Kom over en help ons
De zending in de negentiende eeuw
'En van Paulus werd In de nacht gezien: er was een Macedonische man staande, die hem bad en zeide: kom over in Macedonië en help ons! Als hij nu dit gezicht gezien had, zo zochten wij terstond naar Macedonië te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Heere geroepen had om dezelven het Evangelie te verkondigen.'(Hand. 16 : 9, 10).
'Geen ander verhaal heeft de negentiende - eeuwse zendingsvrienden zó aangesproken als dat van de Macedonische man. Dit was hét geliefde thema: in sollicitatiebrieven waarin jonge lieden zich voor de zendingsdienst aanmeldden en verklaarden de roepstem persoonlijk te hebben vernomen, in uitzendingsdiensten en op zendingsdagen, in gedichten, liederen en zendingsbladen!
Op deze wijze begint een 'spannend' boek van dr. I. H. Enklaar onder de titel Kom over en help ons, waarin hij twaalf opstellen samenbracht over de zending in de negentiende eeuw.
In de kop van het Monats - Blatt der Norddeutschen Missions - Gesellschaft was de roeping van de Macedonische man in beeld gebracht. En Isaac da Costa zong in zijn 'Zendingslied' :
'In nachtelijke droomen
Werd eens de stem gehoord;
'Wil tot ons overkomen'
En help ons met het Woord'
En uit Euroop vernomen,
Toen nog in nacht gehuld,
Heeft d'overzij der stroomen
De nooddruft straks vervuld
Thans komt in alle richting
De noodkreet tot Euroop,
En 't woord der Godsrijkstichting
Neemt uit het West zijn loop.'
In de Zendingsliederenbundel ontbrak hét zendingslied van J. P. Snoeck Henkemans dan ook niet:
'Hoort gij die stemme,
Roepend uit de verte,
Smeekend om redding?
't Is een stem der smarte;
't Klinkt als een angstkreet.
Afgeperst aan 't harte.
Biddend en klagend.
Hoort toch, gij Christ'nen,
't Heidendom vraagt hulpe.
Ziet! 't heft ten hemel
De gebonden handen.
O, 't zijn uw broeders,
Denkt aan hunne banden.
Brengt hun uw Heiland.'
En op de scholen en zondagsscholen deden de kinderen hun zendingsgeld in de gleuf van 'het dankbaar knikkend Sundaneesje'.
De herleving van de zendingsgedachte in Nederland was gestempeld door de roep van de Macedonische man.
Geschiedenis
Dr. Enklaar geeft in zijn opstellen een boeiend stukje zendingsgeschiedenis. Weliswaar lag de vroegste periode van de zending in Nederland omstreeks 1600, namelijk door de zendingsarbeid van de Verenigde Oost Indische Compagnie in de Molukken, op Ceylon (het huidige Sri Lanka) en Formosa (Taiwan); maar de theocratische, calvinistische opzet van het zendingswerk werd toen - in het kader van de handelsdoeleinden van de V.O.C. - sterk beïnvloed door secundaire, politieke bijbedoelingen.
In het begin van de negentiende eeuw werd echter een nieuwe zendingsgeest vaardig, gestimuleerd door een nieuwe visie op de wereldwijde roeping van de christen, en vooral ook beïnvloed door inbreng vanuit het buitenland, t.w. de wederopleving in Nederland van de zendingsactiviteit van de Hernhutter Broedergemeente en de contacten vanuit Nederland met de eerste 'evangelicale' opwekkingsbeweging in de Angelsaksiche wereld.
