Kuyper en de Schriftkritiek (1)
Kuyper heeft in zijn Schriftleer zich nauw aangesloten aan de Belijdenis der kerk en aan hetgeen de Gereformeerde vaderen dienaangaande geleerd hadden.
Vorig jaar werd door mij in een paar artikelen aandacht geschonken aan Kuypers beroemde rede over het Modernisme als een fata morgana. De reacties daarop en de verzoeken om ook Kuypers rede over de Schriftkritiek eens te analyseren, deden mij besluiten hiertoe thans over te gaan.
Het is ons gebleken dat Kuypers rede over de Schriftkritiek, hoewel op het moment al meer dan een eeuw oud, tot in onze tijd toe nog sterker dan die over het Modernisme de theologen heeft beziggehouden. Aan het slot van deze reeks artikelen willen wij daar op terugkomen, om dan tevens te laten zien dat de nazaten van Kuyper heden ver van de geest van hun geestelijke vader verwijderd zijn geraakt.
Rectoraatsoverdracht
De volledige titel van Kuypers rede waarover het hier gaat luidt als volgt: De Hedendaagsche Schriftcritiek in hare bedenkelijke strekking voor de gemeente des levenden Gods. Zij is (in kloek formaat) in 1881 uitgegeven te Amsterdam bij J. H. Kruyt.
Kuyper heeft deze rede gehouden op 20 oktober 1881, en wel bij het overdragen van het rectoraat der Vrije Universiteit. De V.U. was op dat moment eenjaar oud, zij was gesticht in 1880. Kuyper zelf was gedurende het eerste jaar haar Rector geweest, nu droeg hij deze functie over aan zijn ambtsgenoot F. L. Rutgers. Naar oud gebruik hield hij bij deze gelegenheid een rede, zijn bovengenoemde rede over de Schriftkritiek. Tot Rutgers zei Kuyper op dit moment: Voor Rector zijt gij in de wieg gelegd, ge zijt meer een geboren dan een gekozen Rector. De V.U. was een schepping van Kuyper, maar niet minder van Rutgers, zijn trouwe rechterhand.
Kuyper was in deze jaren in de kracht van zijn leven. Hij was toen hij de rede hield, 20 oktober, nog geen 44 jaar, hij zou het de 29ste van die maand worden. Diep respect kan men hebben voor zijn fenomenale geleerdheid waarvan het notenapparaat achter deze rede blijken geeft.
Kleinheid en moed
Toch gevoelde hij op het moment dat hij zijn rede hield wel iets van zijn kleinheid. Hij begint zijn rede ten minste met op te merken, dat hij zich bewust is te staan tegenover een hele geleerdenwereld van wie hij, om des beginsels wil, verschillen moet. Hij spreekt van 'talentvolle vakgenoten', dus theologen, tegen wie hij zich zal moeten afzetten. Al in Kuypers dagen werd aan de nederlandse, evenals aan vele buitenlandse, universiteiten en hogescholen de Schriftkritiek bedreven. Kuyper zelf zegt: 'aan schier alle Protestantsche universiteiten van Europa's vasteland'. Hij voelde zich in dezen tegenover al die geleerden dus alléén staan. En toch waagde hij het, dit gans andere geluid te doen horen. Gedreven, zoals hijzelf zegt, door 'de nood der Gemeente'. Hij achtte het zich ten 'geloofsplicht' op te roeien tegen de 'stroom der gangbare meningen'. Zelfs waagde hij openbaar uit te spreken dat naar zijn vaste overtuiging de Schriftkritiek 'verderfelijk’ is.
Kuyper is zich vervolgens ook bewust geweest dat hij, juist door dit onderwerp aan te pakken, de koe bij de horens vatte. Hoezeer de wegen onder de theologen uiteen liepen, tóen al, kwam op geen punt zo scherp aan het licht als ten aanzien van het spreken over de Heilige Schrift. Beslissend voor alle theologie is of men de Schrift erkent als het Woord Gods, hét Woord Gods.
Kuyper heeft in zijn Schriftleer zich nauw aangesloten aan de Belijdenis der kerk en aan hetgeen de Gereformeerde vaderen dienaangaande geleerd hadden. Die eer zal hem gegeven moeten worden, ook al zullen wij op onderdelen wellicht menen van hem te moeten verschillen.
