De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Luther over Christus’ besnijdenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Luther over Christus’ besnijdenis

11 minuten leestijd

Op 1 januari 1531 preekte Luther te Wittenberg over de besnijdenis van Christus en die der joden.

Nieuwjaar 1531

Op 1 januari 1531 preekte Luther te Wittenberg over de besnijdenis van Christus en die der joden. Het was een nieuwjaarspreek, maar het woord 'nieuwjaar' of ook maar enige zinspeling daarop, komt in de preek niet voor. Voor zo ver wij konden nagaan bleek ons, dat het in die tijd nog geen gewoonte was om op nieuwjaarsdag een gelegenheidspreek te houden.

In ieder geval, Luther preekte die dag, heel gewoon over de pericope die aan de orde was, en dat was Galaten 4 : 4 vv., beginnend met de woorden 'Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet'.

In heel deze pericope komt het woord besnijdenis niet voor, en toch was dat het eigenlijke onderwerp waarover Luther in deze dienst preekte.

De band tussen tekst en onderwerp dat behandeld werd, was dan ook maar zeer losjes.

Luther placht nogal eens vrij om te gaan met zijn 'tekst'. Al moet hier wel aan worden toegevoegd, dat bij nader inzien er toch meer verband tussen beide aanwezig blijkt te zijn dan men eerst had vermoed.

Het is niet onze bedoeling in dit artikel een hele analyse te geven van de preek waarover het hier gaat.

Het gaat ons er slechts om enkele gedachten uit deze preek naar voren te brengen, die betrekking hebben op Christus' besnijdenis, een onderwerp waarover op of net na de kerstdagen nog al eens gepreekt wordt.

Instelling besnijdenis

Luther ziet dan allereerst er iets opvallends in, dat God bij de instelling van de besnijdenis Abram bevolen heeft niet alleen zichzelf en zijn (latere) kinderen te besnijden, maar ook al wat aan manvolk in zijn huis was, de ingeborenen en de met geld gekochten (Gen. 12:17 V.). Dat is geschied, zegt Luther, opdat de joden niet zouden roemen, dat zij alleen het volk Gods waren. Abrams knechten zullen heidenen geweest zijn, en toch werden ook zij, op Gods bevel, besneden. Ook hen nam God in genade aan; ook zij behoorden tot zijn volk. Vervolgens, in de besnijdenis zélf heeft Luther gezien een voorbeeld van de wijze waarop God altijd met ons pleegt om te gaan. Wat was belachelijker en dwazer dan de instelling van de besnijdenis! Naar de menselijke rede te oordelen, handelde God, met de instelling van de besnijdenis, dwaas. Abram had kunnen zeggen: Ben ik dan niet goed geschapen, dat er een stukje vlees van mijn lichaam weggesneden moet worden? Waarom heeft God mij dan niet anders geschapen, dat wil zeggen: zonder de voorhuid? Maar het is Gods werk nu eenmaal, wil Luther zeggen, om de menselijke rede te logenstraffen. Het geloof ziet op het bevel en het Woord Gods, en sluit de oren voor de argumenten van de rede.

Besnijdenis der joden

En dan komt ter sprake, hoe ook Christus de besnijdenis ondergaan heeft. Tussen zijn besnijdenis en die der joden ligt een afstand zo groot als die tussen hemel en aarde. De besnijdenis was gegeven aan hen die zondaren waren en de eeuwige dood schuldig waren. Dat geldt van de besnijdenis én van de Wet. Maar Christus was zonder zonde en Hij was een Heer der Wet. De Wet kon Hem niets maken. De Wet heeft alleen van doen met zondaren. Maar Christus was geen zondaar. En waarom is Hij dan toch gelijk andere, zondige, kinderen besneden? Op deze vraag heefl Luther een antwoord gegeven, zoals men alleen van hém kan verwachten. Hij zegt: De Wet heeft zich hierin aan Christus vergrepen. Wij zouden zeggen: zijn vingers gebrand. En nu zal hij, zegt Luther, zijn straf moeten dragen en moeten ophouden. Had Christus dat gewild, dan had Hij met geweld de Wet kunnen afschaffen en aan de kant zetten. Hij is immers de Heer der Wet, met Wie de Wet niets te maken heeft, omdat Hij zonder zonden is. Maar Christus heeft geen geweld willen gebruiken. Hij heeft de Wet afgeschaft met liefde en ootmoed.

