De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Diakonaat in deze tijd

Bekijk het origineel

Diakonaat in deze tijd

7 minuten leestijd

De kerk heeft door de eeuwen heen de grootste moeite gehad de tweevoudige roeping tot Woord en daad, getuigenis en dienstbetoon op bijbelse spanning te houden.

1. Een falende kerk

1. ‘Dertien huisvaders gevonden in ellendige hutten, zonder werk of met half werk. Men at toen driemaal daags boerenkool of knollen. Alles zonder brood. Tot mij gekomen een familievader in den laten avond, verdienende 16 centen daags voor 8 leden van zijn gezin. Vierhonderd bedelaars in 3 dagen voor Kerstmis aan de deur'. 1)

Zelden zal een ingezonden stuk zoveel historie hebben gemaakt, als deze woorden van ds. O. G. Heldring, waarmee hij in het Alg. Handelsblad de ellende tekende, die hij in 1846 aantrof in zijn betuwse gemeente.

Zijn ingezonden stuk bracht veel beroering teweeg, hoewel het niet eens zo uitzonderlijk was, wat Heldring neerschreef. Dat jaar was door het mislukken van de aardappeloogst de nood tot grote hoogte gestegen. Maar de levensomstandigheden van de werkende bevolking waren in de vorige eeuw permanent heel zwaar. Rond 1850 was er zoveel werkeloosheid, dat 27% van de bevolking bedeeld moest worden. Velen waren chronisch ondervoed, ze aten zelden iets anders dan aardappels, drie keer op een dag. Brood was immers te duur, vlees en vis onbetaalbaar.

De woonomstandigheden waren erbarmelijk, met grote gezinnen in één vochtige bedompte kamer. Nog in 1899 woonde 30% van ons volk in een éénkamerwoning, slechts 40% kon over meer dan twee kamers beschikken. In één of twee kamers speelde zich alles af: eten en slapen, koken en wassen, geboren worden en sterven.

De arbeidsomstandigheden waren slecht: werkdagen van 12 uur waren normaal en 100 uur per week was geen uitzondering. Het is geen wonder, dat het met de gezondheidstoestand droevig gesteld was: in Middelburg stierven 50% van de kinderen van arbeidsters binnen een jaar. De gemiddelde levensuur van een dagloner was 32 jaar.

Ds. Heldring schreef werkelijk niet veel nieuws. Honderdduizenden in het land leden permanente armoede. Het maakte niet veel verschil of men in de hutten van Hemmen op bezoek ging of in de kelderwoningen van Amsterdam, in de plaggenhutten op de Friese heide of in de woonkazernes in Maastricht.2)

2. Prof. C. Veenhof spreekt in zijn boek 'Chr. Diakonie en Alg. Bijstandswet' een scherp oordeel uit over de onaandoenlijkheid van de gegoede burgerij en vooral over de harde onverschilligheid, die veelal in de kerk heerste. 3)

Ik vat zijn kritiek in vier punten samen:

a. Allereerst signaleert hij het verschijnsel van de gewenning.4) Men beschouwde het bestaan van honderdduizenden paupers en hun ten hemel schreiende nood als een normaal verschijnsel en werd er niet wezenlijk door beroerd. Het woord van Christus 'de armen hebt gij altijd bij u' werd geïnterpreteerd als een fatum: er zouden nu eenmaal altijd armen zijn. Van zoiets als 'een sociale kwestie' had men geen besef, laat staan dat men die als de levenskwestie van het volk in die dagen beschouwde. Veenhof geeft het voorbeeld van de kanselredenaar Van der Palm. Hij was hoogleraar in Leiden, waar in 1817 van de 28.000 inwoners er 14.000 bedeeld werden ten gevolge van de economische crisis. Toch durft hij te zeggen, dat het een betamelijke zucht is om rijk te worden, waardoor men zich immers onafhankelijk kan maken. De arme daarentegen kan zich in vergenoegdheid toevertrouwen aan de Voorzienigheid, die nu eenmaal heeft gewild dat er rijken én armen zouden zijn. Ja, die door middel van de armen de rijken de gelegenheid heeft willen geven, hun mededogen uit te oefenen.

b. Natuurlijk werd er ook hulp verleend, soms zelfs royaal. Maar die hulpverlening bevestigde de kloof die er was tussen arm en rijk.5) De arme moest zich vernederen om onderdanig en dankbaar de welwillende gaven in ontvangst te nemen. Bewust of onbewust werd armoede als een oordeel gezien, als eigen schuld, - al ging niet ieder zover als Van der Palm, die onomwonden zei: 'Gaat rond in de vervallen woningen des hongers en der armoede: niets anders dan luiheid is de oorzaak van dat diep verval'. Krenkend en vernederend werden de armen soms behandeld. Prof. Hugo Visscher sprak van de schandpaal der bedeling waaraan de armen werden genageld en vroeg zich af of hier niet geldt: 'wreed zijn de barmhartigheden der goddelozen'.6) Dr. Woelderink heeft eens geschreven, dat een fatsoenlijk burger zich geen dieper vernedering kan indenken dan tot zulk een maatschappelijke achteruitgang te geraken, dat het nodig wordt diakonale hulp te aanvaarden.7)

c. Het ontbrak niet aan protesten tegen deze onmenselijke hardvochtigheid, aldus Veenhof, maar ze vonden geen gehoor.

