Globaal bekeken
Een brochure van de Deputaten voor het Werelddiakonaat van de Gereformeerde Kerken, getiteld 'De Palestijnen en de staat Israël', zorgde voor deining, vanwege de eenzijdige positie keuze in de kwestie Joden-Palestijnen.
Het Israël Comité Nederland richtte de volgende brief aan de genoemde deputaten:
'Met grote zorg, teleurstelling en ook verontwaardiging hebben wij kennis genomen van het persbericht in Trouw van maandag 7 december 1981 en vervolgens van de brochure zelf, die door het Algemeen Diakonaal Bureau is uitgegeven over: 'De Palestijnen en de staat Israël'.
O.i. is deze brochure dermate eenzijdig, dat het moeilijk wordt om er enig begrip in te ontdekken voor het Joodse volk, dat Zijn volk was en volgens Rom. 11:1 ook niet verstoten is.
Blijkbaar is het de schrijvers niet bekend, dat volgens het Handvest van de PLO het doel is: de vernietiging van de staat Israël. De terreurdaden van de PLO worden óf niet genoemd óf er wordt zeer vergoeilijkend over gesproken.
Wij vragen ons dan ook af, of deze brochure in overleg is geschreven met alle kerkelijke instanties die betrokken zijn bij het overleg over de zaken van het Midden-Oosten en de verhouding Joden-Palestijnen. Wij kunnen ons moeilijk voorstellen, dat dit de officiële visie is, die binnen de Gereformeerde Kerken aanbevolen zou moeten worden.
Wij verzoeken u dan ook dringend, de verspreiding van deze brochure stop te zetten of vergezeld te doen gaan van een aanhangsel, waarin ook andere meningen naar voren worden gebracht. Dat laatste zou pas echt een nadere bezinning op gang kunnen brengen (...)'
Dat de gereformeerde deputaten Werelddiakonaat een zó gekleurde brochure het licht deden zien, zonder vooroverleg met de synode van de Gereformeerde Kerken, roept de vraag op: zijn de Gereformeerde Kerken van het spoor af, dat men alles 'samen' doet, en wel op synodaal vlak en dan nog wel éénparig-gereformeerd; of is deze brochure inderdaad resultaat van éénparig-gereformeerde bezinning?
***
Er gaat een 'cabaret' door Nederland van Robert Long (liedjeszanger) en Leen Jongewaard (Ikon), onder de titel 'Tot hiertoe heeft de Heere geholpen'.
Een artikel in hetNederlands Dagblad leert ons het volgende:
'Long en Jongewaard hebben nu beiden ook een heilige alliantie gesloten en zijn een kruistocht tegen het christendom begonnen. Samen trekken ze het land door met een cabaret onder de titel 'Tot hiertoe heeft de Heere geholpen'. Bij de aanvraag van het programma krijgt het publiek rood-witblauwe vlaggetjes uitgereikt, want Robert Long en Leen Jongewaard vieren het bevrijdingsfeest van 1985, de bevrijding uit een christelijke dictatuur van EO-signatuur, de omverwerping van de dictatuur waaronder Nederland een aantal jaren heeft gezucht na een staatsgreep onder leiding van RPF-Tweede-Kamerlid Meindert Leerling. Een regime dat mensen ertoe bracht kameraden te verraden, een dictatuur waarin homo's werden gemarteld en omgebracht, waarin de kernbom zedelijk werd geacht en lichamelijke liefde tussen twee mensen niet; en waarin onder het aanroepen van Gods Naam de meest gruwelijke dingen werden gedaan en met bijbelteksten goedgepraat
Robert Long striemt - wat hij noemt - de huichelachtigheid van een bepaald soort christenen die menen God persoonlijk te kennen. En Leen Jongewaard roept op een gegeven moment uit: 'De Christenen zijn verslagen, hiep hoi!' 'De haatmachinerie komtgoed op gang.' Met deze slotopmerking van het N.D. Kunnen we ons goed verenigen.
***
Reeds enkele jaren bestaat er een comité 'Ontmoetingsdagen voor Protestants Christelijke Auteurs en Belangstellenden.' Dit comité geeft een eenvoudig orgaan uit, dat drie maal per jaar verschijnt, onder de titel 'Lectori Salutem'. Thans wil men komen tot een vereniging voor schrijvers en schrijfsters uit de Gereformeerde Gezindte.
