Hasselaar en de Gereformeerde Bond (1)
Met meer dan gewone belangstelling las ik de laatste weken 'In de Waagschaal' en de 'Waarheidsvriend'.
Met spanning
Met meer dan gewone belangstelling las ik de laatste weken 'In de Waagschaal' en de 'Waarheidsvriend'. Ik proefde zelfs een zekere spanning bij mezelf: Hoe gaat dit aflopen? Twee groepen theologen, die, zoals van Gennep denk ik terecht veronderstelt in In de Waagschaal, elkaars boeken en tijdschriften in de regel niet lezen, raken met elkaar in gesprek. Kan dit goed gaan? Het zijn je vrienden, die je de waarheid kunnen en mogen zeggen. Maar aan het nu door In de Waagschaal ingezette gesprek zijn nauwelijks oefeningen in vriendschap voorafgegaan. Naar mijn overtuiging is het 'gesprek' tussen Hasselaar en Exalto, dat nu in de Waarheidsvriend van 15 oktober op gang is gekomen er een bewijs van, dat deze twee theologen elkaar nog niet voldoende vertrouwen om echt iets van elkaar te kunnen leren.
Daarom ben ik dankbaar dat de redaktie van de Waarheidsvriend mij de ruimte geeft tot een poging het gesprek voort te zetten. Ik heb geenszins de pretentie mijn hoog geachte collega Exalto te verbeteren of de bedoeling hem voor de voeten te lopen. De enige reden waarom ik graag aan dit gesprek deelneem is, dat Hasselaar en ik elkaar een klein beetje kennen en dat deze kennismaking voor mij betekend heeft, dat ik over een paar vragen ben gaan nadenken, waartoe ik zonder hem misschien nog niet direct gekomen was. Deze vragen worden deels ook verwoord in Hasselaars artikel: Trouw beproeft allen (In de Waagschaal, 3 okt. 1981). Blij ben ik, dat ik op deze plaats onder woorden kan brengen hoe ik zijn vragen gehoord heb en welke waarheidselementen er volgens mij in liggen. Van harte hoop ik, dat het anders te snel gestokte gesprek hierdoor weer op gang komt want ik ben het met J. v. d. Graaf eens, dat In de Waagschaal ons voorlopig enig huiswerk heeft gegeven.
Vreugde over de belijdenis
In dit artikel wil ik de volgorde aanhouden, die Hasselaar in 'Trouw beproeft allen' aangeeft. Hasselaar pleit voor: 'een vreugde over de gereformeerde belijdenis, omdat en voorzover in haar de Katholieke Kerk zich uitdrukt'. Ik denk, dat dit een woord is, waar we elkaar op zouden kunnen vinden. Bij de beste vertegenwoordigers van de G.B. heb ik dit nl. ook altijd zo aangevoeld. Ik denk aan ds. G. Boer en ds. W. L. Tukker. (Visscher, Severijn heb ik niet meegemaakt en over hen kan ik dus ook niet oordelen). Genoemde personen waren zo in hun hele existentie doordrenkt van de hoogten en diepten van de gereformeerde belijdenis, dat ze daar een enorme vreugde aan beleefden. Hun opkomen voor de gereformeerde belijdenis kwam bij mij niet primair over als krampachtigheid, conservatisme of voortdurende bevestiging van eigen gelijk. Buitenstaanders krijgen voornamelijk de G.B. aan de buitenkant te zien. Deze buitenkant maakt dan vaak wel een krampachtige, conservatieve en ferme indruk. Maar het is altijd jammer op de buitenkant af te gaan. De reden waarom ik lid geworden ben van de G.B. en het nog ben is de binnenkant: de vreugde over het gereformeerde belijden, een peilen van de hoogte en diepte van dit belijden, zoals ik dat daarbuiten toch maar weinig ben tegengekomen. We moesten misschien inderdaad elkaars geschriften maar eens meer gaan lezen. En dan niet de kerkpolitieke geschriften in de eerste plaats, maar de geloofsmatige, bevindelijke. Ik weet, dat Hasselaar zelf wel eens Woelderink gelezen heeft. Hij zou ook geschriften van I. Kievit, J. v. Sliedregt, G. Boer en W. L. Tukker kunnen lezen of, om iets van vandaag te noemen: de artikelen van zijn leerling H. Vreekamp in het Gereformeerd Weekblad over de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Hij zal er vreugde over de gereformeerde belijdenis aantreffen.
