De roeping van de kerk in een tijd van angst
(...) het huidig tijdsgewricht vooral te zien als een tijd van angst.
Het is altijd gemakkelijker een tijdperk dat vér achter ons ligt te typeren dan de tijd die men beleeft.
Men is immers te veel kind van zijn eigen tijd, staat daar te zeer midden in om die goed te kunnen overzien. En zulk een overzien is noodzakelijk om een bepaalde tijd te kunnen karakteriseren.
Bovendien draagt elk tijdperk een min of meer complex karakter. Er zijn steeds meerdere stromingen en bewegingen. Niet zelden zijn deze geheel tegenstrijdig en botsen zij op elkaar. In de 'gouden eeuw' bijvoorbeeld waren bepaald niet alle toestanden van 'goud'. Ik denk daarbij onder meer aan de sterke bevoogding van de kerk door de overheid en aan de slavenhandel.
Er moet dus wel een dominerende karaktertrek van een bepaalde tijd zijn willen wij met enig recht en met een vrij grote mate van juistheid die tijd karakteriseren.
Ik meen dat wij dit kunnen doen door het huidig tijdsgewricht vooral te zien als een tijd van angst. Hierop kwam ik, doordat mijn aandacht gevestigd werd op een in 1978 verschenen studie van Jean Delumeau met als titel: 'La peur en Occident'. Naderhand bleek me, dat dr. K. H. E. Gravemeyer in een preek, gehouden op 5 mei 1963 in de Marekerk te Leiden - dus al weer 19 jaar geleden - op een zelfde wijze onze tijd kenschetste.
Dreigingen
Er zijn vele dreigingen. Zij zijn er altijd geweest. Maar de dreiging van een totale vernietiging van alle leven op aarde is er niet eerder geweest. Het is dan ook heel menselijk en begrijpelijk, dat de harten vervuld zijn van angst. Angst voor het onbekende en onbestemde. Angst voor de toekomst.
Aan de vooravond van de algehele ineenstorting van het Duitse rijk in 1918 publiceerde Oswald Spengler zijn 'Untergang des Abendlandes', geschreven vanuit de stellige overtuiging, dat er geen toekomst meer is voor onze west-europees-amerikaanse beschaving. J. Huizinga gaf in 1935 zijn 'In de schaduwen van morgen/een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd' het motto van Bernard van Clairvaux mee: 'Habet mundus iste noctes suas et non paucas'. En ergens schrijft hij, na gesteld te hebben, dat er nimmer een terugkeer naar het verleden mogelijk is: 'Er is enkel vooruit, al duizelt het ons voor onbekende diepten en verten, al gaapt de naaste toekomst als een afgrond in nevel gehuld' (5e druk, blz. 12).
H. Brugmans schrijft aan het eind van zijn 'Crisis en roeping van het Westen' - verschenen in 1952-: 'De tweede helft der Twintigste Eeuw zal de tijd zijn van onze Babylonische ballingschap, van gelijkschakeling en vernietiging - of die van onze bekering' (blz. 640).
Bekering uitgebleven
Inmiddels is de eerste helft van de tweede helft van de twintigste eeuw al ruimschoots verstreken. Bekering is uitgebleven, daarom staren ons woorden als: vernietiging, afgrond, Untergang, des te dreigender aan. 'Wij zijn bang, wij zijn bang', scandeerde een groep tegen de kernbewapening betogende vrouwen op het Binnenhof onlangs. Erg verwonderlijk is dat niet. Hoopgevende ontwikkelingen zijn er niet of nauwelijks in het wereldgebeuren. En wanneer wij ons, zoals wij hier zijn, eerlijk zouden uitspreken, zouden ook wij wellicht uiting geven aan onze diepe bezorgdheid niet alleen maar ook aan onze grotere of kleinere angst. Want wie is in staat die in eigen kracht buiten de deur van zijn eigen hart te houden in deze onheilvolle tijd?
