De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Dr. J. Hoek over een theoloog tussen Reformatie en Orthodoxie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dr. J. Hoek over een theoloog tussen Reformatie en Orthodoxie

7 minuten leestijd

Daniël Colonius is een gereformeerd theoloog uit de tweede helft van 16e en de eerste helft van de 17e eeuw geweest.

Vorige week, 3 december, promoveerde aan de Rijksuniversiteit te Leiden onze Veenendaalse collega ds. J. Hoek. Elders in dit nummer van ons blad zal men wel een verslag van de promotie kunnen vinden. Ons gaat het om het proefschrift dat door onze collega bij deze gelegenheid is verdedigd.

Maar vóór wij overgaan tot een bespreking daarvan willen wij hem, zijn gezin en zijn familie van harte gelukwensen met de, door middel van de promotie, behaalde titel. Wij hopen van harte dat het onze jonge doctor gegeven mag zijn nog vele jaren de kerk en de gereformeerde theologie met zijn gaven en krachten te dienen.

Wat die gaven betreft, die zijn er. Het blijkt (opnieuw) uit zijn proefschrift. Een studie waar enorm veel werk voor verzet is. De literatuurlijst, die achterin het boek is opgenomen, geeft daarvan een sprekend bewijs.

Nu de titel van het proefschrift; die luidt als volgt: Daniël Colonius (1566-1635). De ondertitel is: Theoloog tussen Reformatie en Orthodoxie. Het boek is uitgegeven door J. Bout en zonen te Huizen.

Zoals de titel al doet vermoeden, deze studie is primair een kerkhistorische. Maar de ondertitel geeft er blijk van, dat zij tegelijk tendeert in de richting van een dogma-historische studie. Daniël Colonius is een gereformeerd theoloog uit de tweede helft van 16e en de eerste helft van de 17e eeuw geweest. Hij is predikant geweest bij de Waalse, dus Franssprekende gemeente te Rotterdam en daarna regent van het Waalse college, waarin zich studenten bevonden die zich te Leiden aan de Academie voorbereidden op de taak van predikant in een der Waalse gemeenten in ons land.

Zijn eigenlijke naam was Daniël van Keulen. Hij maakte daarvan Daniël Colonius. Het was nu eenmaal gewoonte in die dagen om aan de naam (in elk geval achternaam) die men droeg een latijnse vorm te geven.

Zijn vader Pieter van Keulen (Colonius) was mij tot dusver beter bekend dan de zoon Daniël. In kerkhistorische studies over die tijd komt hij over het algemeen gesproken maar weinig voor.

Het proefschrift van Hoek laat duidelijk zien, dat er over de persoon in kwestie nu niet bepaald zo heel veel gegevens te vinden zijn. Wij beseffen dat er voor de schrijver dan ook heel wat speurwerk moest worden verzet. Achter een paar regels zit soms het werk van dagen, dat is nu eenmaal vaak zo bij een studie van dit soort.

De schaarse gegevens over Colonius deden mij denken aan een wat droge citroen waar men wel heel hard in knijpen moet om er een paar druppels aan te ontpersen.

Collega Hoek houdt Colonius voor 'belangrijk' en dat vergeef ik hem gaarne, maar wat mijzelf betreft: ik ben van de belangrijkheid van Colonius niet zo heel diep onder de indruk.

Soms vergelijkt de schrijver hem met zijn vriend Polyander, over wie onlangs dr. Lamping een interessante studie schreef, maar het lijkt mij toe dat Polyander het in belangrijkheid van Colonius aanzienlijk wint.

Daarmee is niets afgedaan aan de waarde van deze studie; integendeel, ook minder belangrijke figuren mogen weleens voor het voetlicht worden gebracht; in ieder geval completeren zij het beeld dat wij ons (willen) vormen van een bepaalde tijd. Ik veronderstel dat thans over Colonius wel alles gezegd zal zijn wat er door wie dan ook over hem te zeggen zou zij n. Wij meldden al, dat de studie van Hoek neigt tot het dogmahistorische. Dat is ook verwoord in de ondertitel. Colonius zou zich in zijn onderwijs, en daarbij wordt dan vooral gedacht aan weergave en interpretatie van Calvijns Institutie, ten behoeve van de studenten, bewogen hebben tussen Calvijn en de gereformeerde Orthodoxie in.

Alleen al deze ene opmerking maakt duidelijk dat er een zekere spanning wordt verondersteld tussen 'Reformatie' (nader: Calvijn) en de 'Orthodoxie'.

