Kerst 1981 tussen Komst en Wederkomst
ledere blik op de kalender herinnert aan het heilsfeit van Christus' geboorte.
ledere blik op de kalender herinnert aan het heilsfeit van Christus' geboorte. Niet alleen wanneer deze de datum 25 december aanwijst, maar heel het jaar door. Leven we in 1981, dan wil dat voluit zeggen: 1981 jaar (volgens overigens niet geheel correcte berekening) na de geboorte van Christus. Zó centraal staat in het christelijk geloof de vleeswording van het Woord. We tellen de jaren op en af vanuit de spil en het middelpunt van de geschiedenis, de komst van de Christus. Elk jaar is annus Domini, jaar des Heeren. De christelijke jaartelling wijst haarscherp de grenslijn aan met Israël dat nog altijd vanaf de schepping telt. Is er sedert de schepping een scharnier in de geschiedenis gekomen of niet? Wanneer we belijden dat de historie om de komst en het werk van Christus scharniert, wat betekent dat dan voor ons leven 'post Christum natum', na de geboorte van Christus? In de navolgende overwegingen sluit ik mij nauw aan bij uitspraken van de reformator Calvijn over de geschiedenis (vgl. H. Berger, Calvins Geschichtsauffassung, 92-110).
Volwassenheid
Sinds de komst van Christus is de Kerk tot de staat van volwassenheid gekomen. Augustinus (plm. 400) had reeds onderscheiden tussen de kinderjaren van de Kerk (saeculum juerile) en de mondigheid van de Kerk (sae culum virile). Calvijn sloot bij dat onderscheid aan. Heel de geschiedenis kan dan in twee grote perioden worden ingedeeld: die van het Oude en van het Nieuwe Testament. De maatstaf voor de periodisering van de geschiedenis is aan de Schrift te ontlenen en niet aan allerlei ontwikkelingen en kruispunten in de gewone geschiedenis. Elk geschiedenisboek kent zijn indeling in bijv. oudheid, middeleeuwen, nieuwe en nieuwste tijd enzovoort. Maar voor het geloof staan al deze en dergelijke onderscheidingen onder de beheersing van dé grote incisie, de beslissende inkeping, namelijk de verschijning van Jezus Christus in de volheid van de tijd. De profane geschiedenis is niet meer en niet minder dan de bedding van de heilsgeschiedenis. De gewone geschiedenis ontleent zijn zin en betekenis aan de grote daden van God zoals deze binnen die geschiedenis hebben plaatsgevonden. En deze heilsdaden vertonen een samenhang, een onderling verband als in een reidans. Er zijn onder het oude verbond verschillende momenten (Kairoi) aanwijsbaar die door het spreken en handelen van de HEERE van beslissende betekenis zijn geweest en heenstuwden naar de grote Kairos, de komst van de beloofde Messias. Te denken is bijvoorbeeld aan de zondvloed en het verbond met Noach, de roeping van Abraham, de uittocht uit Egypte en wetgeving bij de Sinaï, de terugkeer uit de ballingschap. In dit alles zien we de opgaande dageraad van het heil. We spreken van 'het voortschrijdend licht van de godsopenbaring'. We moeten daarbij echter niet te veel denken aan een geleidelijk evoluerend proces. Er is telkens schoksgewijze voortgang, verrassende wending, ongedachte ommekeer. De grootste verrassing is de doorbraak van de volle dag in de gekomen Christus. Nu is de Kerk tot volwassenheid gekomen. Ze behoeft niet langer de kleuterschool en basisschool te bezoeken, ze is ontslagen van haar tuchtmeester of pedagoog, de Wet. Ze staat nu in de vrijheid waarmee Christus haar vrijgemaakt heeft. Een vrijheid die overigens tot uiting komt in een wandelen als kinderen van het licht en niet van de duisternis.