In het licht van dit alles kan het moeilijk verbazing wekken, dat het verzet van de kerken tegen het bezit en het gebruik van kernwapens gedragen wordt door een ondertoon van angst. Het is nu mijn bedoeling niet in te gaan op de gehele problematiek van de kernbewapening. Daarover is en wordt voortdurend geschreven. Denkt u maar aan de recentelijk verschenen 'Open Brief' vanwege het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond, waaraan anderen adhesie betuigden en waarin een eenzijdige ontwapening van de hand wordt gewezen. Hoe verleidelijk het ook is op deze zaken nu nader in te gaan, ik tracht die verleiding te weerstaan en op een heel ander aspect te wijzen. En dan vraag ik: is het verantwoord, dat een synode, zijnde de breedste vergadering der kerk, meedoet aan, ja vooroploopt in het angst en paniek zaaien onder ons volk? Mag de kerk de mensen nog nerveuzer en angstiger maken dan zij toch al zijn? Is dat haar roeping? Ik ontzeg haar allerminst het recht te wijzen op dreigingen en gevaren. Ook als die komen van de kant van politieke ontwikkelingen en een bewapeningswedloop. Maar zij dwaalt naar mijn overtuiging zeer, als zij - bij alles wat zij verder bepleit - nalaat te wijzen op hetgeen ook en juist in een tijd van angst houvast biedt. De mensen zijn niet wezenlijk, nog niet half geholpen, wanneer zij al beter en beter geïnformeerd zijn over hetgeen ons bedreigt. Ook onder deze bedreiging gaat het leven elke dag verder. Hoe moeten wij leven? Hoe moeten wij ónder de bedreigingen leven? Hoe moeten wij mét deze bedreigingen leven? Is er een weg om onder en met deze bedreiginen tóch zonder angst te leven? Op deze vragen geven de kerkelijke vergaderingen geen antwoord. En daardoor laten zij de mensen in de kou staan en bevorderen zij alleen de verlamming door de angst.
Angst en paniek
Het komt mij voor, dat de angst veel dieper wortel heeft geschoten in onze generatie dan wij doorgaans vermoeden. Angst leidt gemakkelijk tot paniek. Paniek tot chaos, waarin niemand meer rekening houdt met niemand. Zouden de zedelijke verwording, het vandalisme, het indifferentisme niet mede voortspruiten uit de angst? En eveneens het verregaand egoïsme en de genotzucht? Want als de ondergang morgen komt, laten we vandaag dan nog eten en drinken en vrolijk zijn! Het zou mij niet verwonderen, wanneer achter het om zich heen grijpend verschijnsel van het 'samenwonen' de angst schuil gaat en eveneens achter het steeds meer opdringend verschijnsel van de homosexualiteit. In het ene geval speelt wellicht de angst voor een duurzaam verband parten, in het andere de angst zich te geven aan iemand van het andere geslacht. Let wel, het is meer vragenderwijs dan stellenderwijs dat ik deze dingen noem. Zou den soms ook rassendiscriminatie en de groeiende intolerantie in een aantal gevallen niet mede gevoed worden door angst? Angst voor mensen van andere ethnische en culturele herkomst, angst het eigen standpunt critisch te bezien en te toetsen aan het standpunt van een ander en de gegevens aangedragen door een ander? Zou misschien de economische crisis ook veroorzaakt worden door een zeker defaitisme bij de ondernemers? We zouden nog veel meer vragen kunnen stellen. Maar dit moge genoeg zijn, om over een heel aantal verschijnselen van onze tijd na te denken als mogelijke geesteskinderen van de angst.
Ondergangsstemming
Ook al zou u mij in mijn zoeken en tasten niet kunnen volgen, dan ben ik zo vrij te veronderstellen, dat u het met mij eens bent, dat velen, ouderen en vooral jongeren (niet voor niets komen zo veel jongeren ertoe te vluchten in de drugs en te vluchten uit dit leven, omdat zij de zin er niet meer van zien) zó in de ban van de angst verkeren, dat een ondergangsstemming hen heeft bevangen. 'Voor mij hoeft het niet meer', 'ik zie het niet meer zitten' zijn steeds méér gehoorde uitingen van mensen zonder uitzicht.
