Antwoord aan de collega’s Dekker en De Leede
Hasselaar en de Gereformeerde Bond
Het is noodgedwongen dat ik mij thans verweren moet tegen collega's die evenals ik behoren tot de Gereformeerde Bond.
Zoals de lezers wel bekend is, hebben in de voorafgaande nummers van De Waarheidsvriend de collega's Dekker en De Leede gereageerd op mijn artikel 'Allen op hun trouw beproefd' (15 okt. 1981).
Het is op hun eigen verzoek dat hierover nu zich een discussie ontspint tussen hen beiden enerzijds en mij anderzijds. Mijn artikel was gericht tegen prof. Hasselaar, en tegen niemand anders. Ik had het daar gaarne bij gehouden. Het is noodgedwongen dat ik mij thans verweren moet tegen collega's die evenals ik behoren tot de Gereformeerde Bond. Zo'n opmerking zal een buitenstaander misschien uitleggen als een uiting van 'groepsbewustzijn' - het zij zo!
Ik wil nu eerst gaarne een paar opmerkingen vooraf maken. In de eerste plaats: hetgeen ik nu ga schrijven ligt voor niemands verantwoordelijkheid dan alleen die van mijzelf, alhoewel ik meen te kunnen zeggen dat ik me hiermee stel in de lijn van het beleid zoals dat door de Gereformeerde Bond steeds is gevoerd. In de tweede plaats: ik weet mij, in mijn scherpe afwijzing van het barthianisme te staan in een zekere 'traditie'. Bij mijn weten zijn er én in De Waarheidsvriend én in het Gereformeerd Weekblad in het verleden nog nooit zulke vriendelijke en waarderende woorden geschreven aan het adres van Barth, Miskotte e.a. als nu door Dekker en De Leede. Het barthianisme is door de mannen van de Gereformeerde Bond die in beide bladen de toon aangaven, altijd vierkant afgewezen. Nog levendig staat mij voor de geest, hoe in de jaren kort na de tweede wereldoorlog wijlen ds. I. Kievit week aan week de Kleine Dogmatiek van Van Niftrik tot op de grond toe sloopte. En hoezeer is niet in onze bladen de 'nieuwe koers' waaraan de namen van Barth, Kraemer en zovele andere verbonden waren, radikaal van de hand gewezen. Wat is vervolgens niet slecht gevallen in onze kring, het toetreden van een aantal predikanten, waaronder ook Miskotte, tot de P.v.d.A., wat gekwalificeerd werd als de 'doorbraak'. Het geluid van Dekker en De Leede is dan ook een novum, iets nieuws in onze gelederen. In de derde plaats, zij noemen de namen van ds. G. Boer en ds. W. L. Tukker als mannen die een andere toon zouden aangeslagen hebben dan door mij is gedaan. Wat ds. Tukker betreft, hij kan zich nog verantwoorden, wat ds. G. Boer betreft het volgende. Inderdaad, deze man leefde niet uit een geest van conservatisme, maar het is hem overigens wel verweten! Laten de collega's zich in ds. Boer niet vergissen. Wat heeft hij op de wacht gestaan tegen elke afwijking van de Belijdenis! En dan was hij niet mals! Ook niet al betrof het eigen kring. Het lust mij niet 'oud zeer' boven te halen, maar wanneer Dekker en De Leede ooit de moeite eens willen nemen om na te gaan wat Boer indertijd geschreven heeft tegen de '35' (predikanten) onder ons, dan zullen zij wel nóóit meer zijn naam noemen in eenzelfde verband als zij nu doen. In de vierde plaats: collega Dekker beroept zich er op Hasselaar persoonlijk te kennen. Hij kan het niet weten, maar zelf heb ik gezeten in een commissie (rond de zaak prof. Smits), waarin wij gedurende een paar jaar elkaar periodiek ontmoetten. Maar ik vind dit niet ter zake; een beroep op 'persoonlijke ontmoetingen' acht ik in deze een oneigenlijk argument. Hasselaar heeft genoeg geschreven om hem daarop te beoordelen.
En nu dan de kwestie zelf. Ik verdeel haar in de volgende punten:
De groepsvorming
Hasselaar verwijt ons groepsvorming. De predikanten Dekker en De Leede zijn daar blijkbaar nogal van onder de indruk. Laat ik maar dadelijk daarop antwoorden: ik niet! Is er dan niet het gevaar van groepsvorming? Zeker wel. Dat is overal daar waar men zich binnen de kerk niet houdt aan de Belijdenis der kerk. En dat kan zich voordoen binnen de Gereformeerde Bond en ook daarbuiten. Zo vertegenwoordigt o.a. het blad In de Waagschaal een groep in de kerk. En heel de middenorthodoxie is ook een (grote) groep in de kerk.
