De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het mensbeeld in de moderne literatuur

Bekijk het origineel

Het mensbeeld in de moderne literatuur

8 minuten leestijd

De moderne mens ervaart het leven, met name in crisissituaties, als een barre wintertijd.

Het motief van de winter

Het motief van de winter en de koude wordt in de hedendaagse poëzie vaak gebruikt om de menselijke situatie te karakteriseren. De moderne mens ervaart het leven, met name in crisissituaties, als een barre wintertijd. Ik heb van drie verschillende auteurs een gedicht gekozen, waarin het motief van de winter voorkomt. Opvallend is, dat in al die gedichten de vraag gesteld wordt: wie ben ik. Het eerste gedicht dat wij zullen lezen, is van Remco Campert uit de bundel Berchtesgaden (1953).

KOUD

Winter nadert,
Ik voel het aan de lucht
En aan de woorden die ik schrijf.
Alles wordt klaarder: de straat
Is tot aan zijn eind te zien. De woorden
Hebben geen eind.

Ik ben dichter
Bij de waarheid in December
Dan in Juli. Ik ben dichter
Bij gratie van de kalender, lijkt het
Soms wel. Toch, de woorden niet, de steden
Nemen hun eind.

Als er ergens
Zomer en winter, maar een ster
Brandde die een fel wit licht gaf.
Ik zeg een ster, maar het
Mag alles zijn. Als het maar brandt en
Woorden warmte geeft.

Maar ik geloof
Niet, 's winters nog minder, aan
Zo'n ster. In woorden moet ik geloven.
Maar wie kan dat? Ik ben
Een stem, stervend en koud, vol
Winterse woorden.

De interpretatie van dit gedicht is niet eenvoudig. Ik beperk mij tot enkele bijzonderheden. Bij oppervlakkige lezing lijkt het gedicht een wat gezocht taalspelletje, maar bij nader inzien is het dat beslist niet. In het gedicht werkt de dichter het motief van de winter uit, nu eens in letterlijke zin opgevat als het seizoen van de koude, dan weer in symbolische zin als het beeld van de menselijke situatie, toegespitst op het dichterschap. In strofe 1 wordt de straat, die in de winter tot aan zijn eind te zien is, geplaatst tegenover de woorden die geen eind hebben. In de volgende strofe is dat opnieuw het geval: stad tegenover woorden. De straat/stad symboliseert het leven van de mens, de woorden symboliseren de kunst. Het is het oude thema, dat de klassieken reeds kenden: ars longa, vita brevis est.

In diezelfde strofe wordt gezegd: 'Ik ben dichter/Bij de waarheid in December/Dan in Juli'. Die gevolgtrekking kunnen wij begrijpen, als wij letten op wat er in strofe 1 staat: in de winter wordt 'alles klaarder'. Interessant is het te zien, hoe de dichter dan in de tweede helft van het gedicht zijn verlangen uitspreekt naar 'een ster' die warmte en licht geeft. Onwillekeurig associëren wij dit beeld met de ster van Bethlehem; met het Kerstfeest, dat in december gevierd wordt. Toch is het feest van Christus' geboorte voor de dichter niet van wezenlijk belang. 'Ik zeg een ster, maar het/ Mag alles zijn', zo vervolgt hij immers. De laatste strofe is een soort anti-climax, vol fraaie literaire effecten. Let eens op het en­ jambement in vs. 19/20: 'Maar ik geloof/Niet, 's winters nog minder, aan/Zo'n ster'. Het woord 'niet' krijgt extra nadruk. De verwerping van het geloof in Christus wordt op bedekte wijze aan de orde gesteld. Hier is weer een uiting van de moderne mens, die wil geloven, maar die niet verder komt, dan de belijdenis : 'In woorden moet ik geloven. /Maar wie kan dat? Ik ben/Een stem, stervend en koud, vol/Winterse woorden.'

Ellen Warmond drukt het huiveringwekkende van de winter als volgt uit:

WINTERS

Dit worden wij: niet meer dan mens en minder
dan woorden als tin stil steen
die rinkelend versplinteren tot kille scherven
van nog meer kou gebaren
worden langzaam overbodig
verhalen en vrienden zijn
al bijna niet meer nodig

een winter nestelt zich in onze haren
als een langzaam bevriezende vogel
het piept nog wel het fladdert,
nog wel schichtig onder de huid
maar we verstarren al tot foto' s achter glas:
mens die je bent
mens die ik was:

En Mischa de Vreede eindigt haar gedicht over de winter met de uitroep: 'Wie ben ik nog? 'Men lette ook op de voorgaande versregel: 'Alles wat waar was is anders geworden':

vandaag is de wereld in winter gekleed
een vogel vliegt verdrietig door het sneeuwen
en buiten wacht de kou

ik ben vergeten om de herst te huilen
ik heb niet gejuicht in de lente
mijn plezier om de zomer niet uitgebuit

misschien is de aarde wel omgerold
is de poolgrens verlegd toen ik sliep

alles wat waar was is anders geworden

wie ben ik nog?

‘Alles wat waar was is anders geworden': deze constatering in bovenstaand gedicht kunnen wij gevoeglijk toepassen op het denken van de moderne mens. Alle oude zekerheden zijn verdwenen; waardevolle tradities zijn weggevaagd; God is geëlimineerd; het bestaan is koud, zinloos, absurd. De vraag waarmee de mens blijft worstelen is: wie ben ik nog? Deze mensvisie, deze opvatting over het leven dringt via romans, verhalen en gedichten door in onze kringen. Vooral leerlingen op middelbare Scholen worden bijna dagelijks met deze opvattingen geconfronteerd. Via radio, televisie en damesweekblad komen nog weer vele anderen in aanraking met het moderne levensgevoel. Het is zeker voor predikanten nuttig en nodig kennis te nemen van de moderne literatuur.

