de gelovige gemeente vertolkt. Maar zelfs deze uitspraak wordt al niet eens door heel de gemeente (en door heel de synode) onderschreven. 'Het' gevoelen van 'de' gelovigen bestaat niet meer. Binnen 'de' gemeente helpt de één de mensen aan de macht, waarvan de ander het slachtoffer wordt. Elke kwestie die een kerkelijke uitspraak nodig maakt, is een controversiële kwestie. De synode kan bevreesd zijn voor polarisatie, maar er bedreigt ons nu nog maar één gevaarlijk schisma: de scheiding die plaatsheeft, zolang rijke kerken weigeren te luisteren naar de profetie van het gemeenschappelijk ontwaken van de arme kerken.
De synode acht ondersteuning door de kerk alleen dan geboden, als het getuigenis van individuele christenen niet of te zwak klinkt. Blijkbaar vindt zij ondersteuning overbodig als het getuigenis van individuele christenen door dat van andere individuele christenen weersproken wordt. En dat is precies de situade waarin wij nu verkeren: individuele christenen spreken elkaar tegen, zodat voor de wereld verborgen blijft, waar de stem van de kerk te horen is.
Ook als de synode de politieke effecten van haar uitspraak zelf niet bedoelt, kon zij deze wel verwachten: 'rechts' en 'midden' zijn dankbaar (nu zal de kerk de deskundigen en politici niet voor de voeten lopen), 'links' voelt zich in een nieuwe machteloosheid teruggeworpen (nu hoeven veranderingsgezinden niet te rekenen op een kerkelijke steun in de rug). Een synode die rekening houdt met de vraag, hoe haar uitspraken overkomen, kan weten dat zij op deze manier de indruk wekt, dat zij de belangen behartigt van de verdedigers van bestaande toestanden en dat zij de strijders voor vernieuwing de pastoraal-noodzakelijke bemoediging onthoudt.
Zij kan zo'n reactie wel als een misverstand afdoen, maar omdat zij wist dat het misverstand onvermijdelijk was, had zij het bij voorbaat moeten uitsluiten door éérst een inhoudelijke politieke uitspraak te doen en daarna de formele kwestie van de grenzen van zulke uitspraken af te doen als een voetnoot bij haar materiële boodschap. Doordat zij de formele zaak losmaakte van het politieke spreken zelf, kon de bedoeling (de zorg voor de kwaliteit van dat spreken) niet overkomen. Wat voetnoot moest zijn, werd krantekop. De synode had éérst moeten uitspreken: zolang volk en regering uitgaan van verkeerde prioriteiten (nationale veiligheid, stabiliteit bezit, succes, aanpassing in plaats van verzet) moet de kerk pionierswerk verrichten voor alle maatschappelijke veranderingen die politiek nog niet rijp zijn.
Nadat zij concreet tot de grondige ommekeer van prioriteiten had opgeroepen, had zij daar (voor geen misverstand vatbaar) aan kunnen toevoegen: voorlopig laten we het hierbij, we hebben hier onze handen vol aan, we zullen geen gewoonte maken van het opwekken tot een omwenteling, want dan wordt er niet meer geluisterd - en het is ons er toch om te doen dat wij gehoor (en gehoorzaamheid) vinden...
De kerk moet niet waarschuwen tegen de gevaren van het spreken, voordat zij gesproken heeft. Dat is zoiets als opwekken tot een contra-reformatie, nog voordat de reformatie zelfs maar begonnen is."
Het is zoals van Jager te verwachten is een scherpzinnig geschreven stuk. Toch denk ik dat hier vereenzelviging dreigt met een bepaald politiek spreken als een spreken dat de kerk eigenlijk zou moeten laten horen. Het is duidelijk waar Jagers keuzen liggen. Het illustreert tegelijk de verlegenheid waarin men komt te verkeren als men formele kriteria wil aangeven. Jager beoordeelt m.i. ten onrechte de synodale uitspraak met overwegingen als 'links' en 'rechts'. Wel is duidelijk dat er zoveel verschil van mening is binnen de geref. kerken dat men niet kan denken met enkele formele kriteria het spreken van de kerk en haar gezags karakter veilig te hebben gesteld. Is de consequentie van Jager toch niet dat de kerk zich achter bepaalde groepen gaat plaatsen en door bindende uitspraken groepen die een andere visie voorstaap, eigenlijk uitbant?
Kan dat? Mag dat? Hier stuiten we op de ingewikkelde vraag naar de grenzen van de gemeente, naar de toepasbaarheid van tucht als het gaat om ethische kwesties (de zgn. ethische ketter). Wij zullen er m.i. alleen maar uitkomen als de kerk voor alles kerk wil zijn en bij haar spreken in de samenleving niet uit het oog verliest dat ze voor alles belijdend en pastoraal heeft te spreken en te handelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's