Moeten wij dit nu zo maar laten begaan? Moeten wij doen alsof dit niet de werkelijkheid is voor velen? Moeten wij doen alsof er niets aan de hand is? En dus maar 'gewoon' verder gaan? Met deze 'wij' bedoel ik in de allereerste plaats u en mij hier, ons, gereformeerd gezinde predikanten in de Hervormde Kerk.
Reeds nu zeg ik: nee, wij mogen volstrekt niet doen alsof er niets aan de hand is, wij mogen niet in ons ambtelijk werk bezig zijn alsof we leven in het jaar 1882 of 1910. We zullen ons terdege rekenschap moeten geven van deze onze tijd. De Heere God geeft ons nü en hier te leven en te werken.
Evenwel is het zo, dat als wij ons beijveren het medicijn te vinden en te geven aan de mensen die door de grote Herder aan onze zorgen zijn toevertrouwd, het medicijn tegen de angst en het daaruit voortspruitend lijden van onze tijd, dan zullen wij dat doen in een zekere mate van eenzaamheid en zonder de steun van de officiële kerk.
Het spreken van de kerk
Eerder al stelde ik immers, dat het spreken van de kerk in het openbaar, de angst eerder aanwakkert dan bestrijdt. De kerk is voor het merendeel in de greep van de tijdgeest. Tot 1940 hadden we een zwijgende synode. Maar dat zwijgen was beter, mij althans liever, dan wat wij de laatste jaren van haar horen. De kerkelijke sanctie verleend aan een theologiebeoefening vanuit marxistische principes heeft mij niet alleen vervuld met ontzetting, maar mij eveneens duidelijk gemaakt hoe ver wij van huis zijn, dat wij de eerste jaren niets goeds meer te wachten hebben van de synode en dat wij nog meer barre en boze dingen zullen beleven, die ons wellicht in een isolement zullen drijven.
Hoe komt het toch, zo kunnen wij vragen, dat de synode als breedste ambtelijke vergadering van onze kerk, onmachtig, misschien zelfs wel onwillig is bemoedigende en hoopvolle woorden te spreken?
a. In de eerste plaats kunnen wij nog maar nauwelijks overzien hoe zeer de theologie van de overheersende midden-orthodoxie gedurende de laatste dertig jaren verschoven is. De menselijke ervaring is zo ongeveer normatief voor het duiden van de gegevens van de Schrift. Een objectieve Goddelijke openbaring wordt niet meer erkend. Terzake van het thema van deze morgen kon in 1949 in 'Fundamenten en Perspectieven van Belijden' (toch bepaald niet een klassiek gereformeerd belijdenisgeschrift) nog geschreven worden: 'Alle dreigende machten zijn slechts werktuigen ter verhaasting van Gods beloften. Daarom mogen wij, temidden van de chaos der dingen en het woeden der volkeren, leven zonder angst en bidden met een groot verlangen en een diepe rust: 'Kom Heere Jezus, ja kom haastig!' (art. 14). Het synodale geschrift 'Klare wijn' (1961) evenwel rekent af met de gedachte dat de Heere Christus persoonlijk wederkomt en al wat de Schrift ons hierover predikt wordt tegenwoordig gemakkelijk afgedaan met de opmerking, dat dit slechts 'apocalyptiek' is.
