Bijbelse bevinding
In de Heilige Schrift komt het woord bevinding in de betekenis van geestelijke religieuze ervaring maar éénmaal voor.
De oude Goethe heeft in één van zijn 'Maximen' und Reflexisonen' een merkwaardige opmerking geplaatst. Behalve het volk der Romeinen, zegt hij, is er in Rome nog wel een geheel volk van standbeelden. Welnu zo is buiten deze reële wereld nog een wereld van waanvoorstellingen. Deze is welhaast veel machtiger en de meeste mensen leven daarin. Elke tijd heeft van deze illusies en syndromen. Onze tijd heeft Zuid-Afrika, het feminisme, de discriminatie en nog veel zaken meer. We zijn wel eens bang dat in onze kerkelijke sector het Woord bevinding ook een illusie wordt, een waanvoorstelling. ledere conferentie moet er aan gewijd zijn, elk artikel er mee gevuld. Het nare van zulk soort zaken is, dat het standbeelden worden, steenkoud en glashard, maar ze dienen om ons overigens lege leven mee te vullen. Ondertussen gaat menigeen voort zichzelf en anderen te meten aan de bevinding, maar het brengt niemand iets verder. Straks komt er weer een ander modewoord en de theologische wereld kan weer over iets anders schrijven. Wanneer wij er ons dan ook aan wagen, dan is dat niet om iets geheel nieuws te beweren, maar om enkele gedachten te debiteren, die wellicht helemaal vergeten zijn. Schiller zegt ergens: wie is de beste vrouw en wat is de beste staat? Diegene over welke men niet spreekt. Welnu, wij hebben wel eens de ondeugende gedachte, dat al dat spreken over bevinding een symptoom is van het feit dat echte bevinding ons ontbreekt. In een goede preek, in een evenwichtige gemeente zijn er bevindelijke noties. Zij behoren er bij. Het heeft onder ons volkomen zekerheid. Nadenkend over kerk en bevinding willen wij vier punten aan de orde - stellen:
1. het begrip der bevinding;
2. de omvang der bevinding;
3. de plaats der bevinding;
4. de leerschool der bevinding.
1. Het begrip der bevinding
In de Heilige Schrift komt het woord bevinding in de betekenis van geestelijke religieuze ervaring maar éénmaal voor. In Romeinen 5 : 4 spreekt de apostel Paulus van bevinding en de lijdzaamheid wekt bevinding en de bevinding hoop - en hier heeft het woord bevinding nog een speciale zin. Het wil hier zeggen: beproefdheid, en wijst de toestand aan van hem, die op de proef gesteld, proefhoudend is gebleken. De bedoeling van de tekst is, dat de lijdzaamheid, dat is de standvastigheid onder de verdrukking de echtheid van ons geloof doet uitkomen, en dat die bewustheid van ons geloof leidt noodzakelijk tot vaste hoop. Uit deze betekenis, al heeft ze hier ook een bijzonder karakter, kan worden afgeleid, wat wij onder bevinding in het algemeen moeten verstaan. Het woordt duidt dan op beproefdheid en echtheid, en het bevindelijke-religieuze leven is dus dat leven, waarin subjectief de echtheid van het geloof gekend wordt. In nauw verband met deze opvattingen kunnen wij de volgende onderscheiding maken tussen geloof, ervaring en bevinding. Het geloof gaat voorop; het is het aangrijpen van de waarheid Gods en de persoonlijke aanvaarding van het werk van Christus. Dan volgt de ervaring, waarin wij door de waarheid worden gegrepen en die werkelijkheid in onze ziel ontstaat, waarin wij genieten van wat Christus ons schenkt, terwijl de bevinding is het voor zichzelf bevestigd zien van de waarheid der kerk en een zielstoestand aanduidt, waarin de echtheid, de beproefdheid van het geloof blijkt. Wij kunnen onze gedachten ook proberen weer te geven met behulp van een tweetal beelden. Het eerste beeld is dat van de klok, waarop tegen de rand de klepel slaat. Wanneer de hamer aan de klepel tegen de rand van de klok slaat, wordt het klokgelui voortgebracht. Dan heeft tot in verre omtrek consequenties. De tijd wordt aangegeven, het werk wordt gestaakt of begonnen, de mensen komen naar de kerk of gaan de kerk uit. Wat wij met dit beeld willen aanduiden is dit: het eeuwige Woord Gods blijft niet buiten onze existentie, neen, door de werking van de Heilige Geest komt het ons bestaan binnen. U kunt dit nu noemen zoals u wilt, maar het betekent wel, dat het evangelie in de eenvoudige mens een punt van