De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De moriaan gewassen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De moriaan gewassen

7 minuten leestijd

Zal ook een moorman zijn huid veranderen, of een luipaard zijn vlekken? Zo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen.' (Jer. 13 : 25)

In zijn boek 'De Christinnereis naar de Eeuwigheid' vertelt Bunyan ons van Christiana ofwel Christinne, die met haar kinderen haar man volgt op de weg uit Stad Verderf naar Sion. Veel beproevingen, veel bemoedigingen en ook veel onderwijzingen zijn op die reis haar deel. In het land van de Liefelijke Bergen komt deze Christiana bij een zekere berg, genaamd de Onschuld. Bij die berg ziet zij een man, helemaal in het wit gekleed, wiens naam is Godzalige. Hij is uit genade bekleed met het witte kleed van Christus' gerechtigheid, die al zijn schuld bedekt. Maar twee boze mannen gooien onophoudelijk met vuile zwarte modder naar dat witte kleed. En toch: o, wonder! dat kleed bleef wit en die zwarte modder viel er telkens af als stof. Wat men ook probeerde om die blanke gerechtigheid van deze Godzalige te bezoedelen, het baatte niet. 'Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven, die van de straf voor eeuwig is ontheven.' Niets kan de toegerekende gerechtigheid van Christus aan Zijn volk ooit uitwissen. Dat is de vastigheid en de zekerheid van de bevestigde kinderen Gods in het geloof.

Maar Christiana ging verder. Nu ziet zij daar een moorman staan. En zie, twee mannen. Dwaas en Onverstand, zijn bezig om die moorman te wassen. Zij willen hem blank hebben. Doch hoe meer zij hem wassen, hoe meer zijn zwarte huid tevoorschijnkomt.

Het is een beeld, hoe dwaas wij zijn, als wij menen dat wij zelf op eigen manier de zwartheid van onze zonden zouden kunnen afwassen. Neen, Gods Woord leert ons zo duidelijk: Wij zijn onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Wij maken met al onze eigen werken de schuld nog dagelijks meerder. In plaats van al reiner, wordt onze ziel steeds zwarter van schuld en zonden. Waarom? Omdat 'in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont! Want ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. En het vlees onderwerpt zich der Wet Gods niet, want het kan ook niet!'

Wij zijn van nature als die moorman. Dat zwart zat niet óp zijn huid, het zat erin. 't Zat te diep om het ooit te kunnen afwassen. Dat beeld dat Christiana daar zag op haar Christinnereis is nu dat beeld dat Jeremia ons geeft in onze tekst: 'Zal ook een moorman zijn huid veranderen, ' enz. Neen, de zwarte huid van een neger kun je niet wit-wassen. Een luipaard of panter kun je zijn strepen en vlekken niet afwassen. Die zitten erin. Het is iets van hun natuur. Zo is het nu ook met een schuldig zondaarsvolk. Onze natuur is verdorven door de zonde. Daar kun je met wat uitwendig opknappen niets aan veranderen. Jeremia had het wel geprobeerd door zijn prediking om dat verdorven volk in zijn dagen te reformeren en te vernieuwen tot ere Gods, maar 't was alles tevergeefs. Geen wonder! Van een zondaar is toch niets anders te verwachten dan zonde en ongerechtigheid. Gods Woord is er zo duidelijk in, als het u en mij aanmerkt in onze verdorven natuur: 'Uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid!'

Ons tekstwoord is een antwoord op de vraag uit VS. 22: 'Waarom zijn mij deze dingen bejegend? ' namelijk de oordelen en straffen over het volk. 't Was om der zonde wil. Het volk weigerde zich te bekeren. Daar waren de valse priesters en profeten. Zelfs de koning van Juda (Jojakim) was van de Heere en Zijn dienst afgeweken. De breuk was volkomen tussen dat volk en de Heere. Nu wijst de profeet dan op de verdorvenheid van het volk, die intussen de verdorvenheid is van elke zondaar, van u en van mij. Vanwaar komt toch zulk een verdorven aard des mensen? Uit de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders Adam en Eva in het Paradijs, waar onze natuur alzo verdorven is, dat wij in zonden ontvangen en geboren worden (H. C. Zond. 3). Ja, is er dan niets meer aan een zondaar op te knappen? Neen, zegt de profeet, niets meer. Alles is geprobeerd, niets heeft geholpen. De zonde is niet slechts een zaak van onze daden, het is een zaak van ons bestaan. Wij zijn geheel doorzuurd van de zonde. Wat is er nu van een verdorven natuur te verwachten? Niets!

