De toerusting van de gemeente (2)
... hoe zal een predikant zijn gemeente repareren en prepareren, tot de volwassenheid van geloof en hoop en liefde?
Hoe voltrekt zij zich?
Via een drietal oriënterend omtrekkende bewegingen zijn we nu aangeland bij de eigenlijke kwestie: hoe zal een predikant zijn gemeente repareren en prepareren, tot de volwassenheid van geloof en hoop en liefde? Hem is wel een sleutelpositie toevertrouwd in het werk der toerusting.
Laat ons onmiddellijk onze basis kiezen in de onopgeefbare stelling, dat geen predikant het instrument van het Woord kan hanteren, als hij niet zelf zich laat bespelen door Woord en Geest. Kohlbrugge zegt zo treffend: 'Het Woord recht te snijden is zo'n gemakkelijke zaak niet. Het wordt nochtans recht gesneden waar de hand die snijdt, in Gods hand rust.' Op onszelf zijn wij allen nutteloos en vruchteloos, zoals een instrument dat niet wordt gebruikt. Er staan monumentale orgels in ons land. Maar als de windtoevoer ontbreekt en er geen kunstenaarsvingers de klavieren bespelen, brengen ze hoe magistraal ze ook zijn niet het minste geluid voort. Zo ook hebben wij - het geldt als ieder ander ook de predikant - geen woord te zeggen, als wij niet worden aangeblazen en bezield. Wat moet een zeilschip, dat de wind niet in de zeilen heeft?
Broeders, is dat uw diepste zorg en verlangen, dat Christus' ademtocht door u en ons heen zal gaan om ons doodse hart tot leven te wekken en een nieuw lied in onze mond te geven? Hier zijn we bij de grondhouding en de verborgen voedingsbodem van het ambtelijk leven en werk. Het geheim van het ambt is veel meer passief van aard dan actief: wij hebben ons zonder ophouden te laten vullen en doorgloeien. Ambtsdragers zijn in de eerste plaats bidders, en dan pas werkers. Tegenover iedere vergadering moet minstens evenveel tijd geschonken worden aan studeren en mediteren. 't Gaat er immers nooit en nergens om wat wIj presteren en produceren, maar om wat Christus in Zijn Geest door ons tot stand brengt. Van Calvijn is het machtige woord: 'Niemand is geschikt voor het ambt en er tegen opgewassen, tenzij hij door Christus wordt geschapen en gevormd'. Zonder Hem kunnen wij niets doen, dan het bederven!
De predikant
Wat nu voor alle ambten geldt, nl. dat zij doortrokken zullen zijn van Christus' Geest, dat geldt bij uitstek voor de predikant.
En nu is het uitgerekend zijn persoon en positie, die meer en meer omsingeld en bekneld raakt in beslommeringen die hem de adem benemen, die hem van de adem des Geestes beroven. Vele dingen bekommeren en verontrusten hem - overigens vaak uit goede trouw, en naar eer en geweten - , maar heel dit meer-voud brengt hem in ademnood, want het leidt hem af van het enkel-voudig nodige: de doordrenking met de Heilige Geest, de doordenking van het Heilige Woord!
Hoe komt dit? Hoe kreeg dit heilloze kwaad zijn kans? Ik meen dat er minstens drie factoren in het spel zijn.
Ten eerste omgeeft ons een totaal veranderde culturele dampkring. In het leef-en werkklimaat van vroeger eeuwen (en die zijn nog maar enige tientallen jaren geleden!) bewoog zich de predikant over het algemeen veel meer in de beslotenheid en geborgenheid van zijn eigenlijk ambtswerk: prediking, catechese, pastoraat (in deze volgorde!). Dat was zijn ommuurde stadje. Goed, hij ging wel eens naar buiten door de poort, maar was om zo te zeggen tegen de avond weer binnen.
Ik hoef u nauwelijks meer te zeggen dat deze stadsmuren zijn gevallen. Slechts met de grootste discipline weet de predikant de poorten van zijn studeer-en bidvertrek korte uren dicht te houden. Het leven is open en dynamisch, complex en gejaagd. De agenda dicteert zonder veel barmhartigheid en de telefoon domineert als een nietsontziende en brutale inbreker, die huisvredebreuk pleegt zonder weerga.