Uit het laatste nummer van Lectori Salutem citeren we het volgende van de hand van E. Hofman:
'Zowel de aandacht en de zorg voor de literatuur in onze kringen laten echter te wensen over Dichters en schrijvers komen in de daarvoor in aanmerking komende bladen, tijdschriften, kerkbodes e.d. maar moeilijk aan bod. Er zijn zelfs redacties, die de verspreiding van verhalen en gedichten in hun kolommen boycotten en deze ook verder zoveel mogelijk proberen te verhinderen.
Met de zorg voor de uitingen op zichzelf is het ook droevig gesteld. Er is een woekering van allerlei vormen, rijpe en groene, goede en slechte. Er worden maar weinig duidelijke en vooral duurzame beoordelingen geschreven. Er is geen voortgaande literaire kritiek. Iets kan het ene ogenblik voor goed doorgaan en het andere moment afgebroken worden. Wil men iets doen voor literatuur die vanuit een gereformeerde achtergrond geschreven wordt, dan zullen er in deze toestand veranderingen moeten worden aangebracht. Er zal wat leiding moeten komen, die probeert richting te geven aan de ontwikkeling van gedachten en vormen. Zoals gezegd: Er ontstaat werk, er is een oogst, al is ze mager Het is de moeite waard de groei te stimuleren en ruimte voor de produkten te maken. Wij behoeven geen schuren te bouwen zonder dat er uitzicht is op een oogst.
Het is echter goed van meet af aan daarbij niet alleen te denken aan proza en poëzie, de eigenlijke literaire produkten dus. Het zijn vooral christelijke schrijvers (Gossaert, Van der Graft) die erop gewezen hebben, dat overal waar de Geest drijft tot het schrijven van geïnspireerde taal, in preken, beschouwingen e.d., deze in ruimere zin tot de literatuur gerekend kunnen worden. Wanneer wij het drijven van de Geest in Zijn wijde zin nemen, op de verschillende terreinen waarover Hij waait, dan is het een niet te loochenen feit dat wij wat te beheren hebben.
De vraag is: Hoe kunnen wij dat doen? Het antwoord hierop ligt voor de hand: Zoeken naar goede organisatievormen voor de schrijvers en dichters en het publiceren van goed werk zoveel mogelijk bevorderen.
In het verleden hebben zich organisatievormen ontwikkeld. Sedert er enige groei viel waar te nemen In het ontstaan van poëzie met een gereformeerde achtergrond, zijn de 'Ontmoetingsdagen voor protestants christelijke auteurs en belangstellenden' tot stand gekomen. Deze dagen hebben van het begin af een nuttige funktie gehad. Er zijn contacten gelegd, de schrijvers hebben elkaar beter leren kennen. Zij hebben zich bezig gehouden met bezinning op scheppend werk en op de eigen plaats binnen de Gereformeerde Gezindte. Nu, na enkele jaren van ontwikkeling, wordt het de vraag of deze vorm van organisatie nog wel de meest geschikte is om de literatuur in onze kringen te bevorderen. De ontmoetingsdagen zijn op den duur te vrijblijvend. Het contact is te vluchtig. Het verloop onder de bezoekers van de dagen is te groot. De deelnemers kunnen geen verplichtingen aangaan. Er kan dus ook geen consistent beleid gevoerd worden. De stimulerende impulsen die van de ontmoetingsdagen uitgaan, kunnen niet krachtig genoeg zijn. Een zorgvuldige begeleiding van de literatuur in de Gereformeerde Gezindte kan beter behartigd worden door een vereniging van schrijvers met een duidelijk omschreven doelstelling en werkwijze, vastgelegd In statuten, met verantwoordelijke leden, van wie men zeker is hen, wanneer ze niet beslist verhinderd zijn, op de bijeenkomsten te ontmoeten, en op wie vanuit de vereniging voor allerlei zaken een beroep gedaan kan worden. Na jaren van belangrijke initiatieven door de 'Ontmoetingsdagen' lijkt nu de tijd gekomen om een dergelijke vereniging In het leven te roepen.'