b. Daarbij komt, dat er een overspannen verwachting is van het geschiedenisproces. De geschiedenis zou het heil brengen. Het komt in de weg van evoluties en revoluties. Daarom wordt de mens opgevorderd tot de hoogste activiteit. Vandaar de sympathie voor bevrijdingsbewegingen en de steun eraan vanuit de kerken. Want die brengen bevrijding, die brengen heil! Op deze wijze komt het Koninkrijk van God! Hiermee hangt samen heel het moderne vrijheidsdenken. Hebt u ooit de stem van de kerk gehoord tegen het moderne streven naar 'bevrijding van het verleden', zoals dat gestalte krijgt in abortus en euthanasie, vrije liefde, feminisme en wat hier meer te noemen zou zijn? Integendeel. Ook via de kerkelijke publiciteitsmedia kunnen de vrijheids-ideologen met hun dwalingen, dwaasheden en kortzichtigheden voluit hun gang gaan. Zij doen het met niet aflatend gedram. Maar: als het heil binnen de horizont van de geschiedenis ligt en als de mens moet meehelpen het te realiseren, geeft dat wél een geweldige spanning, die heel licht kan worden tot angst, dat het ons helemaal uit de hand loopt.
c. In de derde plaats wijs ik erop, dat in het hedendaags theologiseren de almacht van God beperkt wordt tot de overmacht van Zijn liefde. Van de aseïtas Dei wil men niet meer weten. God is de bondgenoot-God, die gewoon niet zonder de mens kan. En Zijn almacht is, dat Hij Zijn overmachtige liefde steeds doorzet. Het is dan niet goed in te zien hoe God Heer blijft over de machten in de geschiedenis. Hoe anders ligt dit b.v. bij Luther, die zo nadrukkelijk stelt dat God de geschiedenis maakt, waarvoor Hij zich bedient van mensen, die Hij als Zijn 'maskers' gebruikt.
In onze gemeenten
Nu keer ik terug tot de vraag, wat ons als predikanten in prediking, catechese en pastoraat staat te doen, in de wetenschap, dat wij het officiële spreken en handelen van de kerk en namens de kerk (denkt u aan een ellendig instituut als de Ikon) tegen hebben en het moderne theologiseren tegen hebben. Wat is onze roeping in deze tijd van angst?
1. In de eerste plaats meen ik, dat het nodig is dat wij onze tijd goed kennen. Wij komen wel met veel mensen in contact, maar leiden toch een wat beschermd bestaan. U zult (evenals ik zelf) weinig of nooit in schouwburg en bioscoop komen, niet veel uren besteden aan TV kijken, misschien ook weinig moderne literatuur lezen. Maar deze dingen oefenen grote invloed uit op ons volk en dat gaat onze gemeenten niet voorbij. Dat moeten wij wel bedenken. Onze jonge mensen zitten daar op school, in militaire dienst en op hun werk midden in. De moderne tijd vreet aan hen evenals aan de ouderen. Onze gemeenteleden moeten dagelijks verkeren in een geheel of nagenoeg geheel geseculariseerde maatschappij, waarin de anti-goddelijke en antichristelijke tendenzen onophoudelijk toenemen. Het lijkt me, dat wij dit te weinig beseffen. Dat we te weinig ons realiseren hoe godloos het leven is. En laten we ons niet verbeelden, dat wij deze stroom kunnen keren met 'de Waarheidsvriend' of, het 'Gereformeerd Weekblad' of 'Het gekrookte Riet'.
2. Wanneer ik ervoor pleit dat wij onze tijd zullen kennen is dat opdat wij met een door Gods Geest verlicht verstand zullen weten waar vandaag de dag de bressen geslagen worden. Daar moeten wij zijn. Daar moeten wij strijden. Daar moet de waarheid Gods worden toegepast, vermanend en vertroostend. Daar moeten wij belijden en lijden. Dat houdt in, dat wij voortdurend grondig zullen studeren in de Heilige Schrift, de belijdenis en de klassieken van de kerk der eeuwen. Dat is niet alleen noch in de eerste plaats een intellectueel bezigzijn, maar een persoonlijk zich stellen voor Gods aangezicht met waarachtige schuldbelijdenis en bede om ontferming. Want wij hebben allen gezondigd en leven kunnen wij alleen van Gods erbarmen. En 'onze' gemeenten en 'onze' organisaties zijn in zichzelf niets beter dan wie ook. Laten wij bevreesd zijn voor vormendienst. Voor cliché's. Voor oppervlakkigheid. Voor vanzelfsprekendheden. Voor dorre herhaling. Maar laten wij ernaar staan in de omgang met de levende God genezen te worden óók van de angst. En laten wij ernaar staan dit medicijn door te mogen geven.