aansluiting vindt. Het is geen waarheid zonder meer, koud onbewogen en daarmee af - welneen, deze waarheid Gods binnen onze existentie werkzaam geworden veroorzaakt een concrete zielsbeweging. Paulus noemt in de 1e brief aan de Thessalonicenzen dit: het werk uws geloofs, de arbeid der liefde en de verdraagzaamheid der hoop op onze Heere Jezus Christus. Deze uitdrukkingen wijzen ten overvloede aan hoe plastisch geloof, hoop en liefde zijn. Geloven is niet een aantal gedachten van rechtzinnig gehalte over God hebben, maar het is veeleer dat gehoorzame vertrouwen en vertrouwende gehoorzamen, dat wij als zodanig niet algemeen en tevoren bezitten, maar dat alleen altijd weer opnieuw in bepaalde akten openbaar komt. Precies evenzo is de liefde niet het een of ander gevoel van warmte, maar het is een akte een daad, - een arbeid. Tenslotte: hoop bestaat niet in een bleke en nevelige schemering van optimistische aanvaarding. Neen, deze hoop houdt het uit tegen alle golven en ellenden in en klemt zich vast aan het trouwe Woord des Heeren. Deze uitdrukkingen tonen aan, dat wij bij bevinding nooit denken moeten aan rationele overleggingen van humanistische aard, neen, het zijn de meemakingen, de echo' s der ziel op het gebied van de Heere onze God. Nergens schoner dan in deze aanduiding wordt getekend, hoezeer de gemeenschap met God de existentie geraakt. De klepel van de klok doet de gehele klok zingende trillen en trillende zingen. Daarbij gaat het niet om het punt hoe lang, hoe diep, hoe wijd het geluid gaat. De kwestie is deze, dat de klepel, die het brons raakt, onmiskenbaar een sonore klank produceert. Weet dan wel dat de auctor intellectualis niet de klok is, maar de klepel. Elke bevinding is een Amen zeggen op het Woord.
Een tweede beeld is het werpen van een keisteen in een grote waterplas. Hoe plonst het water op, wanneer de steen het wateroppervlak raakt. Maar wat ziet u daarna? Grote, steeds groter concentrische cirkels rondom het middelpunt heen. Het gehele wateroppervlak geraakt in deinende beweging. Wij geven dit • beeld zonder nadere uitwerking, maar de vergelijking met de arbeid van hef Woord laat zich vanzelf verder maken. Hoofdpunt is alleen dat het Eeuwige het tijdelijke aanraakt en dit brengt mee een stoot tot een eeuwige beweging.
Deze bevinding komt in het piëtisme, in de vals-mystieke kringen onzuiver voor. Men maakt van de bevinding een grond voor het geloofsleven en geeft aan de bevinding een centrale plaats. Men leert dan bijvoorbeeld dat er tweeërlei kennis der waarheid is. Allereerst een letterlijke of beschouwende, die men krijgt door het horen en bestuderen van de Schrift en dan de bevindelijke en gestaltelijke kennis, die men verkrijgt door het gevoel. Zij is de eigenlijke; zij valt met het wezen des geloofs samen; zij kan los staan van de eerste, maar op die manier worden object en subject, kennis en vertrouwen van elkaar los gemaakt. De bevinding wordt het fundament der religie en de zekerheid ligt niet in het objectieve werk van Christus buiten ons, maar in de subjectieve ervaring in ons. Deze orde is, niet naar de Schrift en is schadelijk voor het leven der mystiek. Wel eist het gezonde leven van de geest bevinding, maar alleen op de basis van Gods Woord en alleen steunende op het geloof aan de waarheid Gods. De bevinding kan zelf geen fundament zijn. Het is altijd moeilijk zuivere en onzuivere bevinding te scheiden. Bovendien komt in de uiting der bevinding slechts de buitenste omtrek van het werk des Geestes in het licht. Vervolgens ontleent de zuivere stem der bevinding altijd haar klank aan de Schrift. En tenslotte öf de uiting der bevinding is een naspreken van anderen óf zo sterk persoonlijk, dat zij ons niet tot basis voor ons religieus leven kan dienen. De bevinding is daarom alleen zuiver, wanneer op de grondslag van Gods Woord de werkingen van de vertroostingen des Geestes in het diepst van ons gemoed ervaren worden en uit die ervaring en persoonlijke bevestiging en verzekering des heils voortvloeit. Dan is de bevinding volledig de door ervaring gewekte innerlijke bevestiging van ons persoonlijk geloof in Christus, steunende op de openbaring Gods in de Schrift.