Ik wil enkele argumenten noemen, waarom inzicht in de moderne letterkunde, of beter, in de moderne cultuur, voor predikanten zo noodzakelijk is.

In de eerste plaats is het nodig, dat een herder de gevaarlijke plaatsen kent, opdat hij de kudde veilig zal kunnen weiden. Hij behoort tijdig te waarschuwen voor diepe ravijnen of verscheurend gedierte.

Vervolgens kan hij met meer overtuigingskracht het Evangelie verkondigen aan de moderne mens, als hij weet in welke noodsituaties deze zich bevindt. Het zal duidelijk zijn, dat kunstenaars ons vaak meer inzicht verschaffen in de huidige crisis der cultuur, dan de sociologen, psychologen en antropologen. De gemakkelijkste houding in deze problematiek is het negeren van de moderne cultuur. Zo' n houding is echter niet te verdedigen vanuit de Heilige Schrift en de belijdenis der kerk. De doperse wereldmijding hebben de calvinisten terecht altijd aan de kaak gesteld. Ook een index van verboden boeken biedt geen oplossing. Hier geldt, zeker voor jonge mensen: de verboden vruchten smaken het zoetst. Wat onze jeugd nodig heeft, is voor alles geestelijke wapening uit de Heilige Schrift, grondig onderricht in de leer die naar de Godzaligheid is. Daarnaast dient zij enig inzicht te hebben in moderne wijsgerige stromingen en bijbelse kritiek daarop. Zo gewapend kan zij de confrontatie met de moderne literatuur aan. Dan zal ook blijken, dat onze jonge mensen, vanuit de liefde voor God en Zijn Woord, zich kritisch zullen uitlaten over letterkundige werken die tegen het christelijk geloof ingaan. Dan kunnen zij daarvoor ook argumenten noemen om de tegensprekers te weerleggen. Op de Evangelische Hogeschool hebben wij een begin gemaakt met geestelijke toerusting van a.s. studenten. Dit werk blijkt broodnodig te zijn, omdat op veel middelbare scholen de leerlingen onvoldoende weerbaar gemaakt worden. Bij de literatuurlessen wordt er meestal vanuit de esthetica en de literatuurwetenschap onderwezen, terwijl de ethiek niet of nauwelijks aan bod komt. Het lijkt wel, alsof veel docenten nog steeds van de verkeerde gedachte uitgaan, dat literatuur waardenvrij zou zijn. Als een roman of gedicht literair goed in elkaar zit, is het daarom nog niet een goed werk in de ethische zin van het woord. Het is een list van de satan om een ethische benadering van literatuur bij voorbaat af te keuren. Onze leerlingen moeten leren kijken achter de fraaie facade: zij moeten leren de 'boodschap' te analyseren.

Literatuur is communicatie, althans voor een groot deel. Wij moeten het communicatieve karakter van taalkunst niet onderschatten. Jonge mensen hebben hulp nodig bij hun lectuur, hulp van theologen en christelijke filosofen. Helaas is de kracht en het pit uit de christelijke theologie, met name ook uit de gereformeerde theologie. Wat hebben wij als gereformeerde belijders vaak weinig te bieden in de strijd der geesten. Onze onderlinge verdeeldheid en onze introverte wijze van theologie-beoefenen maken, dat wij in de wereld van de theologie nauwelijks serieus genomen worden. Wat wij nodig hebben, is hernieuwde liefdevolle bestudering van de Schrift en de daarop gegronde belijdenis; een grondige bestudering van de gereformeerde dogmatiek, vooral op apologetische wijze en in voortdurende relatie met de moderne tijd en last but not least een uitgebreide en diepgaande bestudering van de ethiek. Vroeger gingen dogmatiek en ethiek op gelukkige wijze samen. Tegenwoordig verschijnen er zoveel studies die niet veel meer zijn dan fragmenten. Hernieuwde doordenking van een bijbels verantwoorde ethiek hebben met name onze jonge mensen hard nodig. Maar daarin moeten wij de confrontatie met de tijdgeest niet schuwen, ons niet bij voorbaat vastleggen op de oude stellingen. In die confrontatie doen ook de moderne literatoren mee.

Prof. dr. W. H. Velema heeft in het boek Literatuur en ethiek ('s Gravenhage 1977) een goed artikel geschreven over de ethische aspecten van het lezen van literatuur. Na gewezen te hebben op de radicale veranderingen in onze cultuur, merkt hij op: 'We zullen moeten zien dat het literaire kunstwerk geen neutrale aangelegenheid is, maar een boodschap bevat.
Naarmate de tegenstellingen zich toespitsen, zal ook de literatuur nog meer dan voorheen spreekbuis en verbeelding zijn van de keus voor of tegen de openbaring' (blz. 161). Onze kinderen, die boeken van moderne auteurs lezen, moeten wij geestelijke wapening meegeven in de strijd. Voor predikanten ligt hier een grote taak. Ik hoop, dat onze literaire beschouwing en overpeinzing een stimulans mag zijn om deze zaken opnieuw te gaan bestuderen en dat u de vruchten daarvan zult doorgeven aan de gemeente, in het bijzonder aan de jeugd die zo dringend geestelijke leiding nodig heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Het mensbeeld in de moderne literatuur

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's