De eerste stelling
In zijn rede heeft Kuyper ten aanzien van zijn onderwerp drie stellingen willen verdedigen. Hier houden wij ons bezig met de eerste daarvan, de andere komen in volgende artikelen aan de orde.
Deze eerste stelling is nog niet de voornaamste. Al is zij natuurlijk ook bepaald niet onbelangrijk. Maar Kuyper heeft de kunst verstaan van het minder belangrijkste voort te schrijden tot hetgeen belangrijker is en tenslotte het allerbelangrijkste.
De eerste stelling dan luidt: 'De hedendaagsche Schriftcritiek rukt de delen der theologie uit hun verband; schendt haar karakter; en stelt er iets dat geen theologie is voor in de plaats', met als conclusie: De Schriftkritiek moet uitlopen op vernietiging van de theologie.
Terecht stelt Kuyper al dadelijk vast dat het in de theologie gaat om Gód. De naam 'theologie' zegt het al: kennis van God. God is haar 'voorwerp', haar 'object'. Neen, dat wil niet zeggen dat wij over God 'beschikken'. Wie thuis is in de barthiaanse theologie weet, dat zij de oude theologie steeds weer verwijt dat die over God zou willen 'beschikken'. De Gereformeerde vaderen hebben heus wel geweten, dat God Gód is en de mens mens. Zij hebben over God niet anders dan met diepe eerbied en ontzag gesproken.
Maar zij hebben, en dat heeft ook Kuyper in deze rede gedaan, ernst willen maken met de openbaring Gods. Kuyper zegt: In de theologie is het 'object', dat wil zeggen God zelf, actief. Hij geeft zich te zien. Hij openbaart zich.
Openbaring Gods
En dan trekt Kuyper daaruit de consequentie dat in het middelpunt van de theologie dus moet staan de bezinning op deze openbaring Gods, met name: de dogmatiek! Een Schriftgebonden dogmatiek! Het hart van de theologie, zegt hij, is de dogmatiek.
Van hieruit nu doet Kuyper een eerste aanval op de Schriftkritiek. Die heeft namelijk de dogmatiek haar ereplaats ontnomen en die plaats toegekend aan de kritisch-letterkundige studiën. Voor Kuyper liggen die studiën in de theologie, gericht als zij is op de openbaring Gods, het 'verst naar den omtrek'. Maar de Schriftkritiek heeft het ondergeschikte gemaakt tot hoofdzaak. Door haar is de theologie geworden een kind met een waterhoofd. Alles concentreert zich in haar op het literaire, het letterkundige, dat kritisch benaderd wordt. Zij handelt hiermee in strijd met het ware wezen der theologie, die er op gericht is Gods openbaring in de Schrift te verstaan. Kuyper wil niet ontkennen dat er voor een literair onderzoek van de Schrift plaats moet zijn, maar dat onderzoek moet staan in dienst van... Zij is echter hoofdzaak geworden. Neen, het gaat Kuyper er niet om, ook maar iets af te doen van de waarde van het onderzoek der Schrift, van haar uitleg, haar exegese; integendeel. Maar de Schriftkritiek blijft steken in de inleidingsvragen. De theologie die zich door haar laat leiden, dient niet de gemeente, door de Schrift voor haar te openen, maar berooft juist de gemeente van de Schrift door haar kritisch te benaderen, en te blijven hangen in de literaire vragen. Kuyper zegt: Over de Schrift hoort men zoveel, maar uit en door die Schrift verneemt men weinig.
Wij tekenen hierbij aan: De Schriftkritiek in haar huidige gedaante is zeker niet alleen maar literair, zoals zij in de dagen van Kuyper nog wel in hoofdzaak was. Zij heeft ook een historisch karakter gekregen en is in onze tijd vooral hermeneutisch (uitlegkundig) van aard. En toch is wat Kuyper gezegd heeft heden niet vechten tegen een windmolen. In principe is er niets veranderd. De Schriftkritiek overwoekert heden veel theologie, de dogmatiek incluis. Zij ligt geheel in de lijn van die van de 19e eeuw.