2. De omvang der bevinding
Het komt ons na het begrip der bevinding enigszins te hebben aangeduid goed voor, nu uw aandacht ook te vragen voor de omvang van de geloofsbeleving. Op welk terrein beweegt zich het geloofsbeleven? Dat vraagstuk is moeilijker dan wij wellicht zouden vermoeden. Een eerste aanzet tot het bepalen van het terrein ligt in de vraag: op welk terrein moeten wij ons begeven om de bevinding te kunnen localiseren? Het antwoord op die vraag is helder en klaar. Wij staan met de bevinding niet op het terrein van de christologie, ook niet op het terrein van de ecclesiologie, maar zeer duidelijk op het veld van de soteriologie en dan met name niet de objectieve soteriologie, maar de subjectieve soteriologie. Wij kunnen ook vrede hebben met de aanduiding pneumatologie. De vraag is aan de orde hoe de Heilige Geest het heil, in Christus bereid, ons persoonlijk eigendom doet worden.
Om het terrein enigszins af te bakenen willen wij een verdeling aanbrengen. Er is een buitenhof der bevinding en een binnenhof der bevinding. Wat bedoelen wij met de buitenhof der bevinding? Daaronder verstaan wij de terugwerking van het vlees op de geest, de zwakheid van onze natuur in de Satan nog gelaten macht der verzoeking. Wij zullen ons duidelijker uitdrukken. Er is in de ziel een zekere beweging die haar grond vindt in de worsteling van onze ziel tegen de begeerten dezer wereld, als deze op ons aanstormen of meester over ons worden. Er is een strijd met de onwil van het vlees om de last van de verdrukking te dragen. Die strijd is vooral dan zwaar, wanneer God het oogmerk, waarmee Hij ons verdrukt voor ons verborgen houdt. Ook kunnen wij denken aan de bangheid der ziel, wanneer Satan haar in de engte drijft; het heilige, dat God in haar gewrocht heeft, zelfbedrog heet en de fundamenten van onze hoop onder haar voeten probeert weg te nemen. Ook in het wedergeboren hart schuilen diepten van Satan, waaruit het zondebederf soms te voorschijn breekt met een macht en geweld die onszelf en anderen bijna onbegrijpelijk schijnt. Met grote zonden beledigen wij soms God, maken ons ons des doods schuldig, bedroeven de Heilige Geest, verbreken de oefening van het geloof, wonden het geweten zeer zwaar en verliezen niet zelden het gevoel der genade voor een tijd. Als allen, die ten leven mochten ingaan, die nimmer de Heilige Geest bedroefd of weerstaan hadden, niet één zou behouden worden. Maar dit alles bewijst nog niet, dat de ware gelovigen de Heilige Geest alzo zouden kunnen weerstaan en bedroeven, dat zij eindelijk geheel en al en voor altijd zouden moeten verloren gaan. De strijd en de taak van het christelijk leven worden van lieverlede niet maar lichter, maar uitgebreider en zwaarder. Daar zijn diepgewortelde zonden van gewoonte of temperament, die ons telkens weer meester worden, voordat wij het zelf weten of willen. Hoe meer het geweten gescherpt wordt, temeer wordt het oog ook voor kleine vlekken geopend en de aanvankelijk vernieuwde mens ziet zich telkens aan fijne, meer geestelijke verzoekingen (bijvoorbeeld hoogmoed) blootgesteld, waarvan de oude niet wist. Geen wonder, dat ook bij aanvankelijke heiligmaking het besef van innerlijke ellende en hulpeloosheid menigmalen niet af- neemt, maar toeneemt. Men ontvalt zichzelf te meer, naarmate men zich beter leert kennen. Dit blijft een gedurige strijd.