Centrale figuur was dr. Johannes Theodorus van der Kemp (1747-1811), wiens jonge jaren (toen hij medisch student en dragonderofficier was) bepaald werden door 'een ziel vol strijd en onrust en een ongeremd zwelgen in grove losbandigheid'. Bij een bootdrama op de Maas in 1791 verloor hij zijn vrouw en zijn enig kind, hetgeen leidde tot 'de verbrijzeling van zijn eigengerechtigde ziel, zijn radicale bekering en de volslagen nieuwe koers, die zijn herboren leven gaat nemen'. Zijn zoeken van 'hartensgemeenschap' met vrome gezelschappen van opgewekte christenen en vervolgens zijn 'zuchten tot God om klare aanwijzingen voor een nieuwe Christus-gewijde vulling van zijn verdere levensdagen' leidt tot krachtige zendingsactiviteit in Nederland. Van der Kemp zoekt contact met de Hernhutters, terwijl hij in tweede fase in contact komt met het zendingsenthousiasme in Engeland. In Londen - aldus dr. Enklaar - geniet Van der Kemp van de interconfessionele en internationale verbroedering van allen, die, wars van alle kerkisme, van evangelische gevoelens waren. Het Nederlands Zendings Genootschap (NZG), wordt opgericht, met als zendingsmotto: 'Vrede door het bloed des kruises'. Het piëtisme bleef niet langer naar binnengekeerd en individualistisch maar brak door naar buiten, 'overweldigd door de verwachting van het Rijk'.
Van der Kemp gaat naar Zuid Afrika (toen onder Engels bewind, vanaf 1795), waar hij solidair wordt met de verkommerde bevolkingsgroep der Hottentotten (liever de Khoi's genoemd). Hij komt daardoor in conflict met de autoriteiten. Zelf schrijft hij - in zijn levensbeschrijving - dat hij catechetisch onderricht gaf 'aan deze ongelukkige schepselen, die volgens de wetten van dit miserabele land als beesten worden verkocht, en met hun nageslacht in eindeloze slavernij gehouden worden door die monsters, die zichzelf christenen noemen'. Later gaat hij zelf afzien van alle comfort. Bij hoog bezoek maakte hij zijn opwachting 'gekleed in een tot de draad versleten zwarte frak, vest, kuitbroek, zonder hemd of das, en zonder kousen aan, de blote voeten gestoken in inheemse sandalen, zijn venerabele kale schedel ongedekt in de brandende zon'. 'Zijn met een veldbed van schaapsvellen en wat kisten nauwelijks gemeubileerd kamertje mat acht bij acht voet.' Een mens heeft maar weinig nodig om te leven, meende hij, en niemand moest dan ook als zendeling worden aangenomen, die geen armoe wilde lijden.
Zijn strijdvaardigheid om de geestelijke en sociale belangen van de Hottentotten te dienen werd - bij toenemende tegenkanting van de autoriteiten - intussen alleen maar aangewakkerd. Later trouwde hij zelfs nog met een zeventienjarig heidens slavinnetje, die hem vier kinderen schonk. De non-conformistische Van der Kemp paarde op deze wijze bewogenheid om het geestelijk lot van de mensen aan deernis om hun sociale positie.
Moeilijke omstandigheden
Het waren overigens moeilijke omstandigheden, waaronder zendelingen in de vorige eeuw hun zendingsarbeid aanvatten. Daar kwam bij, dat vragen rondom het huwelijk van uit te zenden zendelingen punt van ernstige discussie was: 'men wilde voor de zendelingen het huwelijk nóch onmogelijk, nóch moeilijk maken; om drie principiële redenen: 'de natuurdrift, gegeven met de menselijke natuur, de door God ingestelde scheppingsinrichting en de wet des christendoms.' Daarbij kwam als praktische overweging: 'de sterkere aanprikkeling, welke de geslachtsdrift in warme landen ontvangt'. Men onderscheidde in het Nederlands Zendings Genootschap een schadelijk huwelijk (met iemand, die ongeschikt was voor de zendingstaak) een onschadelijk huwelijk (geen voordeel en geen nadeel voor de zending; gezinskosten voor het huwelijk zijn in dat geval voor de zendeling zelf) en een voordelig huwelijk (met een 'bekwame en veelbelovende jonge dochter').