Wij moeten dan luisteren naar zijn vraag of wij niet teveel als groep de wacht betrokken hebben bij deze belijdenis, zodat anderen wel moeten denken, dat uit onze Kring een waarlijk Katholiek geluid nauwelijks meer gehoord kan worden. Een klein beetje tot onze verdediging zou ik kunnen zeggen, dat wij, eenmaal tot groepsvorming overgegaan zijnde, nu ook voortdurend door anderen in de Kerk op de groep worden vastgepind. Zo wordt ons isolement mede door de anderen bevorderd. Maar hier ligt een probleem, wat wij als G.B. zeker niet mogen onderschatten, wat ons veeleer dagelijks huiswerk geeft.
Waarheidsvrienden
Naar buiten komen wij over als 'standvastige waarheidsvrienden', die gevaar lopen met hun ideeën over de Waarheid een toren van Babel te bouwen. Maar 'Gods waarheid kijkt die toren stuk'.
Als dat zo is, dan zullen we onszelf op dit punt nog eens heel kritisch moeten bezien. Het kan natuurlijk zijn, dat een zekere bedrijfsblindheid ons verhindert dat te zien, wat buitenstaanders haarscherp opmerken. Persoonlijk zie ik niet, dat dit nu het overheersende beeld is, dat wij vertonen. Maar ik zie Hasselaar's kanttekeningen bij deze zaak meer als heilzame kritiek op een tendens, die wel voortdurend latent aanwezig is, omdat ze nl. gegeven is met elke groepsvorming rond Gods Waarheid. Wij doen wél, wanneer wij daarop acht geven. Hasselaars kritiek ligt hier nl. helemaal in de lijn van Kohlbrugge's kritiek op het Réveil en de Afscheiding. Hasselaars kritiek vind ik eigenlijk nog meer hout snijden naar de kant van de bundeling van krachten, die vandaag alom plaatsvindt tussen gereformeerden en evangelischen in alle mogelijke organisaties. Ik zeg niet, dat het helemaal niet mag. Ik zeg wel, dat er met de beste bedoelingen grote ongelukken gaan gebeuren, wanneer wij niet recht verstaan wat het zeggen wil, dat God in de hemel is en wij op de aarde. Hasselaar is een van degenen, die mijn ogen daarvoor heeft geopend. Anderen waren Kohlbrugge en Barth en ik ben hen daarvoor dankbaar. Het maakt je tot een lastige gesprekspartner, nu velen menen, gedreven door de nood der tijden, achter allerlei vrome vaandels en leuzen te moeten gaan lopen, maar het is dan naar mijn diepste overtuiging de 'lastigheid' van het Woord van de levende God zelf, dat zich nooit in menselijke programma's laat vertalen.
Wie zijn onze vaders?
Hasselaar vraagt ons of wij niets te leren hebben bij mensen als Barth, Noordmans en Miskotte. Daar bovenuit vraagt hij eigenlijk hoe wij denken over Gods voorzienigheid i.e. de leiding en besturing van zijn kerk. Daarmee hangt dan ook weer samen de kwestie van een belijdenis kerk of een belijdende kerk. Dit is een heel complex wat ons een diepere en bredere behandeling vraagt dan hier geboden kan worden. Ik denk, dat we hier ook bij een punt zijn, waarover binnen de G.B. niet hetzelfde gedacht wordt. Ik althans (en meerderen met mij) heb daar een andere mening over dan collega Exalto. Wanneer hij suggereert, dat we eigenlijk aan de klassieke gereformeerde vaderen genoeg hebben en dat Barth, Miskotte en Noordmans door ons gewaardeerd worden slechts in zoverre ze letterlijk overeenstemmen met deze klassieke gereformeerde vaderen maar dat we verder geen boodschap aan hen hebben, dan kan ik hem hierin beslist niet volgen.
Mijn hoofdbezwaar is, dat ik meen dat de Aufklarung en de negentiende eeuw zo diepingrijpend geweest zijn in de 'Geistesgeschichte' van West-Europa, dat de kerk het zonder mensen als Barth, Miskotte en Noordmans niet gered zou hebben, in die zin nl., dat ze cultureel gesproken nóg meer in een isolement terecht gekomen zou zijn dan nu toch al het geval is.
Maar dit klinkt erg theoretisch. Laat ik het persoonlijker zeggen. Temidden van existentiële twijfel, waarvoor het nihilisme van onze cultuur ons plaatst grijp ik niet naar Calvijn, want daar heb ik niet de herkenning van hetzelfde culturele klimaat, maar dan grijp ik naar de Psalmen en naar Miskotte: de Bron en een nieuwe vertolker van de Bron. Miskotte zet de existentiële twijfel van de psalmisten cultureel in een zinsverband, zodat ik vandaag door deze psalmen getroost word. Ik wil niet zeggen, dat ik het zonder Miskotte niet zou redden, maar het zou wel veel moeilijker voor mij worden. Zo vind ik in Miskotte een vader. Ik denk dan ook dat het een misverstand is, wanneer Exalto meent, dat Hasselaar ons nieuwe en andere vaders op wil dringen. Hasselaar weet ook wel, dat het zo gemakkelijk niet gaat. Veeleer stelt Hasselaar ons voor de vraag: hebben jullie deze vaders dan niet nodig? Mijn antwoord zou zijn: ik heb ze broodnodig en ik dank God ervoor, dat er een voortgang is in zijn openbaring, waarin Hij ons telkens in 't doodlijkst tijdsgewricht mensen geeft, die onze voet kunnen schragen.
