De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Psalm 43 : 3b en 4a

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Psalm 43 : 3b en 4a

8 minuten leestijd

Dat zij mij brengen tot de berg van uw heiligheid, en tot uw woningen; En dat ik inga tot Gods altaar, tot de God van de blijdschap van mijn verheuging.

De psalmist bevindt zich buiten het gebied van Israël. Waarom? Is hij verbannen of gevlucht? Het is niet met zekerheid vast te stellen. In ieder geval verkeert hij in den vreemde.

Deze situatie is voor hem benauwend en het geeft hem alle reden tot klagen. Hij is ver van huis. Niet in een algemene, voor iedere balling of vluchteling geldende zin, maar in een gespecificeerde zin. Hij is ver van Kanaan, het land van de belofte door de Heere aan de vaderen van ouds gedaan, ver van Jeruzalem de stad van God, ver van de gemeenschap van het volk van God,

Hij is diep gelovig en daarom is de noodsituatie waarin hij verkeert van een bepaald gehalte. Zij is geloofsnood. De psalmist bevindt zich temidden van het heidendom en waarom is dat zo erg. Het is toch in een dergelijke situatie wel degelijk mogelijk de band met de God, Die leeft, te bewaren, te onderhouden en naar de wil van God te leven?

In het heidendom treft hij onbegrip aan met betrekking tot de kennis van de levende God, de omgang met God, de dienst des Heren. Ja, erger nog. Afkeer, onverholen vijandschap, spot en hoon. Want het zijn juist de heidenen die de vraag stellen: Waar is Uw God?

Het is de smaad en de laster van klassiek en modern heidendom. Verder en dat is het aller ergste van het heidendom, de psalmist hoort niet van vergeving en verzoening, genade en verlossing. Zaken waar het wezenlijk en fundamenteel in het menselijk bestaan om gaat met het oog op ware vertroosting, een laatste houvast, en een dragende grond. Kortom de psalmist mist de bijzondere openbaring van God, of anders gesteld, hij mist de betuiging van de genade van God voor de zondaar. Want daar hangt hij kennelijk aan. En inderdaad het moet ons telkens gezegd en getoond, verkondigd worden, wie de Heere is, wie wij zijn, hoe onze situatie voor God is, en wat wij aan de Heere als zondaren mogen hebben. Wie Hij in Zijn goedheid voor ons zijn wil. Want de God van de Bijbel is een bijzondere God, een aparte God, een zeer bepaalde God. Niet alleen dat Hij de enige is, en de ware, maar van Hem geldt eveneens: zó is er geen tweede!

Want er zijn vele goden en de heidenen leven bij het vele, het algemene en het vage. Dientengevolge in de verwarring, de leugen, en het donker. Maar deze God, de God van Israël moeten wij telkens zoeken en van Hem telkens horen, en het moet ons steeds weer gezegd worden, met kracht, beslistheid en gezag, in alle klaarheid en helderheid met Wie wij in Hem van doen hebben en hoe wij er voor staan in onze verhouding tot Hem. Daarom verlangt de psalmist naar Sion de berg Gods, naar Jeruzalem, de plaats van de verkiezing en de bijzondere openbaring van God, naar de woning van God, het Heiligdom, de tempel en naar het altaar. Want daar is een aparte, unieke sprake te vernemen. Daar is te zien en te horen wat nergens anders te zien en te horen is. Daar is de dienst van de verzoening. De priester is er volop in bezig. Dagelijks. Hij brengt de offers. Daarin wordt de verzoening aanschouwelijk uitgebeeld en hij zegent het volk dat in zichzelf niet meer is dan een geheel van zondaren. In zijn zegening van Gods wege wordt de verzoening verwoord, bemiddeld en met gezag opgelegd. Daar verlangt de psalmist naar. Om het weer te zien en te horen, wat hij in zo lange tijd niet meer in den vreemde gezien en gehoord heeft. Het was wel in orde tussen de Heere en hem. In zijn innerlijk was er de vrede en de gemeenschap met God. Die droeg hij met zich mee, in zich om. Alle vijandschap en druk om hem heen konden hier niet bijkomen, dat niet wegwerken, hem dat niet ontroven. Het was hem een reservoir van kracht en houvast. Juist in den vreemde. Maar dat reservoir dreigde op te raken. Het moest van buitenaf weer worden aangevuld.

