De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Blijdschap in een wereld vol angst

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Blijdschap in een wereld vol angst

Kerst tussen hoop en vrees

12 minuten leestijd

Bekend is het boek van Ortega Y Gasset 'La Rebelión de les Massa'. Het werd in vele talen vertaald. In onze taal kreeg het in een vertaling van dr. J. Brouwer de titel 'De opstand der horden', waarvan ik de in 1962 verschenen twaalfde druk bezit (Uitgave H. P. Leopold, 's-Gravenhage). In dit boek probeert Y Gasset de levenssfeer van de twintigste eeuw mens te tekenen. Tegen de achtergrond van een uitspraak van Dante 'Versnel uw tred zolang de westerkim zich niet in 't duister hult' probeert Y Gasset 'het probleem van de hedendaagse mens naderbij te komen'. Hij doet slechts een eerste stap, omdat dieper er in door dringen en met meer gewicht erover spreken betekent: 'zich tot de gang naar de bodem van de afgrond moeten uitrusten, het duikerpak aandoen en neerdalen in de diepste diepten van de mens'.

Intussen geeft Y Gasset toch een doorkijkje, hoewel dan minder diep dan hij beoogde of zou willen, in de situatie van de moderne mens. Deze heeft ernstige gebreken die, zo men ze niet uitroeit, 'onverbiddelijk tot de vernietiging van het Westen zullen leiden'. Y Gasset spreekt dan namelijk over een hermetisch gesloten mens, die voor geen enkele hogere instantie, dus juist voor God niet, toegankelijk is.

Zonder God, zonder hoop

Wat is de mens zonder God? Zonder God in de wereld, is zonder hoop in de wereld, want zonder Christus in de wereld, zegt Efeze 2 (vers 12). Dat is het meest hopeloze van het menselijk bestaan. Het bestaan van de mens, dat aan de angsten is prijs gegeven. En als Y Gasset dat al tekent voor dat doel van de twintigste eeuw, waarin hijzelf bewust leefde, hoezéér zal dat dan ook niet juist vandaag van toepassing zijn. De moderne mens van de tweede helft van de twintigste eeuw is niet alleen niet toegankelijk voor God, maar weet in brede lagen van God vrijwel niets meer. En daarom is zijn bestaan ten ondergang gedoemd. Als ik hier het woord 'gedoemd' gebruikt, dan rijst direct op het allermodernste woord, waarin de crisis van de twintigste eeuwse mens het meest treffend verwoord is, namelijk het woord 'doemdenken'. Mensen, die mogen leven uit de Hand van Hem, die hen schiep, zijn vandaag onderworpen aan de machten die - mét het losmaken van Hem, die de Schepper is - ontketend zijn. Al sinds de 'val van Adam' is de mens de grote tegenspeler van God. Maar sinds die val is ook de mens een wolf geworden. Mensen zadelen elkaar daarom op met angsten en hebben geen weet meer van de angsten waaruit God redt (Psalm 107).

We zien het allerwegen om ons heen hoe de angst in de moderne wereld om zich heen grijpt. Waar gaat het heen met de wereld, gezien de massale vernietigingsmogelijkheden? In welk land zal het eerst de brandhaard naar buiten slaan? Afghanistan, Polen, Israël? Er is de angst om en vanwege de eenzaamheid. Angst staat op de gezichten van hen, die verzonken zijn in het moeras van de verslavende middelen. In massale demonstraties en acties komt de angst voor het onbestemde vaak naar voren.

Een cultuur in verval, zoals de Westerse cultuur toch is in het méér en méér afglijden van de waarden, die het christendom in het verleden bracht, mét het geloof in God als de drager en onderhouder van het leven, brengt de mens aan de randen van de hopeloosheid. Hij wordt een 'hermetisch gesloten mens', die de bevrijdende sprake van buitenaf, van God als Schepper van het leven, die ook in de Zaligmaker midden onder ons mensen kwam, niet meer kent.

Ik zou intussen niet willen zeggen, dat alleen het puur godloze leven angsten kent. Ook degene, die de aanraking van de Heilige Geest in zijn leven kent, weet van de menselijke geest, die heel wat aftobben kan, die ook niet klaarkomt met de raadselen van het leven, ook vaak niet met de vragen van het Godsbestuur. Ook de christen kent twijfel, aanvechting, angst! Ook het kind des Heeren kan aan diepe depressies ten prooi zijn. Maar in zijn leven is het nooit absoluut duister meer. God voert toch telkens weer uit angst en benauwdheid.

Angst en vrees

Toch is er in het leven van de christen, van diegene die niet hermetisch is afgesloten (al is ieder dat van huis uit wél voor God), maar wiens hart acht leerde geven op de sprake van de Geest en die zo in aanraking kwam met de levende God, toch nog iets anders dan het puur menselijke begrip angst, het geen uitzicht hebben, het zich aan eigen lot overgegeven voelen.