Niet voor zichzelf

Voor zichzelf had onze lieve Heere Christus, zo vervolgt Luther, de besnijdenis niet nodig. Evenmin als het voor Hemzelf nodig was aan het kruis geslagen te worden. Hij deed het voor ons. Wij hadden nodig zulk een Man die zonder zonde was en voor ons de Wet vervulde en de toorn Gods stilde. Dat is de reden waarom Hij zich onder de Wet heeft gesteld. De overwinning die Hij op de Wet behaald heeft, schenkt Hij ons, opdat wij er gebruik van maken en voortaan, in Hem, tegenover de Wet staan, gelijk Hij zelf tegenover de Wet gestaan heeft, dat wil zeggen: ons niet meer door hem laten verdoemen. Wie zich houdt aan Christus met een waar geloof, die zal door Hem verlost zijn van hel en verdoemenis. En nu geven wij een heel citaat: "Let daarom op dit verschil, want daar is veel aan gelegen: Abraham moest onder de Wet en zich besnijden laten, want hij was een zondaar, en de Wet kon vanwege de zonde aanspraak op hem maken. Maar Christus is geen zondaar, behoeft zich derhalve niet onder de Wet te begeven, en toch heeft Hij zich wél onder de Wet gesteld: Hij deed dat opdat allen die zich met geloof houden aan Hem, door Hem van de vloek der Wet bevrijd zullen zijn."

Onder de Wet

Wat verderop in de preek gaat Luther nog wat breder in op het thema van de Wet. Immers, Christus is, zoals de tekst zegt, onder de Wet geboren.

De Wet vervloekt ons. Wij zullen dus, zegt Luther, iets anders, iets béters moeten hebben dan de Wet, willen wij troost hebben. De Wet houdt ons voor: Ge zult God liefhebben met uw ganse hart en uw naaste als uzelf! Daar komt echter niemendal van terecht. 's Mensen natuur is geneigd tot toorn, ongeduld, haat, nijd, enzovoorts. Er is niemand die gevolg kan geven aan de eisen van de Wet. En ook al deden wij zoveel als in ons vermogen is, dan nog zouden wij daarmee niet voor God kunnen bestaan. Ziehier, de reden waarom er Een gekomen is, te weten Christus, de Zoon Gods, die ver boven de Wet staat en veel groter is.

Hij heeft zich begeven ónder de Wet, om zo de Wet op te heffen. Hij is het die tegen de Wet kon zeggen: Wet, ge maakt niets klaar, ge maakt de mensen niet vroom, ge maakt de harten niet rein.

David en vele anderen hebben hun zonden beleden. Het is onmogelijk dat iemand zou kunnen zeggen: Heere, met mijn werk kan ik voor U bestaan.

De Wet houdt ons gevangen. Hij ontneemt ons alle vertrouwen dat wij op God dienen te hebben. Willen wij voor God kunnen bestaan, dan moeten wij iets hebben wat uitgaat boven hetgeen de Wet predikt. Namelijk de prediking van het Evangelie. Daarin laat onze lieve Heere Christus ons prediken dat wij vanwege onze zonden verdoemd zijn. maar ook dat Hijzelf, van Wie de Wet niets eisen kon, daar Hij zónder zonde was, toch zich onder de Wet gesteld heeft, en zich heeft laten besnijden, opdat Hij tot de Wet zou kunnen zeggen: Hoor eens, Wet, ge maakt Mij tot een knecht, terwijl Ik in werkelijkheid uw Heer ben; daarom zult ge voortaan Mij weer moeten dienen, en ge zult weer mijn knecht en gevangene zijn.

Overdracht

Dit recht nu dat onze lieve Heere Christus voor zichzelf op de Wet heeft, dat schenkt Hij mij en u! Hij ontneemt de Wet het recht dat hij heeft op ons als arme zondaren, Hij stelt ons in de vrijheid.

Zo hebben dan degenen die in Christus geloven, vergeving van al hun zonden, en de belofte van het eeuwige leven. Zij kunnen roemen en zeggen: De Wet helpt mij niet. Maar dit helpt mij, dat ik geloof, dat Christus besneden is. Want dat is geschied om mij, opdat ik een borg zou hebben, die voor mij in de schuld trad. Daarom wil ik mij troosten met zijn onschuld en zeggen: De Wet is lange tijd zo machtig geweest als een heer in de hemel. Want hij heeft ons mensen bij God aangeklaagd. En wij konden er niets tegen in brengen. Want er geschiedde ons geen onrecht. Maar nu is het omgekeerd! Want door de besnijdenis van Christus zijn wij van de vloek der Wet verlost. Ik wil niet mijn geweten sussen met mijn werken, b.v. mijn gehoorzaamheid; en daar wil ik mij ook niet op verlaten. Al mijn vertrouwen, al mijn troost en al mijn roem is alleen dit, dat Christus gehoorzaam, onschuldig en heilig is! En met dit vertrouwen en met deze hoop zal ik niet bedrogen uitkomen. Want Hij is een gewisse troost en een ware beveiliging. Eér ik deze troost had, meende ik dat ik de Wet moest vervullen en anders verloren zou zijn, maar nu weet ik, dat het voor mij en alle mensen onmogelijk is. Wij kunnen deze last niet dragen. Maar Christus heeft hem van ons op zich genomen. Toen Hij zich liet besnijden is Hij daarmee begonnen. Hij heeft de Wet vervuld, en dat is mijn troost!