In de tweede plaats wil ik noemen binnenhof der bevinding. Daaronder rangschik ik de bevindingen die uitsluitend als werkingen des Geestes in de gelovigen zijn aan te merken. Breedvoerig genomen bewegen wij ons hier evenzeer op het terrein van de subjectieve soteriologie. Om redenen van beperking stippen wij maar enkele zaken aan. Ik denk aan de geestelijke vreugde, de vertroosting, de hoop, de verheffing der ziel, de heilige genietingen, het vertrouwen van het hart, de vergevende genade, de liefde tot God, de lust aan Gods wet en de zegen der beproeving - kortom heel die ruime sector van ondervindingen der ziel onder de persoonlijke ganade. Denken wij hierover na, dan zouden wij hier ook een kleine verdeling kunnen maken. Ik denk aan de voorbereidende genade. Onder ons is men wel gewend daarover te spreken onder de term toeleidende weg. Men bedoelt daarbij allerlei indrukken, ontmoetingen, ervaringen, geheel of grotendeels onafhankelijk van onze eigen wil, die alle hebben moeten samenwerken om ons daar te brengen waar wij nu bijna onwillekeurig gebracht zijn en het eerst de Christus hebben gevonden. Bepaald is aan deze genade Gods de roeping van de zondaar tot de zegeningen van het koninkrijk Gods te danken. Wij denken aan de geschiedenis van Paulus en Cornelius, Lydia en de stokbewaarder. Augustinus, Luther en Calvijn. Natuurlijk is hier geen sprake van enige mechanische dwang, maar toch van een werking Gods, die juist aan deze zondaar, in onderscheiding van een andere zondaar te beurt valt en hem de machtige stoot tot een eeuwige beweging doet ervaren. / De tijd wanneer, de wijze waarop, de middelen waardoor dit gescheidt, bieden ons het onafzienbaar toneel van verscheidenheid aan. Daarnaast onderscheiden we de verlossende genade, in verlichting bestaande. Dat is die werking van de Heilige Geest waardoor de zondaar bij aanvang en voortgang tot heldere kennis van de waarheid in Christus wordt gebracht. Er is een hemelsbreed onderscheid tussen een verstandelijk weten en een waarachtig kennen der waarheid, dat wijs tot zaligheid maakt. Bij die verlichting voegen wij de rechtvaardigmaking, die werking der genade Gods, waardoor wij de zondaar van de schuld en de straf der zonden ontslaat en in zijn gunst en vriendschap herstelt. Al breder vloeit de stroom voort, wanneer wij voorts noemen de heiligmaking. De Geest, die uw levensbeginsel was, wordt steeds meer de inwonende levenskracht. De heiligende kracht der genade kan nooit worden ontbeerd. Integendeel, door deze wordt iedere voortgang gewaarborgd.
Zo nadert het christelijke leven steeds meer zijn voltooiing, waarbij de voorbereidende en verlossende genade tevens het karakter van bewarende en alles overwinnende genade vertoont. Door haar kracht wordt de christen steeds meer in gemeenschap met Christus bevestigd. Door deze genade Gods worden wij ook steeds meer van onze genade verzekerd. De blijde zekerheid van onze kinderlijke verhouding tot God en de liefde Gods groeit in ons hoe langer hoe meer. Daar leeft en werkt de hoop, die tot het einde toe waarheid schenkt in God door Christus. Zie, waar in de prediking een bescheiden plaats gegund wordt aan de beschrijving van de buitenhof van de bevinding, daar worden bestreden zielen versterkt. Graag hebben wij van onze dokter een beschrijving van onze kwaal, die overeenkomt met de verschijnselen, die wij bij onszelf waarnemen. Ook vermeerdert er ons vertrouwen in zijn kunde niet weinig door. Wij moeten onze gemeente ook in deze zaken kennen. Doen wij dat niet, en zwijgen wij over wat in het hart der bezwaarden omgaat, dan zoeken zij onze troost niet meer bij ons, maar dan gaan ze tot allerlei oefenaars die hen beter verstaan dan wij.