Het leven van de christen kent namelijk ook vrees. Vrees voor de Hoge en de Heilige, die in het Verhevene woont. Vrees voor de rechtvaardigheid Gods. Hoe vaak komt de vrees voor Gods Majesteit in de Schrift niet voor. Dat is iets anders dan angst voor een God, die grillig en onberekenbaar is en zo met ons handelt, maar vrees voor God, die récht heeft op ons leven en die we in al onze rechteloosheid leren kennen.

Het leven van de christen mag ook door de dood omvangen zijn, mag ook angsten kennen, waarin de mens van nature leeft, vanwege het door de zonde ontwrichte bestaan, dat doortrekt in alle verbanden van het leven, in de vréés ligt echter de huiver, de eerbiedige schroom tegenover de Heilige God, dat gaat dieper. De Schrift is daar vol van. Telkens ook echter vinden we in de Schrift het door God of vanwege God Zelf gesproken 'Vrees niet'. God Zelf verbreekt de vrees, zodat de mens naderen mag, dichterbij komen mag. Weliswaar met de schoenen van de voeten, zoals bij Mozes in het brandende braambos, maar dan toch zó, dat God Zich bekend maakt - zoals óók bij Mozes - als de God van Abraham, Izak en Jacob, de God van onze vaderen, de God van het Verbond.

Vrees en blijdschap

Het kerstevangelie proclameert dan ook intussen in hele tonen de blijdschap. 'Zie ik verkondig u grote blijdschap', zegt de Engel. Maar éérst zegt de Engel: Vrees niet! De blijdschap wordt verkondigd tegen de achtergrond van terechte vrees. Calvijn zegt bij de aankondiging in Lucas 2 van het heuglijke feit, dat het Woord in de Zaligmaker vlees geworden is (Lucas 2 vers 10), dat het niet anders kan of de Majesteit Gods moest de gehele wereld verslinden, als Hij niet 'de verschrikking, die zij met zich brengt, enigermate door zachtheid temperde'.

Voor velen is het Evangelie alléén blijdschap. Maar als de vrees voor de Heilige niet wordt gekend is de blijdschap ook geen blijdschap van verlorenen, die uit de dood tot het leven komen. Elke blijdschap, zegt Calvijn, die de mens zich inbeeldt, zolang hij geen vrede met God heeft en niet met Hem verzoend is door de genade van Christus, is ijdel en bedriegelijk. Vaak wordt de klacht gehoord, dat er in de kerk zo weinig blijdschap is en daartegenover wordt de 'blijdschap van het geloven' in bepaalde kringen sterk geacccentueerd. Alsof de christen niet ook elke dag met het kwade in zich en óm zich heen heeft te maken, niet elke dag de moeite van het menselijke bestaan ook mee doormaakt maar - en dat is het belangrijkste - alsof een oprecht christen ook geen weet zou hebben van God, die - buiten Christus - een verterend vuur is.

Maar - en dat is de andere kant - het christenleven, dat de blijdschap niet kent is geen christelijk leven. Toegegeven, ook het karakter van een mens legt gewicht in de schaal, en blijdschap kan ook 'gestolde vreugde' zijn, maar christenleven zonder blijdschap is een miskenning van de kerstproclamatie: Zie Ik verkondig u grote blijdschap!

Opnieuw Calvijn: Het begin der wezenlijke vreugde is daarom het gevoel van Gods vaderlijke liefde tot ons en dit alleen geeft rust aan het gemoed. En dit is een blijdschap in de Heilige Geest waarin volgens Paulus (Rom. 14 : 17) het koninkrijk Gods bestaat! De weldaad van die blijdschap is 'zo groot en onmetelijk' dat zij 'alle smarten en bezwaren en zorgen van dit leven rijkelijk vergoedt'.

Het christenleven is een leven tussen hoop en vrees. Tussen vrees voor de Heilige en hoop vanwege het Kind dat geboren is. Als de vrees ontbreekt wordt de blijdschap een opgelegde zaak. Als de blijdschap ontbreekt wordt het wezenlijke van de Kerstopenbaring gemist.

Naar de volkeren

Het kerstevangelie is intussen niet karig als het gaat om de blijdschap. Ze zal 'al den volke' wezen. Niet aan deze of gene maar aan het gehele geslacht van Abraham was Christus beloofd. De nazaten van Abraham beroofden zich echter van de hen rechtmatig toekomende vreugde, zegt Calvijn, door hun ongeloof. Zo roept ook God vandaag alle mensen tot het heil. Sinds door de Verzoening van Christus de middelmuur des afscheidsels verbroken is, is het Evangelie gekomen tot de ganse wereld. Christus verkondigt vrede aan hen die dichtbij en aan hen die veraf zijn (Ef. 2 : 17).