3. Is er dan een medicijn? En zo ja, wat is dat dan? Laat ik daarvan nog iets mogen zeggen naar aanleiding van een Schriftgedeelte, dat mij dezer dagen zeer getroffen heeft. Ik heb op het oog, dat machtige hoofdstuk 41 van de profetie van Jesaja. Daarin wordt getekend hoe de volkeren beven en sidderen vanwege het optreden van Cyrus, al wordt deze daar niet met name genoemd. Maar deze perzische vorst verslaat de ene tegenstander na de andere en behaalt overwinning op overwinning. Geen wonder dat met name de mensen in het rijk van Babel zich afvragen waar dat op uit moet lopen. Een tijd van angst. Temidden van dat alles klinkt de stem van God de Heere bij monde van de profeet: vreest niet, ik ben met u! En het wordt in alle toonaarden bezongen hoe die grote God van Israël deze ontwikkelingen leidt en stuurt. Hij die de eerste is en de laatste. En ondanks alle schuld van de kant van Israël, dat niet meer is dan een volkje, een wormpje, staat de Heere als een vergevend God voor zijn volk in. Hij helpt het. Hij sterkt het, Hij ondersteunt het. Daarvan mag Israël temidden van al die angst van de volkeren, die ijlings nog wat goden produceren zeker zijn. Het is waar, zo'n prediking moet geloofd worden wil zij ook moed en krachten geven. Maar wij mogen toch ook weten, dat de Geest door de prediking het geloof werkt (Rom. 10 : 17)? Daarop mogen wij toch vast vertrouwen? Laten wij dan helder en klaar, in alle toonaarden waarover God ons de beschikking heeft gegeven prediken de genade en nabijheid van onze grote en heerlijke God voor schuldige mensen. Laten wij het met alle kracht die in ons is roepen tot een generatie die door angst verteerd wordt dat zij niet behoeft te vrezen, omdat er ook nu een mogelijkheid is bij de Heere te schuilen, en dat Hij de geschiedenis, door welke verschrikkingen ook, stuwt naar de dag van Christus.
Wat ons te doen staat
Het is in het licht van onze tijd best te verstaan dat er ook in 'onze' gemeenten vraag is naar een prediking die meer de angst en de onzekerheid voedt dan tegengaat. Men kan daarmee zo goed zichzelf blijven. Zwicht niet voor dat verlangen, maar predikt de vastigheden Gods, de beloften Gods die in Christus ja en amen zijn. Dat is medicijn tegen de angst. Dat is de roeping van de kerk. Als zij in haar geheel deze roeping verzaakt, laten wij die niet verzaken. 'Ten dage als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen', zegt de dichter in Psalm 56. Wij vrezen, maar met onze vrees en al mogen wij bij de Heere schuilen. Zou niet vanwege het demonisch karakter van de 16e eeuw met haar godsdienstoorlogen en gruwelijke vervolgingen, haar epidemieën en bedreiging door de Turken, dat boekje zo graag gelezen zijn, zo vlug en wijd verbreid, dat boekje waarvan de eerste zin luidt: 'Wat is uw enige troost, zowel in leven als in sterven'...? Ook dat was een tijd van angst, veel meer dan wij nu denken. Maar de kerk van de Reformatie had een boodschap. Die heeft zij nog. Laten wij die onverdroten brengen.
Nil timendum Dei duce.
Openingsrede door ds. L. J. Geluk op de predikantenvergadering van de Gereformeerde Bond, gehouden op 6 januari 1982 te Zeist.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's