Verkondiging
De belofte aan Abraham dat in zijn nageslacht alle geslachten van de aarde gezegend zouden worden, ging in vervulling door Christus' komst. Er trad een wending der tijden op, openlijk doordat nu de evangelieprediking tot alle volken kwam, verrassend gelet op de weg van afzondering die God aanvankelijk met Israël gehouden had en zo aanbiddelijk als een groot geheimenis (Col. 1 : 26). De doorbraak van de verkondiging vanuit Jeruzalem tot aan de uiterste einden der aarde is dan ook hét grote teken der tijden. Calvijn schrijft daarover in zijn commentaar bij Col. 1:6.
'Hiertoe dient ook, dat te dien tijd in de grote menigte der gelovigen gezien werd de vervulling van zovele profetieën, die het rijk van Christus van het Oosten tot het Westen uitbreiden. Is dit een klein behulpsel voor het geloof, dat men met ogen aanschouwt wat de profeten lang tevoren voorzegd hebben van het rijk van Christus, dat in alle landen der wereld zou verbreid worden? '
Dit inzicht geeft aan de verkondiging van het evangelie een zeer bijzondere klem en een geladenheid met laatste ernst. De prediking dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaars zalig te maken, brengt een appèl met zich waartegenover beslissingen vallen van eeuwige draagwijdte. Het komt er dan op aan in een vastberaden strijd om de zuiverheid van de verkondiging te volharden. Daarnaast is de verdere verbreiding van het evangelie van eminente betekenis. In de vaart van Gods handelen op weg naar de voleinding staat de verkondiging 'op de hoogte van de heilsfeiten' (vergelijk 1 Tim. 3 : 16).
Verdrukking
Toch valt de vervulling van Gods beloften in Christus' komst nog niet samen met de voleinding der tijden en de volkomen openbaring van het Koninkrijk Gods. Het is zelfs zo dat de Kerk in het laatste der dagen door veel verdrukkingen moet heengaan. De Antichrist zet tegenover Gods definitieve openbaring met de moed der wanhoop een imponerend tegenoffensief in. De tijd van het Nieuwe Testament is nu eenmaal enerzijds de tijd van de missionerende Kerk, anderzijds de tijd van de strijdende Kerk. De Kerk krijgt geen rust, mag hier en nu ook niet rusten, maar ziet met spanning uit naar de parousia van Christus, dat is Zijn verschijning op de wolken des hemels in onverhulde heerlijkheid.
De Kerk leeft in een brandend wereldhuis. Christus heeft een vuur op de aarde geworpen dat breed om zich heen grijpt. Wondertekenen geschieden er niet of nauwelijks meer. Het kleed van de tekenen heeft Christus afgelegd nadat het beslissende teken gegeven is: het Kind in de kribbe, de Man aan het kruis, het open graf, de zegenende handen bij Christus' hemelvaart, wind, vuur en talen van Pinksteren. Daar moet de kerk het mee doen en daar kan zij mee toe. Want temidden van de verdrukking weet zij zich gedragen en gesterkt door het Woord en bemerkt zij telkens weer de dynamiek en de dynamiet-kracht van het Woord, tot zaligheid voor een ieder die gelooft.
Verwachting
De oud-testamentische profeten onderscheiden niet tussen een eerste en tweede komst van Christus. In profetisch perspectief komt voor hen alles samen in de ene, grote dag van Jahwe. In nieuw-testamentisch licht treedt verdere spreiding op. Er wordt een brug van verwachting gespannen tussen de pijlers van het in Christus volbrachte werk en het door God voltooide Rijk. Maar de stem van de profetie moet ons er aan blijven herinneren dat de geschiedenis maar één scharnier heeft. Er is geen ruimte voor een derde rijk, voor een derde testament. Kerstfeest houdt het begin van het einde in. Of zoals Calvijn het zegt bij 1 Petrus 4 : 7.
'Verder moet men ook dit fundament houden, dat naardien Christus eens verschenen is, dat de gelovigen niets overig is, dan met verlangend gemoed altijd aandachtig te verbeiden Zijn tweede komst.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1981
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1981
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's