In de wereld van vandaag gaat kerst niet onopgemerkt. De wereld 'viert' het kerstfeest mee. Het leven wordt een paar dagen of zelfs een paar weken opgesierd, verguld. Maar achter de opgeschroefde feestdronkenheid van de moderne mens, die tegen beter weten in de angst verdringt, staat ook vandaag het kerstevangelie van de blijdschap midden onder de mensen. De 'hermetisch gesloten mens' van de twintigste eeuw mag weten dat er echte blijdschap is in Hem, die als Zaligmaker kwam. Een Zaligmaker met wereldwijde, zelf kosmische betekenis.

Geen blijdschap voor wie hermetisch gesloten blijft. Slechts angst en eenmaal de scepter van de Koning, onder welke een keer elke knie buigen moet.

Wel blijdschap voor het door de Geest geopende hart. En dan ook door alle angsten van de tijd heen en tegen de vrees voor de Heilige God in: onuitsprekelijke vreugde! Blijdschap, die aan de volkeren kenbaar wordt, omdat ze gekend wordt.

Deze kerstblijdschap, hoe verdonkeremaand menigmaal ook daar, waar ze overwoekerd wordt door de vrees voor de wet, breekt door onweerstaanbaar - als de Geest het uit de Zaligmaker neemt en het ons verkondigt. Leven zonder blijdschap, zonder Kerst, is geen leven.

Kohlbrugge zegt in een kerstpreek:

'Wij weten en ervaren, dat God in het verborgen ons ondersteunt, en door de invloeden van Zijn Heilige Geest staande houdt, en ofschoon wij het dan menigmaal zelf niet weten, wat wij in ons dragen en wie ons draagt, zo bekomen wij toch wel eens een moed-gevend reislied op onze pelgrimsweg, zodat ons de ogen van blijdschap in God overlopen, - en wij voelen ons dan het machtigst opgebeurd, als wij niet meer voorwaarts kunnen - en juist in de donkere nacht blinkt ons wel een ster Gods in de ogen, die ons toeroept: 'Weldra zijt zij er!' Eindelijk toch loopt alles uit op hemelse, eeuwige vreugde en heerlijkheid, en waar het met het kleine begint, daar komt het grote Gods en wij met het kleine groot worden.'

En Luther zegt bij Lucas 2 vers 6:

'Deze vreugde is niet alleen daarom groot, dat wij geëerd zijn boven alle engelen, daar de Zoon Gods, door wie alles geschapen is, de hoogste Majesteit, ons vlees en bloed aangenomen heeft, maar ook dat voor ons de Heiland geboren is. Dat geeft aan die blijdschap kracht. Het gaat toch ver over alle natuurlijke eer en vreugde heen, dat Hij, de mens Jezus, ook onze Heiland wil zijn. Deze woorden moesten hemel en aarde als in dank en lof oplossen, de dood voor ons tot enkel zoetheid, de talloze jammeren tot enkel kostbare wijn maken. Want waar is de mens, die dat kon uitdenken, dat de Heiland voor ons geboren en onze Heiland is? Zulk een schat toont de engel niet alleen aan zijn moeder, de maagd Maria, maar ook aan ons allen. 'U, zegt de engel, is de Zaligmaker geboren, welke is Christus, de Heere.' Dat woordje u moest ons recht vrolijk maken. Want met wie spreekt hij, met hout of steen? - Neen, maar met mensen, en niet maar met een of twee, maar met al den volke. Wat zullen wij nu daarvan maken? Zullen wij nu gaan twijfelen aan de genade Gods en zeggen: Petrus en Paulus mogen zich wel over de Heiland verblijden, maar ik durf dit niet te doen, ik ben een arm zondaar, deze edele en dierbare schat gaat mij niets aan! Wanneer gij zo wilt spreken: Dat gaat mij niet aan, dan wil ik vragen: wie gaat het dan wel aan? Is Hij gekomen voor de beesten? Want gij moet zien wie Hij is. Had Hij andere schepselen willen helpen, dan had Hij hun natuur aangenomen, maar Hij is geworden eens mensen zoon. De engelen hebben Hem niet nodig, de duivelen willen Hem niet, maar wij hebben Hem nodig, om onzentwil werd Hij mens. Daarom betaamt het ons, mensen, dat wij met vreugde Hem zullen aannemen, gelijk de engel zegt: U is geboren de Zaligmaker, als wilde Hij zeggen: 'deze geboorte is niet voor mij, ik mag van harte zingen, maar zij gaat u aan, u arme, verdorven, verloren mensen'. Reeds is het een grote en heerlijke zaak, dat God mens is geworden, maar dit overtreft alles, dat Hij onze geestelijke en eeuwige Heiland is. Die dit recht gevoelde en geloofde, zou kunnen zeggen wat de ware vreugde is, ja, hij zou van vreugde niet lang kunnen leven. Maar het is onmogelijk dat wij deze prediking hier op aarde volkomen verstaan of leren; want dit leven is te kort en ons hart is te zwak, het kan de grote vreugde niet begrijpen of vatten. Anders, zo het mogelijk ware dat ons hart die vreugde geheel kon bevatten, dan moest het van vreugde breken.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1981

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Blijdschap in een wereld vol angst

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1981

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's