En inderdaad, wij laden in het leven van het geloof onszelf, als gelovigen, in onze gelovigheid niet op. We bedruipen ons zelf ook niet. Het Woord laadt op. Het Woord drenkt ons. Het Woord voedt ons. Om deze reden moet het ons telkens weer gezegd worden, door een instantie van buiten, dat er vergeving en genade is. Wij kunnen het gezag van het Evangelie niet missen. Het gezag is nodig, het steeds weer ons laten gezéggen. Op deze wijze worden wij innerlijk, in ons binnenste, gesterkt en gesteund, bemoedigd en getroost. Het geloof leeft van horen zéggen. Daar ligt het geheim. De grond. De bron. De voedingsbodem. De krachtcentrale. Zonder dat verflauwt het geloof, en worden onze gangen wankel en dreigt het gevaar van inzinking. Zó was het, tóén, voor Israël, zó is het nog steeds, nu, in de christelijke gemeente. Ons geestelijke leven, bestaande in de kennis van God in het Aangezicht van de Heere Jezus Christus, en van onszelf, hangt aan het Evangelie dat tot ons komt in Woord en Sakrament. Wie zonder kan, is zonder God, dus zonder troost. Wie zonder leeft; is verloren, doolt rond in de vervreemding van God en van zichzelf. Het is de dood. Wie er niet buiten kan, geeft hiermee te kennen, te leven, geestelijk te leven, het leven te zoeken buiten zichzelf. En wie van genade leeft, zoekt versterking en verlevendiging. Want bij deze werkelijkheden leeft de gemeente van God van alle eeuwen. Leven alle kinderen van God. Leven allen die in het geloof staan en gaan, zich op deze wijze uitstrekken naar de toekomst des Heren. Er wordt geleefd van het Woord en de Sakramenten. Daarom kerken christenmensen en gebruiken zij met name regelmatig het Sakrament van het Heilig Avondmaal. Het is hen tot vréugde, tot blijdschap van hun verheuging. Want hoewel de nood groot is. Zeer groot. Bovenmenselijk groot. Zelfs de omvang hééft van de zonde, de schuld en de eeuwige verlorenheid, is er in de nood, déze nood een zich keren mogelijk tot God, Die Redder is in de nood, uit de diepste nood. Hieruit ontspringt de vreugde. De hartelijke vreugde Gods, zegt de Heidelbergse Catechismus, in Jezus Christus. De psalmist is ons een voorbeeld. Alle verlangen van hem gaat uit naar Sion, de plaats, die de Heere verkoren heeft. En Sion is niet alleen de plaats van de tegenwoordigheid van God, ook de plaats van de menselijke tegenwoordigheid. De Heere presenteert zich in Sion en al wat mens is, wordt opgeroepen zich in Sion te presenteren. De Heere staat op Sion klaar. Hij wacht ons op en Hij roept het ons toe: 'ziet hier ben, Ik, Ik uw God, U tot een God, een Heiland, een Zaligmaker, een God bij Wie alle heil is'. En de mens die te Sion tot God nadert, spreekt het uit: 'Hier ben ik, Heere, om U te ontmoeten'. Ik stel mij voor uw Aangezicht. Ik loop niet voor U weg. Ik verberg mij niet voor U. Niet meer. Integendeel. Ik treed te voorschijn. Ik kom tot U vanuit de schuld en zonde van mijn leven. Om deze reden is er bij mij schaamte en een gebroken hart, want schuldbelijdenis en verootmoediging, maar bij U is vergeving en barmhartigheid, uitredding en vrijspraak, ja, het leven tot in eeuwigheid. Daarom zijt Gij voor mij de God van de blijdschap van mijn verheuging.

Dit alles bij elkaar is de hoogte, de bergtop van het leven. Als God en de zondaar, de zondaar en God elkaar ontmoeten. Wij brengen een geschonden bestaan en een verprutst leven, de Heere brengt de kwijtschelding en de uitdelging. Zó mag er bij het altaar, bij de ontmoeting met God in het Evangelie, in het offer van de Heere Jezus, zoals Luther het prachtig geformuleerd heeft, geruild worden. 'Christus, Gij, mijn ongerechtigheid, ik Uw gerechtigheid' .

Want meer nog dan de psalmist van psalm 43, mogen wij weten van de blijdschap van onze verheuging in God, onze Redder. Wij mogen Hem kennen, in de volheid van de tijd, in Zijn Zoon, onze Zaligmaker, Jezus Christus. Nu stijgt de vreugde ten top. Zij bereikt de abso­lute hoogte van de volmaakte liefde.

De Heere heeft Zijn eigen Zoon ons niet gespaard en de Zoon heeft zich gegeven tot in de dood, de bittere dood aan het kruis.

Wij kunnen er eigenlijk niet bij. De vreugde kent geen grenzen. Want de liefde van God is onafzienbaar en onpeilbaar. Zij is onmetelijk. Het is deze liefde die in de prediking van het Woord verkondigd en in het Sakrament wil afgebeeld worden. De roep van het Evangelie gaat uit. Het heeft een adres, en het landt in een bepaalde situatie. Het adres is de zondaar en de situatie waarin het Evangelie ons aantreft, is ontluisterend, donker en hopeloos. Maar het Evangelie roept ons hieruit weg tot de vreugde van onze Heere. Want het wijst ons heen naar Christus, Die met uitgestoken hand klaar staat om ons te redden. Wie zo als zondaar met Christus verbonden wordt en in Hem zich gered weet, overkomt vreugde, diepe en eeuwige vreugde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Psalm 43 : 3b en 4a

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's