Modern atheïsme
De discussie rondom het voorontwerp van de anti-discriminatiewet is opeens in volle gang.
De discussie rondom het voorontwerp van de anti-discriminatiewet is opeens in volle gang. Op overrompelend snelle wijze is er brede maatschappelijke aandacht voor deze wet gekomen. De wet, die de discriminatie van bepaalde groepen in de samenleving beoogt tegen te gaan, kreeg ferme tegenkanting van de zijde van de Evangelische Omroep, de Evangelische Alliantie, de Evangelische Hogeschool. Zal het christenen, die, vanwege de overtuiging van hun geweten, niet alle verschijnselen als gelijkwaardig (voor God) kunnen erkennen, in de nabije toekomst onmogelijk zijn een eigen gedragslijn te volgen als het gaat om beleid bij benoemingen (in ziekenhuizen, op scholen, in christelijke organisaties)? Moeten de christelijke minderheden straks onder het juk van een intolerante meerderheid, die van God nóch gebod weten wil, door? Want duidelijk is, het christendom is van meerderheid tot minderheid aan het worden. En dat zal consequenties hebben. De huidige generatie van niét-christenen of gewezen christenen verwijt de christenen van een nóg-niet-zo-vér verleden dat ze hen, die niet in God en Zijn gebod konden geloven, de duimschroeven hebben aangedraaid en hen in de hoek hebben gezet, waar de klappen vallen. Thans keert het getij! De niet-christelijke meerderheid gaat thans de christelijke minderheid - naar het schijnt - onder druk zetten.
Hoe te reageren?
De vraag is nu maar hoe we als belijdende christenen, óók als gereformeerde christenen, op één en ander zullen reageren. Het is goed, dat allerwegen vanuit gemeenten en organisaties één en ander ondernomen wordt om er bij de regering op aan te dringen, dat de vóórgenomen wet nooit wét wordt. Aanneming van die wet zal immers sterke vrijheidsbeknotting betekenen van diegenen, die vanuit de vreze des Heeren willen leven, en die deze vreze des Heeren niet tot de binnenkamer willen beperken maar er ook gestalte aan willen geven in het geheel van de samenleving.
Gelukkig worden in allerlei verbanden thans activiteiten ondernomen om naar den Haag toe iets te doen. Mij bereikten dezer dagen diverse telefonische en schriftelijke reacties: hier moet iets gebeuren! Inderdaad moet er iets gebeuren en er gebeurt reeds veel. Maar er gebeurt toch nog te weinig. Moeten we niet eerlijk zeggen, dat velen ook in deze tijd met een boekje in een hoekje kruipen - als dat nog maar gebeurt - en dat men de ontwikkelingen in de samenleving laat voor wat ze zijn? Het zal onze tijd wel duren? Alsóf het onze tijd nog duren zal! Vóór we het weten zitten we in het dwangbuis van de moderne atheïstische moraal. Vóór we het weten zijn we overgeleverd aan de verdraagzaamheid der ónverdraagzamen.
Te wapen, zouden we willen zeggen. Te wapen met de wapenrusting van Efeze 6: ook vandaag geschoeid met de bereidheid van het Evangelie van de vrede; ook vandaag het zwaard des Geestes, hetwelk is het Woord van God: Ook vandaag hebben we nodig het schild van het geloof, waarmee we de vurige pijlen van de boze kunnen uitblussen.
We hebben deze wapenrusting vandaag méér dan ooit nodig.
Diegenen, die Israël en de God van Israël honen, rukken op. In demonstraties en acties komt dat tot uitdrukking. Het gebouw van de Evangelische Omroep, was mikpunt van demonstraties door homofielen. Voor het gebouw van de Vrije Evangelische Gemeente in Hilversum werden honderden autobanden doorgesneden, door diegenen, die gelijke rechten vragen in de samenleving als anderen, die als 'normaal' worden betiteld.
Hoe is onze reactie dan? Als we al te stevig tegen deze antidiscriminatiewet ingaan, in die zin, dat we alles toespitsen op de categorie van hen, die met een homosexuele geaardheid (écht) moeten leven, dan kan het zijn, dat we in ons verzet tegen deze wet juist de discriminatie van deze groep bevorderen, hier velen zijn die - juist vanwege hun geloofsovertuiging - in grote nood zijn. Ook in de strijd tegen deze wet, die nu in voorbereiding is, past voorzichtigheid. Met name pastorale voorzichtigheid.
Thans beleven we echter een tijd, dat de (onchristelijke) sociale moraal hun - ongeacht hun strijd - de ruimte geeft. De wet, die in voorbereiding is, legaliseert dat al. Maar diegenen, die er thans moeite mee hebben om één en ander christelijk te integreren, zijn in de nabije toekomst, het kind van de rekening.