De Gereformeerde Bond is tot een groep gemaakt! Dat spel is in de vorige eeuw al begonnen. Hoevele adressen zijn er niet door Groen van Prinsterer, Moorrees en vele anderen gestuurd naar de Synode, met de bewogen oproep: Handhaaf de Belijdenis! En wat was het antwoord? U bent een groep! Eindeloos is men afgescheept, soms zelfs afgestraft. En zo heeft nu ook de Gereformeerde Bond, sinds zijn oprichting, steeds herhaald: Kerk, handhaaf uw Belijdenis! En het antwoord is? U bent een groep. En de bedoeling is: Los u op in het grote geheel. En o zeker dan moogt ge nog een paar eigen toontjes zingen, jullie zijn nu eenmaal de mensen van de 'bevinding', maar daarmee is het dan ook uit. Ik neem het de collega's Dekker en De Leede kwalijk dat zij dit niet doorzien. Zij behoeven voor Hasselaars verwijt niet zo beducht te zijn, maar wat hen wel tot op hun botten (om hun eigen uitdrukking over te nemen) zou moeten verontrusten is, dat wij leven in een kerk die haar belijdenis dag aan dag met voeten treedt. En dan wel te bedenken, dat het in dit alles gaat om het eeuwig wel en wee der zielen, want een valse leer is dodelijk. Liefde voor de kerk is er naar mijn gevoelen daar waar dit beseft wordt, en niet waar men almaar waarschuwt tegen groepsvorming. Groepsvorming is er omdat de kerk ziek is, en het enige middel ertegen is de genezing van de kerk.
De vrome vaandels
Ds. Dekker zegt: Het Woord Gods laat zich nooit in menselijke programma's vertalen. Dit inzicht heeft hij naar hij zegt, te danken aan o.a. Hasselaar en Barth. En hij gebruikt dan de tekst: God is in de hemel en wij zijn op de aarde. Welnu, ik geef toe: dat Schriftwoord dient ons er voor te behoeden het menselijke ooit met een goddelijk aureool te versieren. Maar ik vraag: Weet Dekker dan niet, dat het gebruik (mis-bruik) van dit Schriftwoord door Barth de inzet is geworden van een totale veralgemenisering in het politieke en maatschappelijk-sociale leven? Diezelfde veralgemenisering waar wij heden ten dage als christenen in ons land onder zuchten. Er is op het moment aktie op aktie gaande tegen de anti-discriminatiewet - maar is die wet niet een wrange vrucht van de barthiaanse veralgemenisering in christelijke kring? Niets mocht meer christelijk heten, al wat christelijk was werd uitgehold - dat hebben wij aan Barth en zijn navolgers te danken! Het 'vrome vaandel', wapperend ver boven al dat christelijk gedoe hier op aarde zie ik wel tienmaal erger, en met fatale gevolgen, in Barths theologie dan in de zozeer gewraakte 'christelijke organisaties' (die jarenlang een zégen voor politiek en maatschappij zijn geweest).
De Belijdenis
Zowel ds. De Leede als ds. Dekker bepleiten een voortgaand belijden. De Leede spreekt zelfs van wezenlijk nieuwe antwoorden uit de Schrift op wezenlijk nieuwe vragen. En Dekker schrijft zelfs (tot mijn schrik) over 'een voortgang in de openbaring'. Ik heb van al de reformatoren en van al de gereformeerde theologen die na hen kwamen nooit anders geleerd dan dat wij Gods openbaring mogen hebben in de Schrift, en dat er geen voortgaande openbaring is. Als men daar van uitgaat, dat er nog steeds een voortgang in de openbaring Gods is, dan is het geen wonder dat men spreekt van wezenlijk nieuwe vragen en wezenlijk nieuwe antwoorden, en dat men pleit voor een belijdende kerk, die dan - zij het onbedoeld - komt te staan tegenover een belijdeniskerk; en dat men Miskotte een 'profeet' noemt.
Ds. De Leede neemt het mij kwalijk, dat ik gezegd heb, dat met de Belijdenis ten principale alles gezegd is. Toch houd ik het vol. Als mensenwerk is de Confessie voor korrektie vatbaar, maar het wezenlijke is onaantastbaar - wie dat loochent, staat daarmee op een ander spoor.