Hij wijst onder meer op Da Costa en Groen van Prinsterer.8) Zij hadden oog voor de sociale ellende, waarin een groot deel van het volk dreigde ten onder te gaan. Groen noemde het pauperisme 'de ergste kwaal van onze tijd'. Hij doorzag dat de sociaal economische structuur de samenleving verscheurde in twee kampen: de vermogenden tegenover de schare van niets-bezittenden. Hij verklaarde in de Tweede Kamer, dat er in het socialisme een waarheid in de dwaling gemengd is, die haar kracht geeft.9) Maar deze stemmen vonden geen weerklank: er waren nu eenmaal armen en rijken. En wie daar doorheen probeerde te breken werd al snel beschuldigd van revolutionaire gezindheid. Men verweet Heldring, dat hij door zijn ingezonden stuk (een 'oproerkreet' genoemd) 'de burgerman tegen de hooge Regering in het harnas had willen jagen'. 10)

d. Veenhof verwijt de diakenen geesteloosheid en financiële bezorgdheid, die hen vooral uit deed zijn op kapitaalvorming. 11) Maar de zwaarste schuld legt hij bij de predikanten. 12) Zij zijn het geweest, die zo bitter weinig de roeping van de diakenen en gemeenteleden hebben ontvouwd. In de kerkelijke opleiding werd aan de dienst der barmhartigheid nauwelijks aandacht geschonken. In de handboeken van de praktische theologie werd er praktisch over gezwegen.

3. Gevolg van dit alles was een dikwijls slecht functionerend diakonaat. Natuurlijk is dit beeld al te globaal en daardoor vertekend. Het Reveil heeft een belangrijk stuk hulpverlening op gang gebracht. 13) Denk aan bestrijding van drankmisbruik, zorg voor gevangenen, diakonessenarbeid in ziekenhuizen, instellingen voor resocialisering van verwaarloosde jongeren. Er is door particulier initiatief heel wat tot stand gekomen. Maar de hoofdstroom van de kerkelijke diakonale arbeid was niet zelden schraal en arm. Veenhof spreekt in dit opzicht van een falende kerk. 14) Voor mij persoonlijk werd dit concreet in de diakonieboeken van mijn vorige gemeente Driesum. De winter van 1879-80 was uitzonderlijk streng, de oogst was slecht geweest. De armoede was nijpend, er werd veel honger en koude geleden. Wat deed de diakonie? Twee mensen kregen die winter een wagen turf, met Kerst kregen de bedeelden samen een gift van ƒ 2, 50. En in het voorjaar werd een bedrag van ƒ 200, - naar de bank gebracht omdat er een flink batig saldo was gekweekt. 15)

Deze concrete gegevens brengen mij tot de stelling, dat de kerk door de eeuwen heen de grootste moeite heeft gehad de tweevoudige roeping tot Woord en daad, getuigenis en dienstbetoon op bijbelse spanning te houden.


1. Johan Winkler, In Gods naam, Amsterdam 1960, blz. lOv

2. Gegevens ontleend aan C. Veenhof, Christelijke diakonie en A.B.W., Amsterdam 1966, blz. 13-15

3. C. Veenhof, a.w., blz. 17 en 25

4. C. Veenhof, a.w., blz. 25vv ,

5. C. Veenhof, a.w., blz. 17vv en 39

6. H. Visscher, Gij Diakenen, Utrecht 1908, blz. 21v geciteerd bij C. Veenhof, a.w., vblz. 33

7. G. Woelderink, Het Kerkelijk Karakter der Diaconieën, vooral ten platten lande; gecit. bij C. Veenhof, a.w., blz. 35

8. C. Veenhof, a.w., blz. 21v

9. G. Groen van Prinsterer, Adviezen in de Tweede Kamer der Staten Generaal, Tweede deel, Utrecht 1857, blz. 571 gecit. bij C. Veenhof, a.w., blz. 23

10. J. Winkler, a.w., blz. 12

11. C. Veenhof, a.w., blz. 30

12. C. Veenhof, a.w., blz. 38

13. A. Noordegraaf, Medemenselijkheid, 's Gravenhage, 1981, blz. 192vvgl. J. C. van Dongen, Diakonia/Charitas, Kampen, 1978 blz. 55v

14. C. Veenhof, a.w., blz. 25

15. F. van den Heuvel, Driesum, een kerk in de Dokkumerwouden, Driesum, 1976, blz. 38.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Diakonaat in deze tijd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's