Laten daarom kerkeraden, christelijke organisaties, evangelische verbanden weliswaar de deuren van de Haagse gebouwen kapot beuken maar laten ze het zó doen, dat naast het gebod Gods ('Zo spreekt de Heere') ook het gebod van de liefde tot de naaste voluit meetelt. Het is mij bekend, dat in allerlei gemeenten thans iets ondernomen wordt ten aanzien van de voorgenomen wet. In bepaalde gemeenten worden door de kerkeraad handtekeningenacties georganiseerd. Laat het dan inderdaad gebeuren zónder steun van landelijke verbanden. In de plaatselijke gemeente zal moeten blijken waarvoor men staat.
In ieder geval: vóór 1 februari is de datum, waarvoor men bij het ministerie van C.R.M, in den Haag reageren kan. Waarvan acte! Laten we - in plaats van elkaar te bestrijden op, in het licht van de apocalypsis gezien, ondergeschikte onderdelen - elkaar helpen en bemoedigen en samen ons aangorden in de strijd tegen hen, die de God van Israël honen.
En tóch
Toch zijn we er niet, wanneer we ons keren tegen de voorgenomen nieuwe wet. De Godsvraag staat namelijk levensgroot voor ons. Wij bestrijden - terecht - diegenen, die zich keren tegen Gods geboden. Maar wanneer we dan spreken over mensen, die willen weten 'van God noch gebod', dan lopen we het gevaar, dat we op het gebod de volle nadruk laten vallen en niet op de God van het gebod. Hoe kan men Gods gebod echter (willen) nakomen wanneer men God niet kent? God gaat voorop en Zijn gebod volgt. De dienst aan God is immers een vreugdedienst. Het gaat om de vreugde van de wet.
Ons bedreigt - in de huidige discussies over de antidiscriminatiewet - het gevaar, dat wij God in ons bezit menen te hebben, omdat we naar zijn geboden leven.
Maar God neemt eerst mensen in bezit, door Zijn genade. Zij gaan naar God vragen en gaan ook vragen naar het hoe, betreffende het leven naar Zijn geboden. God is Zijn wet altijd vooruit. Wanneer de wet namelijk God voortuit is dan worden we een zouteloos christendom.
We mogen moderne mensen van vandaag - dunkt me - niet tegenkomen met een wet om in God te geloven. We mogen hen tegenkomen, liever vóórkomen met God, die mensen tégenkomt en hen opneemt, draagt in Zijn genade.
Het geloof in God is ook voor de gelovigen niet vanzelfsprekend. Hoe hebben de Psalmisten er niet mee geworsteld.
Psalm 10: 'O Heere, waarom staat Gij van verre? Waarom verbergt Gij u in tijden van benauwdheid?
Psalm 14: 'De dwaas zegt in zijn hart er is geen God.' Terwijl de Heere zocht of er iemand verstandig was, die God zocht, moest het antwoord zijn: 'tezamen zijn zij stinkende geworden, er is niemand die goed doet, ook niet één.' Hetzelfde vinden we terug in Psalm 53.
Wij mensen (van nature) zijn niet zo op God aangelegd. We zijn vervreemd van het burgerschap Israels. We zoeken God niet. Maar God laat zich wél vinden, namelijk door hen die naar Hem niet hebben gevraagd. Daarom probeer ik in de rauwe kreten van moderne godlozen toch de hunkering naar God te verstaan, hun schreeuw naar God op te vangen, hoezeer ook verhuld in eigentijdse termen, in de taal van vandaag. J. H. Donner, de grootmeester in het schaken, pleit - in een NRC-bijvoegsel over de godsdienst, 19-12-'81 - voor een ontwerp 'voor een nieuw atheïsme'.
Ik zou willen dat Donner God als God ontmoette; daarom niet in het atheïsme, maar in het Aangezicht van Christus, die gisteren en heden dezelfde is 'tot in alle eeuwigheid'. Via een nieuw atheïsme verlangt Donner: '... misschien dat later, veel later, over eeuwen God zal terugkeren om werkelijk te kunnen zijn: alles in allen.'
Voor mij is dit de schreeuw van een (nieuwe) roep om God, hoezeer ook ingekaderd in een vraag van (nieuw) atheïsme.
Tijdens het oude atheïsme, toen Nederland nog min of meer een christelijke natie was, liepen atheïsten door Amsterdam met blasfemerende spandoeken.
Nu lopen atheïsten door onze maatschappij met blasfemerende boeken, tijdschriften, artikelen. Daartussenin zullen we toch de schreeuwers naar God moeten zoeken. En intussen rijst de vraag: waar is de realiteit van het Godsbestaan in de christelijke gemeente? Óók in de christelijke gemeente kan het zicht op God verduisterd zijn.
Óók in de christelijke gemeente kan God - hoezeer ook in een oprecht geloof ervaren - verre zijn.
Óók in de christelijke gemeente kan God wél Zijn wet hebben gegeven maar in de beleving van Hemzelf vandaag vragen open laten.
Als we als christelijke gemeente de Godsvraag vandaag elimineren zullen we aan het Godsantwoord niet toekomen.
Een nieuw atheïsme, in de wereld gepropageerd, vraagt vandaag om een nieuwe spritualiteit, een doorwerking vanuit de Geest, die (ook vandaag) levend maakt en op de rechte wijze wapent tegen het honen of ontkennen van Israels God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's