Zal ook een moorman zijn huid veranderen, enz.? Neen, dat is niet ter verontschuldiging gezegd: een moorman is nu eenmaal zo, en wij zijn nu eenmaal zondaren. Neen, dit tekstwoord stelt juist elke zondaar schuldig aan zijn eigen verdorvenheid. Want eens in het Paradijs is de mens voor het eerst in zonden gevallen, maar wij maken de schuld nog dagelijks meerder. Hebben wij dit al leren verstaan?

Want het ergste van onze bedorvenheid is, dat wij daar van nature nog blind voor zijn ook. Het is Gods Geest, Die door het Woord ons daar de ogen voor openen wil. Wilt ge uzelf leren kennen? Lees dan Romeinen 3 en ge zult verstaan dat wij allen onder de zonde zijn, allen afgeweken en onnut geworden en dat de gehele wereld voor God verdoemelijk is. Geve Gods Geest ons dat recht te verstaan, opdat het de nood van ons leven moge worden: Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?

Dan wil ik de zonde verlaten. En al de geboden van Gods Wet gaan naleven. Maar hoemeer ik 't probeer, hoe minder ik slaag. Ik meende al heiliger te worden, maar ik word almeer de verdorvenheid van mijn hart gewaar. Minder zonde doen (met de daad), maar groter zondaar worden( in het kennen van mijn eigen hart). Alle pogen is dan tevergeefs. Mijn God, waar is mijn hoop, mijn moed gebleven?

Heilzame wanhoop! Zo moeten wij leren wanhopen aan onszelf en aan onze zelfbekering. Zal ook een moorman zijn huid veranderen? Maar waar onze eigen mogelijkheden ophouden (en bidt God of Hij u daar brengt, al bidden we dan tegen ons hart in!), daar openen zich Gods mogelijkheden. Hoe terecht zegt Calvijn: Uit de diepste afgronden die hondermaal hopeloos zijn, kan God ons uithelpen.

Ziedaar! In de hopeloosheid van 's mensen kant mag juist de hoop verkondigd worden. Van een zwarte zondaar weet Jeremia geen goed woord te zeggen. Zal ook een moorman zijn huid veranderen? Maar hij heeft een onwankelbaar vertrouwen in Gods genadekracht. De almachtige onwederstandelijke kracht van Gods genade is bekwaam om gans verslagen en hopeloze zondaren te redden. Niet langs de weg van zelfverbetering. Geen zeep wast de vuilheid van de zonden af. Geen deugden en eigen werken kunnen de schuld verzoenen. Er is een veel beter wasmiddel voor onreine zielen: Het Bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden. Voor hopeloze gevallen opent Hij Zijn Woord en door Zijn Woord die Bloedfontein. De ogen des geloofs zien uit naar dat Bloed. Daar rijst weer hoop. Uw zwarte ziel wordt gelokt naar Golgotha's heuveltop, om daar gereinigd en geheiligd te worden. Niet een weinig, 't is niet een opknapbeurt op Golgotha, maar een algehele afwassing der zonden. Zo zal ik wit­ ter wezen dan sneeuw die vers op 't aardrijk nederviel. De Heere werpt de zonden van Zijn volk weg in een zee van eeuwige vergetelheid. Straks staan zij daar voor de Troon en voor het Lam. Zij hebben hun lange klederen wit gewassen in het Bloed des Lams. Daar zullen zij eeuwig zingen van Gods goedertierenheên. U ook?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De moriaan gewassen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's