Maar ook de binnenhof der bevinding komt in de preek aan de orde. Wij moeten preken over wat God buiten ons, maar ook wat Hij in ons heeft gewerkt. Wij kweken geen ziekelijk christendom aan, wanneer wij, maar uit de Schrift zelfde stof putten voor de beschrijving van Gods werk in ons. Wij behoeven daarvoor niet naar de erkende vromen te gaan. De Schrift geeft rijkdom genoeg in de Psalmen, in de geschiedenissen van de aartsvaders en de koningen. Wij mogen en moeten op de kansel handelen over Gods wegen met zijn volk aan de hand van de Schrift. Wij dienen tolk te zijn van wat God door Zijn Geest in de harten der zijnen werkt, wanneer wij verkondigen wat de ziel gevoelt, als de Geest Zijn licht over zijn werk in de harten laat schijnen. Dan wordt de samenkomst aantrekkelijk. Er komt zielzorg in de prediking. De overmaat aan christologie wordt pneumatologisch verdiept. De applicatie ontvangt weer een plaats in de preek. De preek is met recht weer bevindelijk, want zij handelt behalve over andere zaken ook over wat in het hart der gelovige, omgaat. Dat zal voor de gemeente opbouwend zijn in de breedte, maar vooral ook in de diepte. Wij menen dat in deze tijd meer dan ooit hunkering is naar deze prediking, ook al weten wij dat velen uit onkunde dit woord diep verachten!
3. De plaats der bevinding
In dit onderdeel willen wij overwegen wat de plaats der bevinding is in de prediking met name, maar ook als geheel in het leven van de kerk. Ik ben van mening dat de bevinding relatief een plaats moet hebben. Niet een overheersende, maar een relatieve plaats. Want het godsdienstige, de verhouding tot God is de voornaamste en beheerst alle andere relaties, waarin een mens kan komen te staan. Vooral in de prediking is er één gebied waarop elke preekstof moet worden aangewend: namelijk het godsdienstige leven. Het hart van geheel de Heilige Schrift is het heil dat God ons bereidt in Jezus Christus. Daarom moet in elke preek de hoorder geplaatst worden voor het aangezicht van Jezus Christus en aangewezen worden hoe ieder in leer en leven, in denken en doen, in het verborgen en in het openbaar tegenover die Christus staat. Elke prediking is een bedienen van de sleutelen van het hemelrijk: het wordt de gelovigen geopend, de ongelovigen toegesloten. Wij doen een pleidooi voor het onderscheidelijk preken. Dood en leven, hel en hemel, zonde en genade worden voorgesteld en zo dicht mogelijk bij het bewustzijn van de hoorder gebracht. Een ontdekkende prediking tekene de gang van bekeerden en onbekeerden. Maar ook tekene de dienaar des Woords de tekst voor het hart van hen, die in beginsel met mindere of meerdere bewustheid de Heere Jezus liefhebben. Waar dit consciëntieuze bevindelijke preken wordt gemist blijft veel onhelderheid bestaan en onvastheid aangaande onze staat voor God en twijfel, voortkomende uit gebrek aan kennis. In aansluiting aan Gods Woord beschrijve de voorganger hoe de Heilige Geest in de regel werkt en op welke wijze het geestelijke leven zich ontwikkelt. Bevinding leert dat van een jong boompje geen grote massa voldragen vrucht te wachten is en het geestelijk leven van een jeugdige christen meer bekoorlijk dan vruchtdragend is. Bevindelijke prediking is ook medische prediking. Geestelijke afwijkingen moeten worden beschreven, de oorsprong moet nagespeurd em het medicijn aangereikt. Dan kan genezing worden verwacht. Ontbreekt deze toon in de preek geheel dan missen wij de priesterlijke tint. De gemeente wordt overdreven beleerd of gedreven, maar zelden getroost. Wij pleiten dus voor een bescheiden plaats der bevinding in de prediking, maar dan wel in elke preek, anders gaat de warmte verloren. De pastorale toon slinkt weg en de gemeente komt niet verder in de navolging van Christus ze blijft een vreemde in Gods verborgen omgang. De weg tot zulk een bevindelijke prediking is één accent, zo nauwkeurig mogelijk omschreven, in de preek aan te brengen. Nu eens dit, dan weer dat - dat geeft variatie en edele groei. Het voorkomt ook monotonie.
Daartegenover moeten wij wel waarschuwen voor een centraal bevindelijke prediking, vooral van het begin tot het einde. Dit leidt tot ghetto vorming. Het licht van het Woord moet ook stralen over het culturele leven, de politiek, het sociaal gebied, de verhoudingen in, het huisgezin, de organismen van wetenschap en kunst. Er zijn gevaren in een eenzijdig bevindelijke prediking. De christologie kan wegzinken oftewel opgaan in de pneumatologie - dat gebeurt bij een overmaat aan bevindelijke prediking in de kerk.