Hoek maakt dat vooral duidelijk met de leer van de predestinatie. Hij wijst aan, hoe er ook bij Colonius, zij het in zeer gematigde vorm, reeds aristotelische invloeden zijn aan te wijzen, dus een neiging tot scholastiek, die zich dan later in de gereformeerde orthodoxie heeft breed gemaakt.

Hoek volgt hierin zovelen die zich al eerder met dit thema hebben beziggehouden. En evenals vele anderen ziet hij Beza in dit opzicht als de man die de wissels heeft overgetrokken.

Dit stuk van zijn proefschrift boeide mij het meest. Het is ook het belangrijkste aspect aan de figuur Colonius.

Colonius, die de Dordtse Synode bijwoonde, zou ook, volgens Hoek, mede er toe bijgedragen hebben dat de Dordtse Leerregels zulk een uitgesproken mild en pastoraal karakter dragen. Bij Colonius was vrees voor het speculatieve, een zekere terughoudenheid in het spreken over het geheimenis der verkiezing en zeker dat van de verwerping, en een accentlegging op de relatie tussen Christus en de verkiezing. Colonius was daarin één met de andere Walen die de Dordtse synode bijwoonden, en met wie hij gezamelijk judicia (oordelen, eventueel: adviezen) indiende.

In de waardering hiervoor kan ik met Hoek meegaan.

En toch meen ik, dat een nadere bezinning op de al of niet vermeende filosofische, in casu aristotelische, invloed op de gereformeerde dogmatiek (in 17e en 18e eeuw) wel nodig zou zijn.

Ik wil mij niet direct en geheel en al aan het veronderstellen van zulk een invloed overgeven.

Dat zij er is, is niet te ontkennen, maar in hoeverre? De ervaring heeft mij geleerd, dat degenen die zo hard roepen (waartoe Hoek uiteraard niét behoort) dat de orthodoxe vaderen onder invloed van de filosofie van Aristoteles hebben gestaan, bij die vaderen geen halt houden, Calvijn en de andere reformatoren (behoudens de jonge Luther) er ook bij betrekken , en dan nóg geen halt houden, maar ook de oudchristelijke dogma's aangaande Christus en de Drieëenheid er eveneens in betrekken. En zo veegt men dan het pad schoon om eigen nieuwe theologische concepties op de baan te brengen.

Jacobus Koelman, die ter zake zeer kundig was, en sprak in de geest van Voetius heeft eens nadrukkelijk opgemerkt, dat men in de gereformeerde theologie van zijn dagen eclectisch te werk ging wat betreft het gebruik van de filosofie; men gebruikte Aristoteles waar het te pas kwam, maar ook andere filosofen. Die opmerking verdient aandacht. De vaderen hebben zich bepaald niet zonder meer aan Aristoteles uitgeleverd.

Er komt bij, dat zij in hun dogmatische verwerking van de Schriftgegevens zich inhoudelijk door de Schrift hebben laten leiden en niet door de filosofie. Dr. Hoek noemt dat ook een en andermaal, en terecht.

Dogmatisch bezig zijn betekent nu eenmaal gebruik maken van het gangbare begrippenmateriaal. En moet dan altijd de herkomst daarvan als beslissende factor worden aangewezen? Zijn er niet talloze gewoon gangbare begrippen, als b.v. 'wezen', 'substantie', 'vorm' en 'inhoud' die iedereen gebruikt, wie het ook is, en die zelfs door de felste antischolasticus in zijn dogmatiek worden gebruikt, en die ook wel bij Aristoteles zijn te vinden, maar daarom nog niet als 'aristotelische scholastiek' zijn te brandmerken? Wij geven toe: de vorm heeft de inhoud bij de vaderen weleens schade gedaan. Maar het zal van stuk tot stuk nagegaan moeten worden waar en inhoeverre dat het geval is geweest. Een globaal oordeel wens ik niet te onderschrijven.

Dr. Hoek heeft tot een eventuele discussie over deze materie een waardevolle aanzet gegeven in zijn proefschrift. Mocht hij zich op dit terrein verder willen begeven, dan zouden wij van hem er graag meer over horen.

Ook al zou hij van de kerk-en dogmageschiedenis zich afwenden, gezien zijn sterke interesse van de laatste jaren in de ethische vraagstukken, dan blijft nog staan, dat hij in zijn proefschrift een goede en fraaie bijdrage heeft geleverd aan het onderzoek van de opvattingen der vaderen rond de Dordtse synode. Wij zijn hem daar zeer dankbaar voor. En zullen met veel belangstelling zijn verdere plannen, en de uitwerking daarvan, volgen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Dr. J. Hoek over een theoloog tussen Reformatie en Orthodoxie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's