En dan, men mene niet dat de Belijdenis niet één geheel zou zijn. Achter alle artikelen zit één religie, één geloof, één inzicht in de Schrift. Men kan uit onze Confessie niet zomaar een stuk wegbreken en evenmin er zomaar een stuk aan toevoegen. En men doet haar onrecht wanneer men haar, zoals maar al te veel reeds gebeurd is, laat overspoelen (wégspoelen) onder allerlei actuele stukken die belijdend van aard heten te zijn. In de kerk valt de beslissing rondom de confessie. Wie dat confessionalisme wil noemen, die ga zijn gang. Of iemand een dode confessionalist is, kan geen mens beoordelen, dat raakt een innerlijke houding , en die kent alleen God.
Nieuwe vragen
Collega Dekker zegt, dat hij meent dat de Aufklarung (Verlichting) en de negentiende eeuw zo diepingrijpend zijn geweest, dat de kerk het zonder mensen als Barth, Miskotte en Noordmans niet gered zou hebben, dan nóg meer in het isolement zou zijn geraakt. Mijn eerste reactie is: Ach arme mensen dan als Groen van Prinsterer, Kohlbrugge, Hoedemaker, Bavinck en zovele anderen die allen geleefd hebben lang voor er een Karl Barth was! Mijn tweede reactie is: hier wordt de betekenis van Verlichting en 19e eeuw sterk overtrokken.
Nu is dat bepaald niet nieuw. Zogoed als elke theologie in de 19e eeuw en in de 20e eeuw is opgekomen als een 'antwoord' op de 'uitdaging' van de Verlichting (eind 18e eeuw). Ik noem achtereenvolgens: de theologie van Hofstede de Groot, de theologie van J. H. Scholten en C. W. Opzoomer (modernen), de theologie van de ethischen, de theologie van ettelijke duitse scholen, en zovele andere theologieën, tot en met die van Kuitert. Stuk voor stuk hebben zij betekend een ombuiging van het ware christelijke geloof! Hetzelfde geldt nu ook, naar mijn gevoelen van de theologie van Barth en de zijnen. Zij waren alle tijdgebonden theologieën. En dwars door dat alles heen heeft zich weten te handhaven het geloven en belijden van de kerk, waarin - gelukkig - nog velen leven en... sterven. En daar houd ik het maar bij!
Het nihilisme
Ds. Dekker vindt in Miskotte een vader. Ik niet, dat zal wel duidelijk zijn. Ik durf zelfs vrijmoedig te stellen, dat ik bétere vaders heb. Over de theologie en spiritualiteit van Miskotte zou nog wel het een en ander op te merken zijn. Ik heb er geen behoefte aan om alles wat Miskotte ooit gezegd en geschreven heeft, af te breken. Maar dat is tussen ons niet het punt van verschil. Als ik aan Miskotte denk, dan denk ik niet aan enkele goede of minder goede stukken die hij ooit geschreven heeft, maar dan denk ik - en dan móet ik denken - aan het gehéél van zijn theologie. En dan is hij, wat hij ook nooit onder stoelen of banken gestoken heeft, een barthiaan geweest. Anderen hebben hem steeds ook zo gekwalificeerd. Daarmee is niet ontkend dat hij daarnaast ook ook nog andere invloeden heeft ondergaan.
Miskotte's barthianisme alleen al is mij een reden om hem af te wijzen. Dat zullen collegae Dekker en De Leede en 'meerderen' (waar zij zich op beroepen) mij wel kwalijk nemen, maar dat deert mij niet. Het barthianisme is zo fundamenteel in strijd met heel onze gereformeerde leer, dat ik iedere aanhanger daarvan afwijs. Als 'collega' accepteer ik ze, maar niet als 'vriend'.
Dekker zegt, dat hij in Miskotte een vader vindt, maar hij zal toch ook wel weten dat Ter Schegget hetzelfde zegt, en niet zonder reden. Hij zal toch ook wel weten, dat niemand minder dan Miskotte het proefschrift van Ter Schegget op een uitbundig lovende wijze heeft aanbevolen en van een Inleiding heeft voorzien. En hij zal toch ook wel weten dat lieden als Deurloo en Zuurmond, de een nogal radikaler dan de ander, juist Miskotte zien als hun 'voortrekker' (zie Weg der verwachting, Baarn 1975). Mijn conclusie: Ik zal me wel duizendmaal bedenken voor ik Miskotte mijn vader zal noemen.