***
De Kontaktbrief van het Hervormd Werelddiakonaat noemt als thema voor de a.s. februari collecte t.b.v. het werelddiakonaat: 'Honger is onrecht'. Hier volgt de tekst van het betreffende stuk in het Kontaktblad:
'Het thema 'honger is onrecht' is door het hervormde en gereformeerde werelddiakonaat en de Stichting Oecumenische Hulp gekozen voor de komende zondag voor het werelddiakonaat (7 februari).
Tussen de 1 en 2 miljard mensen hebben dagelijks te lijden onder honger. Voor het grootste deel gaat het hierbij niet om hongersnoden die in onze nieuwsmedia grote aandacht krijgen, maar om de sluipende, maar evenzeer dodelijk gevaarlijke vorm die we ondervoeding noemen.
Gebrek aan een evenwichtig voedselpakket (m.n. eiwitten en vitaminen) betekent voor massa's mensen een verminderde weerstand tegen ziekten, gering uihoudingsvermogen en arbeidsprestatie en in de ernstige gevallen schadelijke gevolgen voor de intellectuele vermogens.
Recente schattingen geven aan, dat er elke dag in de hele wereld tussen de 100.000 en 200.000 mensen sterven ten gevolge van honger (direct en indirect). De meeste slachtoffers van de honger leven in de landen van Azië, Afrika en Latijns Amerika. Zij zijn niet het slachtoffer van noodlottige omstandigheden maar van structureel onrecht: ongelijke verdeling van inkomen, macht, grond, kennis, enzovoort.
Een ingewikkeld geheel van oorzaken, historische zowel als actuele, liggen hieraan ten grondslag: economische, politieke, commerciële en klimatologische.
De honger In de wereld is een zaak, die de christelijke gemeente aangaat. Het gaat hierbij immers om de beantwoording van de schreeuw om gerechtigheid en de Bijbelse opdracht, die wij in dit kader hebben. Daarom is dit onderwerp als thema voor de februarizondag.
***
Uitgeverij Boekencentrum te 's Gravenhage is van, jaar tot jaar zo vriendelijk om 'bevriende relaties' een boekje - met bijgevoegde nieuwjaarwens - toe te sturen over een Haagse kerkelijke zaak, of een kwestie, die in de omgeving van den Haag speelde. Dit jaar zond Boekencentrum een brochure van Sv. E. Veldhuijzen, met als titel 'De Paus van Scheveningen'. Uit dit lezenswaardige geschrift over ds. Petrus Paassen de Heer (1762-1840) geven we het volgende aan de lezers door:
'Wie zich verdiept in de historie van Scheveningen brengt zijn avonden door met het lezen van de Geschiedenis van Scheveningen, geschreven door de onderwijzer J. C. Vermaas. Een naam die in dat boek telkens weer opduikt, is die van Petrus Paassen de Heer, predikant, reder, regent, smokkelaar, maar bovenal Oranjeklant.
Petrus Paassen de Heer werd op 15 januari 1762 te Dordrecht geboren als eerste van de vier kinderen van Nicolaas Paassen, spekslager in de Wijnstraat, en Margaretha de Heer. Een broer werd meelhandelaar, een zuster trouwde een molenaar. Een neef was eerst koopman en werd op later leeftijd predikant.
De familie behoorde tot de hervormde staatskerk. Petrus - toen nog Pieter genoemd - deed in 1782 belijdenis en ging het jaar daarop naar Utrecht om bij professor Bonnet aan huis theologie te studeren. Heel vaak kregen zoons uit eenvoudige gezinnen de gelegenheid te studeren door een stipendium uit een fonds of door een gift van de stadhouder, zeker als de studie theologie was.
De jaren waarin zijn studie viel, waren woelig. Petrus had in politiek opzicht zijn keuze al gemaakt, hij was 'plus orangiste que Ie prince'. In 1786 vocht hij op straat met het legertje van de burgerwacht; een strafvervolging bleef hem door voorspraak maar net bespaard. In 1787 huurde Faassens club, de Opregte Utrechtsche Oratjje Sociëteit 'De Goede Trouw', Paushuize aan de Oudegracht. Utrechtenaren die het niet zo op stadhouder Willem V begrepen hadden, liepen voor het gebouw te hoop, gingen met stenen gooien en sloegen daarop de inboedel van oranjegezinden kort en klein.