Oude Adam

En nu zal ik mijn oude Adam meesleuren, om te doen zoveel als hij maar kan. Anders zou ik een geheel ongehoorzaam kind zijn. Maar wat hij niet kan, waarlijk dat stop ik weg onder de scherm die Christus is, en ik zal mij ermee troosten dat ik weet, dat hetgeen ik niet gedaan heb, mijn Heere Christus voor mij gedaan heeft. Met ons wordt het toch nooit wat; het komt nooit zo ver dat wij alles doen, wat wij doen moeten.

Christelijke gerechtigheid

Ziehier dan wat de christelijke gerechtigheid is. Dat ik mezelf ken als een arme zondaar, die nimmer de Wet kan houden. En toch vertwijfel ik daarom niet. Want ik zie hier, dat mijn Heere Christjjs zich over mij ontfermd heeft en dat Hij zich voor mij onder de Wet gesteld heeft en aan de Wet heeft voldaan.

Tweeërlei besnijdenis

Er is dus tweeërlei besnijdenis. De eerste is de besnijdenis die God Abram bevolen heeft. Tot op Christus' geboorte toe hebben de joden geleefd onder deze besnijdenis, te weten als onder een wét, die zij moesten gehoorzamen. Maar daar zijn zij niet door zalig geworden. Want niemand heeft ooit aan de Wet kunnen voldoen. Alleen daardoor wordt men zalig, dat men Christus heeft, die zich gesteld heeft onder de Wet en de vloek van ons weggenomen heeft. De joden nu, die dit hebben geloofd en die hun zaligheid verwacht hebben van het zaad (Messias) dat beloofd was, voor die is de uiterlijke besnijdenis een zegel geworden van de gerechtigheid waarmee zij voor God rechtvaardig waren - niet vanwege de besnijdenis, maar vanwege het geloof in Christus.

Feest der besnijdenis

Het gedenken van Christus' besnijdenis is derhalve een zeer troostvol feest. Wij leren op dit feest tot God te gaan en te zeggen: 'Heere, Gij hebt de joden de besnijdenis geboden, en Ge hebt de joden en ons allen geboden, dat wij U moeten liefhebben met ons hele hart en onze naaste als onszelf. Maar, lieve Heere, ik heb het helaas niet gedaan en ik kan het ook niet doen. Nu is mijn enige troost en nu is mijn enige scherm, waaronder ik mij kan verbergen, mijn Heere, uw Zoon, Christus Jezus; Hij heeft uw wil volkomen gedaan en zich onder de Wet gesteld als ware ook Hij een zondaar. Er was immers geen enkele andere reden waarom Hij zich, als andere kinderen, op de achtste dag heeft laten besnijden! Dit is geschied terwille van mij en alle zondaren, om het aan ons uit te delen en te schenken. Voor zichzelf heeft Hij het niet nodig gehad. Daarom eigen ik het mij toe en ik bid, dat U mij om zijnentwil genadig wil zijn en mij wil doen delen in zijn gerechtigheid en heiligheid. Geef dat ieder leert te vertrouwen op de heiligheid en onschuld van onze lieve Heere Christus.

Dan zal men niet dwalen. En dan zal noch zonde noch dood ons kunnen overwinnen'. En dan de laatste woorden van de preek: 'Dat geve ons onze lieve Heere Christus, Amen'. Aan deze woorden hebben wij niet veel toe te voegen. Zij spreken klare taal. Men vierde het Feest van Christus' besnijdenis, ook al viel het in 1531 precies op 1 januari. Het pericopenstelsel schreef voor, een preek te houden over Gal. 4 : 4 vv. Luther heeft zich daaraan gehouden. Het 'onder de Wet' uit Gal. 4 heeft hij verbonden met de geschiedenis van Christus' besnijdenis uit Lukas 2.

En dat alles leidde tot een rijke Christusprediking!

Daar kan men kerstfeest mee vieren, en, een paar dagen later, getroost het nieuwe jaar mee ingaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1981

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Luther over Christus’ besnijdenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1981

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's