En zijn spiritualiteit dan? Ik wil de collega's wijzen op wat dr. T. Brienen geschreven heeft over de bevinding bij Miskotte (Bevinding, Kampen 1978). Brienen zegt, dat Miskotte de bevinding heeft weggehaald uit de sfeer van de innerlijke doorleving en ervaring van de ziel, die in een zeer persoonlijke verhouding tot God worstelt met het zondaar worden voor Hem en het deel ontvangen aan Zijn heil (56). En elders zegt hij, dat Miskotte de bevinding verethiseert, verhumaniseert of verhorizontaliseert (50). Dat zijn, dunkt mij, woorden om eens goed over na te denken.
En kunnen wij dan tóch zeggen, zoals collega Dekker doet, dat wij mensen als Miskotte 'broodnodig' hebben? Ja, vanwege het nihilisme, zegt hij. En zijn vrees is, dat wij (ouderen) dat niet voelen. Maar de Prediker ging er al doorheen! Het nihilisme is er echt niet pas sinds de Verlichting of de vorige eeuw. Het leven buiten God heeft nooit zin gehad, altijd al heeft de 'leegte' de mens aangegaapt, de mens die God kwijtraakte of dreigde kwijt te raken. En het Evangelie heeft daar altijd al antwoord op gegeven; en onze oude Catechismus zegt, dat ik er ben om God eeuwig te loven en te prijzen. De Catechismus had ds. Dekker beter kunnen helpen dan Miskotte. En dan zijn wij, als gereformeerden, tegelijk weer bij de échte vaders.
Het wezenlijke
Wij hadden het over het nihilisme. Duizenden zien niet meer de zin van het leven. Moderne theologen willen daar op inspelen. Maar hoe? Staat nog de prediking van zonde en genade centraal? Men heeft het over het 'rijk', en men heeft daarbij zo zijn eigen gedachten.
In het laatste artikel van de collega's Dekker en De Leede bemerk ik dat zij toch ook wel zien, dat in de 'middenorthodoxie' het hart van de christelijke evangelieprediking verloren is gegaan. Alleen, ik wou wel dat zij dat scherper zagen en duidelijker en onomwondener afwezen.
De hele middenorthodoxe prediking heeft verwoestend gewerkt in onze kerk.
Men bedenke: theologie is nooit een vrijblijvende zaak! Zij is geen spel en dus ook geen steekspel; zij raakt de prediking, het gemeentezijn, heel de kerk en in wijder verband heel de samenleving.
Daarom moet de theologie van Barth niet slechts bevraagd worden, om haar zo mogelijk wat om te buigen, maar 'radikaal' (dat wil zeggen: tot in de wortel) doorzien en afgewezen worden. Wij kunnen het ons, terwille van het behoud der mensen, en terwille van de kerk, niet veroorloven om er een eindweegs mee mee te gaan, en dan een aantal vragen te stellen. Dan wordt het wezen van de theologie-beoefening te weinig doorzien. Ik kom daar straks nog op terug.
Ds. G. Boer heeft indertijd een discussie gevoerd met dr. Berkhof over de positie van de Gereformeerde Bond in de kerk. Naar mijn besef ging het toen om dezelfde vragen als die nu door de predikanten Dekker en De Leede vertolkt zijn.
Boer heeft in die discussie gepersisteerd bij het hart van het Evangelie, de prediking van zonde en genade.
Altijd weer wil men ons daar van afbrengen, is het niet gehéél dan ten-dele. Wij leven in een andere tijd dan de reformatoren, de culturele situatie is zo heel anders, wij leven na Kant (wijsgeer), wij leven na de Verlichting, enz. Maar de zondaar blijft zondaar. En 's mensen eigenlijke en diepste nood is niet dat hij of zij culturele, sociale en maatschappelijke veranderingen heeft ondergaan, maar dat hij voor God niet bestaan kan. Ten aanzien van dit wezenlijke is al het andere secundair. Secundair wil niet zeggen: onbetekenend, maar: het komt op de tweede plaats.
Wanneer dit onder de hervormd-gereformeerden niet meer wordt gezien en beseft, dan is het met die hervormd-gereformeerden voorgoed gedaan! Dan hebben wij doorgesneden de band met de Reformatie. Dan hebben wij inderdaad andere vaders gekregen. En nog erger: dan staan wij buiten het hart van de prediking van de profeten en apostelen. Onze gemeenten zullen dan snel de weg gaan van die der middenorthodoxie.
Daarom vraag ik, niet alleen aan de collega's Dekker en De Leede, maar aan allen om op dit punt niet te wijken.
Hasselaars theologie
Ik keer terug tot Hasselaars theologie. Dekker en De Leede hebben hun kritische vragen aan die theologie, maar tegelijk nemen zij die theologie tegenover de aanval die ik er op gedaan heb, in bescherming. Trouwens, dat is de reden, waarom zij hun artikelen schreven en er zozeer op stonden dat die in De Waarheidsvriend zouden worden opgenomen.