Intussen gingen de meesten ongehuwd uit naar hun zendingsgebied en de gedachte vatte post dat er ook in Indië wel 'jonge vrouwen, van Europese afkomst, van goede opvoeding en christelijke gezindheid waren'. Maar dat bleek toch in de praktijk tegen te vallen. Vanuit het zendingsveld kwam dan ook de klacht: liever één gehuwde zendeling dan drie ongehuwde!
Het dramatische verhaal, dat dr. Enklaar vertelt over Agnes van der Veer, die nog niet mocht trouwen met Willem Luyke, toen deze in 1826 naar de Oost vertrok (naar het eilandje Leti), spreekt boekdelen. Zij wordt pas op 30 oktober 1830 uitgezonden. Er wordt in de dienst o.a. gezongen: 'Gij hebt o albestierend Koning, de plaats bepaald voor ieders woning, den kring waarin hij werken moet, Ev. Gez. 19 vers 4). In mei 1832 was zij op enige minuten afstand gekomen van het eiland Leti maar door storm moest het schip terug. In april 1833 arriveerde ze bij Willem Luyken, na zeven jaar elkaar niet gezien te hebben. Ze kreeg vier kinderen. Het eerste kind werd dood geboren, het tweede overleed na zestien dagen. In 1841 stierf ze zelf, na acht jaar daar gewerkt te hebben. Een maand later stierf haar derde kind, twee maanden later het laatste. In al die dertien jaren had Luyken slechts zes volwassenen kunnen dopen. Mislukte missie, vond het Nederlands Zendings Genootschap. Hij werd verplaatst naar Ambon, waar hij intussen nog tot 1886 gewerkt heeft (zestig jaar in zendingsdienst).
Genootschap of kerk?
Toen dr. J. Th. van der Kemp de stoot gaf tot de oprichting van het Nederlands Zendings Genootschap was er - bij alle opwekking die ermee gepaard ging - sprake van 'een afkeer van het officiële kerkelijk christendom en van een gedwongen binding aan opgelegde geloofsformuleringen en liturgische voorschriften'. Bij de herdenking van het vijftig jarig bestaan van het NZG laat Groen van Prinsterer terzake een kritisch geluid horen in een door hem uitgegeven tractaat. Groen gispt daarin de Nederlandse Hervormde Kerk, die aan het zendingsbevel des Heeren geen gehoor geeft. De zending is niet kerkelijk maar wordt uitgevoerd door een (interconfessioneel) genootschap. Hij had intussen de vrees dat het Zendingsgenootschap de leuze 'Vrede door het bloed des kruises' niet nauwgezet behouden had. Hij aarzelde zijn giften uit te reiken 'voor de verbreiding van een leer, waarin geen kracht lag ter bekering'. Het voornaamste bezwaar van Groen is dat het Genootschap geen belijdenis (meer) heeft of handhaaft. Maar tegelijk keert Groen de beschuldigende wijsvinger naar de kerk: 'juist dit overlaten van christelijke arbeid aan genootschappen, waarvan de meeste op rationalistisch of filantropisch terrein zijn geraakt, is een der meest ondubbelzinnige blijken van het verval der kerk. Niet kerkelijkheid maar onkerkelijkheid der zending is abnormaal'. In 1864 verlieten overigens vele prominente figuren het NZG, namelijk toen dr. J. Zaalberg, predikant der 'moderne richting' tot bestuurder van het NZG herkozen werd.
Tot zover gaven we een greep uit dit boeiende boek van dr. Enklaar. Hij schrijft verder nog over contacten van de negentiende eeuwse zending met de Islam; over de vereisten voor een zendeling (O. G. Heldrings zendelingwerklieden plan werd afgewezen); over de grote zendingsfeesten, b.v. van de Hernhutters in Zeist (met sprekers als Heldring en da Costa), het Algemeen Evangelisch Nationaal Zendingsfeest te Wolfheze, met tenslotte het Middachten Zendingsfeest bij de Steeg. Op het eerst Middachten Zendingsfeest spraken o.a. dr. Ph. J. Hoedemaker, (een van de eerste hoogleraren' van de V.U.), de afgescheiden prof. A. Brummelkamp, J. D. 't Lindenhout (Van Neerbosch), dr. F. L. Rutgers en ds. J. van Dijk Mzn. van Doetinchem.