Plaats van de leer der Schrift
Een volgend verwijt dat Kuyper laat horen aan het adres van de Schriftkritiek betreft zowel ethischen als modernen. Kuyper herinnert er aan dat bij de Gereformeerde vaderen de leer aangaande de Heilige Schrift, (Locus de Scriptura) altijd voorop ging in de dogmatiek. Schreef men een dogmatisch handboek, dan bevatte een der eerste hoofdstukken de Schriftleer. Waarom was dat zo? Omdat de Schrift werd gehouden voor de bron (fons) van al onze dogmatische kennis. Kuyper verwijt nu de Ethischen dat dat bij hen niet meer zo is. Zij zijn afgegleden in subjectivisme. Dat is het wat Kuyper in hen wraakt. Ik geef een citaat: 'Bij al het lofwaardig pogen om de belijdenis der gemeente vast te houden, heeft derhalve de ethische richting, onder den druk van hetzelfde wijsgeerige revolutiebeginsel, waaraan de hedendaagsche Schriftstudie haar aandrift ontleende, metterdaad het gelaat der theologie geheel veranderd'. De Ethischen wilden niet weten van een 'waarheidsmededeling'. Zij vroegen aandacht voor 'het gemoedsleven der openbaringsorganen', dus het gemoedsleven van Mozes, David, Petrus, Paulus, enz. En het gevolg was, dat daardoor de Schrift pas ergens verderop in de dogmatiek een plaats zich toegewezen zag. Niet meer vooraan! Kuyper zag hierin de uitwerking van een 'wijsgerig revolutiebeginsel', waarin de aandacht is verschoven van God die zich openbaart naar de mens die deze openbaring ervaart. Ik teken hierbij aan: Voor ons heden geen onbekende klanken!
Er is echter, en dat moeten wij ook vaststellen, hier één punt waarin Kuyper meende een andere weg te moeten gaan dan de Gereformeerde vaderen in het verleden. Terwijl die vaderen, ook al gebruikten zij andere woorden, spraken over de Heilige Schrift als bron (fons) van de dogmatiek, spreekt Kuyper zeer bewust liever over de Heilige Schrift als beginsel (pincipium) van de dogmatiek. Bij Bavinck vindt men hetzelfde. Het is hier niet de plaats op dit punt dieper in te gaan; het lijkt van klein gewicht, maar is het toch niet; er ligt namelijk voor een deel de rechtvaardigingsgrond in van het neo-calvinisme, dat zich heeft aangediend als een wettige ontwikkeling van het oude calvinisme. Wanneer men uitgaat van de stelling dat de Heilige Schrift 'beginsel' is van de dogmatiek kan men gemakkelijker de ontwikkelingsgedachte invoeren dan wanneer men stelt dat zij de 'bron' is van de dogmatiek. Maar nogmaals: dit laten wij hier rusten.
Godsdienstwetenschap
Ten slotte, wij noemden ook de modernen. Op hen heeft Kuyper het vooral begrepen gehad. Zij hebben, zegt hij, de schuld ervan dat de theologie weggehaald is uit de staatsfaculteiten. Daar is nu, sinds 1878, alleen nog maar de 'godsdienstwetenschap'. Van alle absoluutheid van het christendom heeft men afscheid genomen. De christelijke religie is met de andere religies over een kam geschoren. Een uitgaan van de Openbaring Gods in zijn Woord is er niet meer bij. De theologie is geprofaniseerd. Hiermee is aan de christelijke gemeente onnoemelijk veel schade toegebracht. Dat de V.U. is ontstaan, is mede te danken geweest aan dit feit. Men wilde de theologie weer de haar toekomende eer geven. Opdat de gemeente het Woord Gods zou terugontvangen.
Ik voeg hier een persoonlijke opmerking aan toe: De V.U. had tot op de dag van vandaag tot rijke zegen kunnen zijn. Maar reeds ten tijde van Kuyper (en Bavinck) lagen in haar kiemen van een ontwikkeling die wij betreuren; en die in later tijd heeft geleid tot een caricatuur van hetgeen Kuyper zelf voor ogen heeft gestaan. O als hij 100 jaar later, oktober 1981, zijn ogen eens had opgengedaan en had gezien wat er geworden is van zijn levenswerk!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's