Hun vragen aan Hasselaar (hoeveel goeds daarin ook staat) vind ik ontoereikend. Zij raken de hoofdzaken slechts aan, en staan teveel in een context van waardering. Maar zelfs Dekker en De Leede zal Hasselaar wel, naar ik voorzie, met een kluitje in het riet wegsturen. De barthiaanse dogmatiek is keihard. Om maar eens een voorbeeld daarvan te geven. Al meer dan eens is aangetoond dat Barths interpretatie van Rom. 1 een zinloze exegese is, maar Beker en Hasselaar in hun dogmatiek (Wegen en Kruispunten) handhaven die exegese unverfroren.
De collega's Dekker en De Leede onderschatten dan ook naar mijn gevoelen deze dogmatiek tot in het onverantwoordelijke toe. Zij is niet voor 80 of voor 50 of zelfs maar voor 10 procent gereformeerd, zij is in haar totaliteit óngereformeerd. In haar Openbaringsleer, in haar Schriftleer, in haar Godsleer, in haar Verkiezingsleer, enz. Van heel het gereformeerde belijden blijft in deze dogmatiek geen stuk overeind staan. Het Christomonisme is er al op de eerste bladzijde van deel I van genoemde dogmatiek. De verwerping van de algemene openbaring (in strijd met art. 2 van de N.G.B.), een verwerping die ten gevolge heeft dat er alleen maar 'bijzondere' openbaring is, wat betekent dat al het bijzondere algemeen gemaakt wordt (algemene verzoening, enz.) doortrekt deze dogmatiek van het begin tot het eind.
De deugden (eigenschappen) Gods worden allen stuk voor stuk, in navolging van Koopmans en Miskotte, opgevat als slechts predicaten van Gods handelen, en daardoor van hun wezenlijke inhoud beroofd; zodat wij voorgeschoteld krijgen een caricatuur van Zijn Almacht, Zijn onveranderlijkheid en noem maar op. En om nog iets te noemen: al zegt de Schrift nóg zo nadrukkelijk, dat de kennis der zonde uit de Wet is, Hasselaar ontkent het en noemt het lezen van de Wet in onze kerkdiensten (dus ook in Loenen en Emmeloord) wierook branden op het altaar van de natuurlijke theologie - en dat is voor hem het summum van alle kwaad (deel I, blz. 17). Wat moet men hier nog mee beginnen? Hier helpen geen 'vragen' en geen 'correcties'. De fundamenten worden omgewoeld en dan kan men alleen maar 'neen' zeggen en intussen met nieuwe moed voortgaan in gemeenschap, ja, maar ook in overeenstemming met de belijdenis der vaderen.
En dat is dan niet in naam van enig dood orthodoxisme; maar omdat hier een dwaalweg wordt gewezen, die rampzalig is voor de kerk, en omdat wij, als wij waarlijk 'gereformeerden' zijn, gekrenkt worden tot in het diepst van onze ziel, en wij weigeren prijs te geven wat de Schrift noemt ons 'dierbaar geloof'.
Theologie-beoefenen mag emotioneel zijn. De zaak is het waard. Men moet daarin ook altijd de gemeente voor ogen hebben, de schapen die aan onze zorg zijn toevertrouwd. Het is niet een kwestie van ettelijke boeken aanslepen en ons laten meesleuren door 'allerlei wind van leer' en dan heel genuanceerd oordelen. Ik pleit heus niet voor het hakken met de botte bijl, maar het gaat mij nu over het wezen van de theologie-beoefening.
Onze theologie moet houdbaar zijn, let wel houdbaar in het oordeel Gods. En dat is naar mijn gevoelen de theologie van de reformatoren, vertolkt in onze belijdenisgeschriften, omdat zij niet anders wezen wilde en is dan een getrouwe weergave van het eeuwigblijvende Woord Gods; en dat is niet de theologie van Barth en van Miskotte - die dragen het stempel van de auteur zelf en van de eigen tijd teveel aan het voorhoofd.
Wanneer men ooit de afgrond ingezien heeft (over nihilisme gesproken) van alle dwaling en ketterij in de kerk, en waar zij heenleidt, en waar zij de kerk brengt, die heeft de 'heilzame schrik' in zijn leven opgedaan (onmisbaar voor elk dienaar van het Evangelie), en die zegt - met een variant op de woorden van Hizkia-, als het gaat over de 'gezonde leer': Bij deze dingen leef ik en daarin is het leven van mijn ziel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's