Globaal bekeken
Donderdag 3 december II. promoveerde de heer Adriaan Vlug, werkzaam bij het Koningin Wilhelminafonds, op een proefschrift getiteld 'Ihtmunity to viral Leukemogenesis', tot doctor in de geneeskunde aan de Rijks Universiteit te Amsterdam. Dr. Vlug is de schoonzoon van de heer C. Mos, secretaris van de afd. van de Gereformeerde Bond te Scheveningen, en woont in Maarssen(broek).
- De jonge doctor (31 jaar) willen we op deze plaats van harte gelukwensen met deze bekroning van zijn studie. Hij gaf aan zijn proefschrift het motto mee 'Ere zij God'. Daarmee plaatste hij zich in de traditie van de wetenschapsbeoefenaren van het eerste uur (in de zestiende eeuw), die hun wetenschappelijk werk wilden verrichten tot eer van God. Psalm 8 zegt het heel duidelijk. God heeft de mens de mogelijkheid gegeven om te heersen over de werken van Zijn handen (ook in de wetenschappelijke arbeid). Maar het loopt uit op de belijdenis: 'Heere, onze Heere, hoe heerlijk is uw Naam op de ganse aarde.'
***
Uit het Centraal Weekblad, wekelijks orgaan van de Gereformeerde Kerken, geef ik twee stukjes door die de moeite waard zijn om te overwegen.
Het eerste dat ik noemen wil is uit een artikel van ds. K. Bisschop, die schrijft over het samengaan van Hervormden en Gereformeerden en het historische verschil in geaardheid van beide kerken onder het kopje 'De "grote" en de "kleine" kerk'. Het stukje spreekt voor zichzelf.
'Kenmerkend voor de Gereformeerde Kerken in de jaren tachtig is dat ze een afgescheiden kerkgemeenschap is die een volkskerk is geworden.
De reformatie was een hervorming van de volkskerk; afscheiding is iets anders. De Afscheiding van 1834 (en de Doleantie van 1886 in de praktijk veelszins evenzo) was een bewuste keus van kerkleden die een afgescheiden gemeente vormden. Zo'n afgescheiden kerk is een kern-gemeente van leden die sterk betrokken zijn op de belijdenis en op het functioneren van het kerkinstituut in eredienst, catechese en pastoraat. Gereformeerden verwachten van de kerk een nauwkeurige en persoonlijke pastorale zorg, een actief meeleven van de leden en een overzichtelijke structuur van de kerkelijke gemeenschap.
Wie geen teken van meeleven meer geeft, raakt buiten het ledenregister van de kerk. Een kwart miljoen Nederlanders, die uit de Gereformeerde Kerken afkomstig zijn, veelal daar ook gedoopt, komt in de kerkelijke statistiek niet meer voor.
Hervormden zijn gewend dat het ledenbestand van de kerk veel groter is dan de meelevende kerk van de gemeente. De Nederlandse Hervormde Kerk heeft bovendien nog honderdduizenden nietgedoopten in haar registers.
Hervormde kerkeraden vinden het niet verantwoord om de niet-betrokken leden en ongedoopte geregistreerden buiten de kerk te plaatsen. Gereformeerde kerkeraden weten geen raad met hun verantwoordelijkheid voor wie geen belang meer stellen in eredienst, catechese en pastoraat.
Naarmate het In heel wat Gereformeerde Kerken moeilijker wordt om te voldoen aan wat gemeenteleden - en merkwaardig genoeg - wat ook veel nauwelijks meelevende gereformeerde jongeren van de kerk verwachten, wordt het verlangen naar vereniging met de Hervormde Kerk geringer.
Door samen te gaan wordt de gemeente niet overzichtelijker en het pastoraat niet intensiever.
De 'afgescheiden' kerk is echter de tweede reformatorische 'volkskerk' in Nederland geworden. Niet in de zin van een groot deel van ons volk omvattend, maar van een groot deel van de verantwoordelijkheid voor dat volk dragend.'