In september van dat jaar haastte Paassen zich om het Pruisische legertje tegemoet te reizen dat uit Duitsland onderweg was om de stadhouder bij te staan. Een groep patriotten die onderweg gevangen waren genomen, werd meegevoerd. Paassen heeft - naar een niet onpartijdige ooggetuige meedeelde - deze gevangenen gesard en beledigd. Zijn privé-pesterijen vielen echter nog in het niet bij de behandeling die deze patriotten verder moesten ondergaan. Ze kregen brood, gebakken van meel dat nog van een vorige oorlog uit 1763 over was.
Van Utrecht werden ze vervolgens naar Wesel overgebracht en daar te voet aangekomen, drie aan drie geketend in de citadel opgesloten.'
Over Zijn predikantschap te Rijsoord en Noordeloos het volgende:
Voor Petrus Paassen de Heer waren de roerige jeugdjaren echter voorbij. Op 17 februari 1788 deed hij zijn intrede in de hervormde gemeente van Rijsoord, een dorp dicht bij Ridderkerk gelegen. De gemeente daar was ongetwijfeld sterk oranjegezind. Was niet het jaar daarvoor de kerkklok gebarsten van vreugde, toen ze bij het herstellen van de stadhouder was geluid?
Behalve zijn dienstwerk en een huwelijk begon Paassen de Heer in dat jaar ook met het aan-en verkopen van grond In en om Rijsoord en met het verstrekken van hypotheken. Dat hij dit financierde met kapitaal van zijn vrouw is, gezien zijn eenvoudige afkomst, hoogstwaarschijnlijk. Zeven jaar heeft Paassen in Rijsoord gestaan. Van de vervulling van zijn ambt weten we weinig, maar als we opnieuw een niet-onpartijdig rapport uit 1795 mogen geloven, heeft hij niet nagelaten in het dorp problemen te veroorzaken. Vijanden van het oranjehuis noemde hij, van de kansel af roepend, godverzakers en aterlingen; zij mochten geen catechisatie bij hem volgen en dat zij het avondmaal moesten missen, is welhaast zeker.
Rijsoord werd van hem verlost toen hij zich in 1793 liet benoemen tot veldprediker in het leger dat te veld was getrokken tegen de Pransen. Hij trok van leperen naar Luik, onderweg kinderen en soldaten dopend. Pas in maart 1794 keerde hij naar Rijsoord terug. Daar paste hij niet meer, nam een beroep aan van Noordeloos, in de Alblasserwaard, en deed daar in november 1794 intrede.
Vier maanden later had de revolutie Noordeloos bereikt; vier maanden die Paassen volgens onze eerder geciteerde rapporteur alleen maar gebruikt had om zijn gemeenteleden op politieke betrouwbaarheid te onderzoeken.
Nauwelijks bevestigd, riep hij in de oudejaarsdienst van 1794 zijn gemeente al op om hem te volgen, maar dan letterlijk. Op een paard reed hij die dag vooraan in een stoet die trok van Noordeloos naar Leerdam. Daar aangekomen, nam hij de leiding bij het stukhakken van het ijs in de Linge om zodoende de overtocht van de Fransen te bemoeilijken.
Terug in Noordeloos vormde Paassen één front met de heer van Noordeloos, Willem Hendrik van Barneveld, om de nieuwe orde te keren. Kandidaten voor de nieuw te vormen municipale raad trokken zich uit angst voor represailles terug; de raad die ten slotte gekozen werd, werd door Paassen prompt verjaagd uit de banken in de kerk die voor het gerecht bestemd waren. Zondag aan zondag wees hij de gemeente op het Franse gevaar; de zeden, de vrouwen, ja alles werd bedreigd.
Eind 1795 had Paassen de strijd toch verloren. Hij werd als predikant afgezet en begin 1796 trok hij weg, met meeneming van de kerkeraadsnotulen die hij uit het register had gesneden.
Paassen trok met zijn gezin in bij zijn stief-schoonvader Gerrit van Arkel te Utrecht en begon - ambteloos - een rechtenstudie.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's