Slotopmerkingen
Uit het boek van dr. Enklaar kunnen we een aantal dingen leren, die blijvend actueel zijn. 1. De geschiedenis van de zending leert ons, dat de kerken pas in tweede instantie gingen doen wat de (evangelische), interconfessionele genootschappen al éérder deden. De aandrang vanuit het Evangelie om mensen, die ten dode wankelen, ver weg en dichtbij, de Ene weg ten leven voor te houden, was vaker in de geschiedenis sterker bij vrije genootschappen of instituten. Dit ter verootmoediging voor de gevestigde kerken, die weten van de twee wegen.
2. Toch kan ook het zendingswerk niet zonder confessionele gebondenheid. En daarom is, als het goed is, het kerkelijk zendingswerk, indien namelijk confessioneel gebonden, het meest bijbels gefundeerd, in de diepte en in de breedte.
3. Het is verheugend dat het piëtistische, zeg het bevindelijke geestelijke leven, uitbreekt naar buiten om anderen van doodlopende wegen te brengen op de weg van het Kruis. Maar dat vandaaruit ook verbreding plaats vindt naar het sociale leven in alle vertakkingen daarvan. Zendingswerk, dat alleen gericht is op de ziel, is eenzijdig. Daar levert ook het negentiende eeuwse zendingswerk de voorbeelden van. De andere eenzijdigheid is echter, dat het zendingswerk in het horizontale, in het sociale opgaat. Dat is een gevaarlijke tendens in ónze tijd. De zending vandaag, die enerzijds een correctie is op de negentiende eeuwse zending, kan anderzijds ook leren van 'de liefde van het eerste uur'.
4. Groen van Prinsterer stelde terecht, dat het zendingswerk 'zaak en taak der gemeente' is. Het mag geen zaak worden van een zekere upper-ten, zeker niet van op bepaalde wijze ingewijden in sociale en politieke vragen. De zendingsfeesten van de vorige eeuw zijn dan ook tot schade van de zendingsbetrokkenheid van de gemeente, in brede delen van de kerk verdwenen; al valt niet te ontkennen dat aan die feesten ook een stuk familiaire knusheid zat.
Wil zending intussen echter een zaak van de gemeente zijn dan zal de prediking naar binnen en naar buiten appellerend moeten zijn. Lijdelijke prediking, met tanend of inperkend geestelijk leven, kan geen zendingsgemeente vormen. Is er dan tóch sprake van zending dan kan het wel eens zijn dat dat meer opkomt uit behoefte aan zelfbevestiging dan uit evangelische aandrift, uit bewogenheid om het geestelijk en sociale welzijn van mensen.
5. Ik eindig met de slotpassage uit Enklaars boek:
'Alle uiterlijke omstandigheden mogen zich tegenwoordig gewijzigd hebben, maar dit moet onwrikbaar vast blijven staan: Christus, de Heere van de kerk en van de wereld, wil aan de zijnen een opdracht toevertrouwen onder de mensen, in dienst van zijn Rijk; en waar die missionair diakonale taak ook moge worden uitgevoerd, overzee of thuis, en wat dat werk ook in concreto inhoudt, en in welk kader die taak ook zal moeten worden verricht, zij die in Christus' zendingsopdracht bezig zijn op het harde Horizontale vlak van deze wereld, mogen zich steeds ook gesteld weten in dat wonderlijke verticale krachtveld, dat Christus zelf door zijn Geest voor zijn gemeente in stand houdt.'
Zending zal, als het goed is, theocratisch zijn, Gods eer beogend in het tot het heil nodigen van mensen, en christocratisch: God regeert in Christus mens en wereld.
N.a.v. dr. I. H. Enklaar: Kom over en help ons; uitgave Boekencentrum, 's Gravenhage, 173 pag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's