Een heel andere vraag is 't natuurlijk of deze mensen dan in alles gelijk gehad hebben. Maar wie zal van ons vragen, dat wij dat beamen? Hasselaar zal de laatste zijn. Er moet toetsing plaatsvinden aan de Heilige Schrift en ook vergelijking met andere vaders. Hasselaar's verwijt is niet, dat wij dat laatste van plan zouden zijn, maar zijn vraag is waarom wij genoemde leermeesters genegeerd hebben? Ik denk, dat wij Hasselaar toe moeten geven, dat wij hen slecht of onvoldoende kennen. Hoe komt dat nu? Hadden wij het te druk met het lezen van de klassieke vaderen? Ook zij zijn helaas veel geprezen, maar weinig gelezen.
Mijn antwoord zou zijn: Wij hebben de koude wind van de secularisatie en het nihilisme nog te weinig tot in onze botten gevoeld om werkelijk verlegen te raken om de warmte van mensen als Noordmans en Miskotte. Wij hebben teveel buiten de ontwikkelingen gestaan, om aan te voelen, dat Noordmans opstel: 'Zondaar en bedelaar' profetisch was, althans in die zin, dat het een problematiek onder woorden bracht, die de kerk binnenkort te verwerken zou krijgen.
Naar een vader vraagt men pas, wanneer men wat te vragen heeft. Wij hadden zo weinig te vragen, omdat wij de vragen van onze cultuur niet hoorden. Wanneer ik echter vandaag goed naar mijn catechisanten luister, dan hoor ik ze wel. En ik neem toch niet aan, dat ik daarin de enige ben.
Ik zou hier nog veel meer over kunnen zeggen, maar misschien mag en kan dat later nog eens.
Heilige Geest en tijdgeest
Twee oorzaken meen ik aan te kunnen wijzen voor het feit, dat Miskotte, Noordmans, Barth CS onze vaders nog niet geworden zijn. In de eerste plaats ons culturele isolement, waarop ik boven duidde; naar mijn mening een luxe, die wij ons absoluut niet langer kunnen veroorloven. In de tweede plaats speelt echter angst voor vervlakking en verwatering een rol.
Die angst kan ik helemaal meevoelen en die deel ik ook goeddeels. Wij zullen ook pas van die angst verlost worden, wanneer de leerlingen van bovengenoemde theologen ons in woord en daad duidelijk maken, dat ook zij die angst verstaan en dat zij niet bezig zijn met behulp van bovengenoemde theologen een stuk geseculariseerd denken te onderbouwen. Het is natuurlijk geen denkbeeldig gevaar dat wij met beroep op voortgaande openbaring door de Heilige Geest, in werkelijkheid bezig zijn de tijdgeest binnen te halen. Ik zou daarom aan het einde van dit artikel een dringende vraag willen stellen aan de theologen van 'In de Waagschaal': Help ons van onze angstgevoelens in deze af door niet selektief, maar in de volle breedten bijbels-kritisch te staan, temidden van onze geseculariseerde cultuur, op dezelfde wijze waarop de jonge Barth dat gedaan heeft. Wanneer dat uw intentie is, dan zullen wij elkaar over enige tijd waarschijnlijk vinden, samen staande in een geseculariseerde wereld, kaalgeplukt en uitgeschud met niets anders meer dan verwachting, hoop, dat God zélf het woord zal nemen.
~Het is al weer een aantal weken geleden, dat het blad In de Waagschaal in een viertal artikelen de plaats van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk aan de orde stelde.
In een nu verschenen nummer van In de Waagschaal zijn deze drie artikelen, samen met nog enkele andere bijdragen voor de aan de orde gestelde discussie opgenomen. Volledigheidshalve nemen wij in ons blad ook de drie artikelen van ds. W. Dekker (Loenen a.d. Vecht) en ds. H. de Leede (Emmeloord) op. Het is ons vanwege de omvang van het geheel onmogelijk dit alles in één nummer onder te brengen. Vandaag beginnen we met het artikel van ds. Dekker. Daarna plaatsen we de andere artikelen. In een afrondend artikel zal drs. K. Exalto op het geheel van de discussie nog een keer ingaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's