Een tweede factor is, dat niet alleen het vele en volle van onze agenda ons opvordert en opjaagt, maar dat ook de geest en mentaliteit zélf van deze moderne tijd ons inrekent. Dus niet alleen de kwantiteit maar ook de kwaliteit van het moderne leven laat zich gelden. De dingen moeten immers niet alleen vlug, maar ook vluchtig.
Hier zit veel meer achter dan wij ons gewoonlijk realiseren. Er zit nl. achter een gesaeculariseerde levensvisie en levensstijl, die geen diepte-en geen hoogte-dimensie meer kent, maar slechts lengte en breedte!
Het leven mist dan de bevindelijke zielsverworteling in de diepe gronden van het Woord van God, en kent niet langer de opwaartse beweging van het eeuwigheidsbesef. Vandaar dat men niet meer de stilte kent tot meditatie en concentratie, maar alleen de vaart tot prestatie en productie; vandaar dat men niet meer bidt, maar werkt; niet meer luistert, maar praat, al heeft men niets te zeggen...
En het is op dit punt dat de kerk wellicht in de ernstigste mate wereldgelijkvormig is geworden. Kerk en gemeente lijken als twee druppels water op het moderne bedrijf, en haar dienaren op bedrijfsleiders. Ter illustratie: 't is me ettelijke jaren geleden eens overkomen, dat een ambtsdrager van een roepende gemeente me gemoedereerd toevoegde: 'Wat wij zoeken voor onze gemeente, is een manager'! Even beschamend als onthullend!
De derde factor is de schrijnendste. Het is onze schuldige en bijna moedwillige verblinding onder dit alles. Waarom geraken wij zo gemakkelijk aangepast bij het schema van de wereld en aangetast door haar geest? Ik weiger te geloven dat hier sprake is van overmacht, desnoods van tragiek. Veeleer vrees ik dat wij daarom niet weerbaar en waakzaam tegenover de tijdgeest staan, omdat die geraffineerd onze sympathie heeft ingepalmd. Vergeet niet dat ons hele natuurlijke bestaan gestempeld is door de zucht tot emancipatie: 'Komt aan, Iaat ons bouwen aan onze stad en onze naam'! Babel heet die stad, desnoods Babel op G.G., met een standbeeld voor Calvijn... En achter de parade en maskerade van ons gereformeerd activisme verhullen wij onze schuldige en schamele holheid. Anders dan zó kunnen wij heel die volheid en veelheid van ons gereformeerd bedrijfsleven immers niet betitelen. Leeg is ons druk gevulde bestaan, tenzij onze wortels levenssap ontvangen uit het Woord, en ons hart daar toeft waar onze schat is, nl. bij Christus in de hemel.
Waarheen?
Deze drie factoren laten zich gelden en zijn bezig ons op een verkeerd spoor te rangeren. En nu vraag ik u, waar het heen moet als wij dit spoor volgen? Het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het gepredikte woord. Maar hoe zal de gemeente worden toegerust uit het Woord, als de predikers niet meer van dat Woord doorgloeid en bezield zijn? En hoe zouden zij dat zijn, zolang ze bijna continu zich roeren in het veelvoudige van het 'bedrijf' , en zich niet oefenen in het enkelvoudige (de ware eenvoud!) van het ene nodige? Hebben wij predikanten ons eigenlijk wel te beklagen over verschaling of verschraling van het geestelijk leven der gemeente, als zij door ons toedoen, of liever door ons afdoen, zo op dieet wordt gesteld?