Het tweede stuk staat onder de titel 'Het prachtige citaat van Rijnsdorp'. Het is genomen uit zijn boekje 'Wij zijn de vaders.' Hier volgt het stuk:
'Er is een soort vaders en moeders in Israël aan het uitsterven. Stillen in den lande, eenvoudige mensen die probeerden een stil en gerust leven te leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid, om met de Statenvertaling te spreken. Ze waren het product van een zeer bepaalde sociologisch-theologische situatie. Het ware moeders, ongetrouwde vrouwen, dienstboden, kleine neringdoenden, soms ook zakenmensen die op een bescheiden welvaart konden bogen. Wat hen kenmerkte was vanzelfsprekende trouw, ook aan de harde meester of meesteres. Maar van horigheid was geen sprake. Hun onderworpenheid en vergenoegdheid met het tegenwoordige had geen enkele slaafse trek. De nu eenmaal gegeven positie in de maatschappij aanvaardden zij als een keuze, als een ja-zeggen tegen de God van hun leven. Wie gelooft dat men Gode meer moet gehoorzamen dan de mensen, gehoorzaamt zonder vrees. Toch was het een bepaald soort mensen. Ze bezaten een innerlijke beschaving, die het gevolg was van een nauwlettende omgang met de bijbel en met God. In het ethische waren ze gecultiveerd en verfijnd. Hun gerijpte wijsheid sloot dweperij buiten. Activisten en vurige partijgangers waren het niet. Van een politiek of maatschappelijk, ja zelfs van een sterk kerkelijke engagement kan men bij hen niet gewagen. Wat hen interesseerde waren vooral de onbewegelijke dingen uit de Hebreeënbrief, hun status quo werd door hun geloof gesublimeerd. Theologisch sloten ze aan bij een oude, bevindelijk gekleurde traditie, zonder dat dit tot excessen leidde. Daartoe waren ze te verstandig - en hadden ze te veel tact. Denk niet dat ik deze mensen - die nu in bejaardentehuizen aftakeling en dood met waardigheid tegemoet leven - idealiseer. Ze leefden bij een beperkte selectie bijbelgedeelten en psalmen. Ze hadden weinig oorspronkelijks. Hun horizon was klein. Men kan ze ook niet model stellen voor de volwassenen van vandaag. De vroomheid van hun oordeel sloot niet altijd juistheid in. De constellatie, sociologisch en theologisch, die hen voortbracht, komt niet meer terug. Hun invloed was gering, tenzij opmerkbaar in hun milieu; in de piëteit waarmee men aan hen terugdenkt. Zij hebben warmte verspreid, een sfeer van geborgenheid geschapen, aan kinderen kostbare herinneringen meegegeven. Hun houding tegenover familierampen en dood had soms een onbewuste grootheid. Ze konden kinderen aan God afstaan en met hen een laatst gesprek voeren, voordat zij die hun zo lief waren 'die grote reis gingen ondernemen'. Want ze kenden de dood als koning der verschrikking. Maar de prikkel des doods was weg genomen. Soberheid en zuinigheid hadden ze bijna tot een kunst verheven. Voedsel wegdoen was zonde. Kledingstukken waren bijna niet van henzelf. De diepste tonen uit de psalmen vonden bij hen weerklank. Zij hadden een duidelijke voorstelling van de moederbelofte, zoals die in de loop der historie is vervuld (ik herinner me als kind een lezing gehoord te hebben over 'De moederbelofte in den loop der historie'). Ze wisten aan welke eisen een goede kerst-, paas-of pinksterpreek moest beantwoorden. Als men ze kwetste, werden ze alleen maar stil; ze sloegen niet terug. Van puur piëtisme kan hier niet worden gesproken. Ze leefden min of meer dienstbaar aan het patriciaat, maar gevoelden affiniteit met de gecultiveerde wellevendheid daar, met het zachte spreken, met de zelfbeheersing, met de fijne reserve, met voorzich tige woordkeus. Ze waren niet bijzonder talrijk, maar vormden die gelukkige combinatie van vroomheid, tact en zelfverloochening, die de benaming 'koningskinderen' rechtvaardigt. Hun vroomheid was als het bloeien van kleine bloemen op ontoegankelijke plaatsen. Wat waren ze kwetsbaar, broos; hoe zwak stonden ze in het leven! Hunner was een zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is voor God. Bij hen geen protest, geen actie, geen polemiek; de gedaante dezer wereld was voor hen van voorbijgaande aard. Als God hen met een dodelijke krankheid sloeg, konden ze zich zo aandoenlijk stil van de wereld terugtrekken. Van hun worstelingen met God kwam een ander niet veel te weten, - tenzij ze (zoals mijn vader) hardop baden. Nu wij afstand van hen nemen, nu wijze op de kade zien achterblijven en de tijd met ons voortraast, is het of al het klein-menselijke en klein-burgerlijke aan hen wordt opgelost en zien wij alleen nog maar de stille heldhaftigheid, de overgave, de kiesheid, de schroom, de onbewuste voornaamheid, de koninklijke waardigheid.'
Helaas worden de genoemde vaders en moeders in Israël zeldzamer. Maar ze zijn er nog wel. Het zijn niet degenen, die het na willen doen maar bij wie het echt is, bij wie theologen om zo te zeggen in de leer kunnen (zoals Kuyper eens bij Pietje Baltus) en die zelf van godgeleerden willen leren. Maar Rijnsdorp legt wel de vinger bij een wonde in ons kerkelijk leven, waar ook zoveel verzakelijkt, verobjectiveerd en gedemocratiseerd is en waarin zoveel besmetting is van de wereld van vandaag, dat het stille vrome leven vaak zó aangevochten is of niet meer wordt opgemerkt. Al zijn er ook vandaag ten deze nog vele goede dingen in Juda. Ook vandaag zijn er mensen in de gemeente, die de prediking en daarin de gemeente op het hart en in het gebed meedragen en die daarbij zonder zelfverheffing hun stille gang gaan en daarbij voor anderen in de genade veel mogen betekenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's