Dit leidt onherroepelijk tot een vervaging van de aanspraak van Christus in ons leven. De wereld in haar-op-Christus-betrokken zijn verdwijnt voor ons oog ten enenmale. Wij trekken ons terug van de taak in de wereld om gedurig de vinger aan onze pols te zetten. Mysticisme is het extreem van deze overtrekking.
Daarnaast moeten wij ons hoeden voor een opgaan van de pneumatologie in de christologie. Dit was de grondfout van Karl Baïth. Het gevolg is geweest een wegzinken van de band tussen Christus en zijn gemeente. De band van de Heilige Geest vervaagt. Van persoonlijke band aan Christus hoort men niets meer. Het gevolg is rationalisme. Miskenning van de noodzakelijkheid of misduiding van de aard der werking des Heilige Geestes is een gebrek van niet weinigen, die over de persoon van de Heere rechtzinnig denken en spreken. Eenzijdige christologie en eenzijdige pneumatologie - het voert beide tot dwaling en overschatting. De juiste weg ligt gelijk zo menigmaal tot deze dingen - in het midden!
4. De leerschool der bevinding
De vraag kan intussen wel bij ons opkomen: hoe is zulk bevindelijk preken te leren? Wij kunnen het ook anders stellen: wat kunnen wij doen om zulk een gezonde bevinding te bevorderen? Het gaat er om de Heere veel te bidden, dat Hij ons bekwaamheid schenkt ons echt toepasselijk, bevindelijk te preken en op die manier niet alleen een prediker over Jezus maar ook een leidsman tot Jezus te zijn. De weg daartoe is de oude trits van meditatie, tentatie enoratie. Ons denken, voelen en geloven moet door bezinning over het gelezene worden gevoed. Ook het leven en denken met de gemeenteleden behoort tot onze oefening.
Daarin schuilt veel verzoeking en aanvechting. Wij hebben allemaal onze onaangenaamheden; de ene strijd na de andere moeten wij dóór en het dient tot heiliging van het leven en sterking van het geloof. Maar er is geen oefening van de geloofsgehoorzaamheid zonder het gebed. Ook bidden wil geleerd en geoefend zijn. De discipline arcana - ziedaar, ook voor onze tijd nog het aangewezen middel om in de diepten van het Woord thuis te raken. Ook door het gebruik aan hulpmiddelen kunnen wij de goede bevinding in de kerk weer gezag verschaffen. Wij komen uit een periode, waarin alleen een waan de ronde doet al zou bevinding een soort nachtmerrie zijn, maar wie de moeite neemt grote predikers en grote theologen te lezen, die ontdekt hoeveel hij daarvan leert. Die ziet óók hoe de groten altijd proberen de waarheid der Schrift aan het hart van de hoorders te leggen. Lezen met de pen in de hand van Spurgeon, Knap en Wielinga levert schatten op. Zij kunnen ons leren zielstoestanden te tekenen, uitvluchten te ontmaskeren en de wegen wijzen om voor de kerk een zegen te zijn. Vergeet vooral niet ook een bezonnen lezing van Brakels 'Redelijke Godsdienst'. Vooral in het tweede deel van dit werk worden klassieke regels gegeven voor de zielszorg, die men nergens elders leert.
Tenslotte: de omgang met meer ontwikkelde en bevestigde christenen kan ons leren tot rijpheid te komen. Wij denken hier aan mensen, die nog niet verleerd hebben voor hun leraren te bidden en hen om de wille van hun werk hoogachten en liefhebben. Wij hebben tegenwoordig veel te veel babbelaars over dominees, te weinig bidden vóór en met hen. Het voorbeeld is daarin Apollos, die gesteund werd door Aquila en Priscilla, Abraham Kuyper en Hendrik de Cock, personen, die fundamenteel door hartelijk gelovende gemeenteleden werden gesteund. Dikwijls zijn eenvoudige gemeenteleden, die dicht bij' t Woord leven in staat ons veel beter te helpen dan grote geleerden. Er is immers in alle geleerdheid een brok scholastiek, dat de band aan het volle leven doet verslappen. En het is wezenlijk nodig dat ook de predikant ter biecht gaat bij een zwijgzame vriend, om van hart tot hart met elkaar over de eeuwige dingen te spreken. Op deze manier wordt het tweetal kerk en bevinding het meestgediend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's