Zegt u nu zelf: hoe kan een predikant die wekelijks niet alleen één of twee preken heeft te 'leveren', zes catechisaties en een kring voor zijn rekening te nemen heeft, een behoorlijk aantal zieken, rouwenden en jubilerenden te bezoeken heeft, de gezinnen te bezoeken heeft rond geboorte en doop, maar ook een vergadering van de wijkkerkeraad of de C.K. heeft voor te bereiden en voor te zitten, zijn verplichtingen heeft inzake school, maatschappelijk werk, jeugd-en evangelisatiewerk, zijn contacten heeft met artsen en pastores, zijn bijeenkomsten heeft met consistorie, ministerie, ring en classis, zijn werkzaamheden heeft buiten de gemeente voor het geheel van de kerk, zijn administratie en correspondentie bij moet houden, zijn telefonades moet plegen en zijn bezoekers moet ontvangen en al de veeleisende kwesties dient te behartigen rond huwelijksgeluk en huwelijkscrises, opvoedingsmoeilijkheden en sterfgevallen..., hoe kan zo iemand voor wie toch ook het vierde gebod (zes! dagen zult gij arbeiden en geen zeven) zijn volle geldingskracht heeft, om te beginnen: man zijn voor zijn vrouw, vader voor zijn kinderen, herder voor zijn kudde, schriftgeleerde voor zijn gemeente, theoloog in de kerk? Hoé kan hij de uiterlijke en innerlijke rust vinden om dienaar des Woords te blijven? Ja, hoe kan ook hij zalig worden door het arme-zondaarsgeloof. Zulk geloof is immers geen praatje, zelfs geen preekje, maar een beleefd en geleefd geloof!
Dagelijkse oefening
Het is toch niet vreemd, dat predikanten hoedan-ook op de vlucht slaan (binnen of buiten het ambt) óf droog lopen óf doldraaien? En het is toch niet verwonderlijk, dat die categorie die het zo-voor-het-oog in ieder geval uithoudt, niettemin op den duur op de kansel en in de huizen niet veel meer te bieden heeft dan rechtzinnig maakwerk, rechtschapen plichtsbetoon en stichtelijke vanzelfsprekendheden? Een dominee die niet studeert (in de oorspronkelijke zin van het woord zich niet meer wijdt aan het Woord) kan vaardig, vlot en aardig zijn, maar is niet langer wat hij wezen moet: V.D.M., dienaar van het goddelijke Woord. Want dat is hij naar Gods roeping vóór alles. Niet dat hij een huisbakken wetenschappelijk kamergeleerde moet zijn, maar wel een godgeleerde die biddend het Woord van zijn Meester doorploegt. Om met ds. Den Boer te spreken: 'Hij is de man, die deelt in de diepste nood van zijn medemensen. Maar hij is vooral ook de man, die staat op de grens van tijd en eeuwigheid. En hoe kan hij bemiddelen tussen de levende God en de gemeente, als hij niet zelf geregeld onder vier ogen is met God...'
Van Rubinstein wordt verteld, dat hij zich dagelijks oefende in het bespelen van zijn muziekinstrumenten. Als hij deze dagelijkse oefeningen één dag oversloeg, merkte hij zelf, dat er iets mis was. Sloeg hij het twee dagen óver, dan bespeurden zijn vrienden het. En als hij drie dagen niet had omgezien naar zijn muziekinstrumenten, was het merkbaar voor buitenstaanders, die naar hem luisterden. Ik denk, dat er een groot gevaar is, dat een dienaar des Woords bedreigen kan, nl. om te denken dat hij door hardlopen en door overal op en in te zitten, de gemeente het allerbeste bouwt. Deze spanning wordt nogal eens overspanning, waarin we het af moeten leren om te doen alsof God Zijn kerk op een mens bouwt...
Hij heeft Zijn kerk gebouwd op Zijn Zoon. Dat is genoeg. En wij behoeven slechts als het riet te zijn, waarvan Jacqueline van der Waals zong; 'Een riet, waardoor de adem van de Geest gaat'. Toen Maarten Luther eens de overvolle agenda van Melanchton zag, zei hij: 'Jij gaat dood, want je kunt niet heilig luieren voor God'... Hoe nodig is het om de stilte te zoeken. Als ons geestelijk leven gereduceerd wordt tot het arme tollenaarsgebed: 'O God, wees mij, de zondaar genadig', dan is ook de dominee op een beste plaats, omdat hij daar het wonder van begenadiging van zondaars zelf weer opnieuw mag leren doorleven' (Met vreugde. Kampen 1981, blz. 21 v.).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's