Diakonaat in deze tijd (2)
Waar gaat het eigenlijk om in het diakonaat, waarin bestaat de onderlinge hulpverlening?
2. De wortel van het diakonaat
4. ‘De wortel van het diakonaat ligt in de dienst, die Christus zelf aan zijn gemeente bewijst'. Zo luidt het principiële uitgangspunt van het beleidsplan van de G.D.R. uit 1980.16) Daarmee is de dubbele roeping van de gemeente gefundeerd in Christus zelf. 17) Hij verkondigde het Evangelie van het Koninkrijk, openbaarde de wil des Heeren, die niet de dood en ondergang van zondaren zoekt, maar hun leven en behoud. Maar overal waar Christus het Koninkrijk Gods predikt, blijkt dat zijn Woord ook daad is, wordt een nieuwe werkelijkheid opgeroepen. Waar Hij spreekt worden machten van ziekte en dood, van onrecht en bezetenheid verbroken. De tekenen van het Rijk van God worden zichtbaar. Melaatsen worden gereinigd, doven gaan horen, een hongerige schare wordt gevoed. Waar Christus de Woorden van zijn Vader spreekt, worden uitgestoten mensen in de gemeenschap opgenomen. Hij is bij een tollenaar te gast, laat Zich door een publieke vrouw de voeten zalven. Muren van wantrouwen en verachting worden doorbroken als een Samaritaan Hem te voet valt om God te danken voor zijn genezing.
Zo openbaart Christus zijn ontferming over de mensen, die Hij aanziet als schapen zonder herder.
Zijn Woorden blijken daden te zijn, zijn beloften zijn werkelijkheid. Zijn goddelijke toekomst breekt al door het heden heen, iets wordt zichtbaar van zijn genadige heerschappij.
In deze dienst worden de apostelen uitgezonden: om het Evangelie te verkondigen én de tekenen van het Koninkrijk te laten zien. 'Geneest de kranken, wekt de doden op, werpt de duivelen uit' (Matth. 10 : 8). Het Evangelie gaat bekerend en genezend in op de werkelijkheid en zal echte vernieuwing tot stand brengen. Het Evangelie bestaat niet in woorden maar in kracht. 18)
Later is dit ene apostolische ambt uitgewaaierd naar onze drie ambten toe. Zo is het met name aan de diaken toevertrouwd ervoor te waken, dat het in de verkondiging van het Evangelie niet allen bij woorden blijft. Bekering en verzoening, vernieuwing en hoop, vrijheid en gemeenschap willen gestalte krijgen in het leven der gemeente.
5. In de bijbels-theologische bezinning op het diakonaat zijn meerdere grondwoorden van belang. Het woord 'barmhartigheid' is terecht een sleutelwoord genoemd in diakonaat en hulpverlening. 19) Daarnaast valt te denken aan gerechtigheid, dienstbetoon, hulp, bevrijding enz. Ik zou vandaag het woord 'gemeenschap' willen onderstrepen.
Waar gaat het eigenlijk om in het diakonaat, waarin bestaat de onderlinge hulpverlening? Meer en meer gaan we inzien, dat het daarin niet primair begonnen is om wat we meebrengen (bijv. ons geld), maar wie we zelf zijn voor de ander. 20) Dat we met die ander een relatie aangaan, dat die ander in onze gemeenschap wordt opgenomen.
De genade is immers, dat het isolement waarin de zonde ons heeft gebracht, wordt doorbroken. De mens, die vervreemd is van zijn God wordt door genade rnet Hem verzoend. Deze genade geeft ons ook een plaats in de christelijke gemeente, die van Gods gaven leeft en getuigt.
Een kenmerk van de christelijke gemeente is, dat ze alles gemeenschappelijk heeft, zowel in geestelijk als in materieel opzicht. 22) 'En de menigte van hen die geloofden, was één hart en één ziel; en niemand zeide, dat iets van wat hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen' (Hand. 4 : 22). In de gemeente heeft men deel aan het gemeenschappelijk geloof (Titus 1:3), men heeft gemeenschap aan het Evangelie' (Filip. 1 : 5), men deelt in de verdrukkingen (Filip. 4 : 14), in de aardse goederen (Hand. 2 : 44, 45) en in het lijden (2 Kor. 1:7). Als één lid lijdt, lijden allen mee, als één lid verheerlijkt worden verblijden zich alle leden mee (1 Kor. 12 : 26). Alle charismata, die God verleent, staan ten dienste van het geheel (Rom. 12 : 4vv).
De geestelijke en materiële goederen, die God ons schenkt, zijn niet bedoeld om ons daarmee onafhankelijk van de ander te maken, maar om daarmee in de gemeenschap anderen te kunnen dienen.
6. Die notie van de gemeenschap moeten we ook vast houden als het om 'geven' gaat. Er kan namelijk een geven zijn, waarmee we de ander op een afstand houden, men geeft om van de ander af te zijn.
Wilh. à Brakel noemt dat ergens 'dat men geeft, alsof men een hond een stuk brood toewerpt'. 22)
Het bijbelse geven vindt zijn volle diepte in de gave van de Zoon, die Zichzelf gaf om vijanden met God te verzoenen. Niet om van de zondaar af te zijn, maar om voorgoed mef hem in liefde verbonden te zijn. De echo daarvan klinkt in de gemeente.
In Macedonië heeft men niet alleen voor Jeruzalem gecollecteerd, schrijft Paulus, maar zij gaven zichzelf, eerst aan de Heere en daarna aan ons door de wil van God. 23) Dit dienstbetoon (diakonie) ten gunste van de heiligen wordt een 'gemeenschap' (koinoonia) genoemd. Men zal in Jeruzalem God prijzen, niet om de overvloedige collecte, maar om de overvloedige 'gemeenschap' (2 Kor. 8 : 4; 9 : 14; cf. Rom. 15 : 26; Hebr. 13 : 16).
Deze hulpverlening heeft dan ook niets neerbuigends in zich; in het kader van de koinoonia is er zelfs sprake van een wederkerige gave. Juist in de gemeente, waarin men weet heeft van de veelkleurige genade van God, mogen we van elkaar ontvangen en delen in elkaars overvloed.
Alleen wanneer we geleerd hebben te leven van wat ons om niet werd geschonken, zijn we bij machte zo te geven, dat de ander er niet in vernederd maar bemoedigd wordt. En, dit geven houdt tevens de bereidheid in om van de ander te willen ontvangen en te leren.
7. Het accent op de gemeenschap brengt met zich mee, dat we het diakonaat allereerst zien functioneren binnen de christelijke gemeente en tussen de kerken onderling. 24)
We zien dat in Jeruzalem in de gemeente na Pinksteren, zo is het bij de 'eerste interkerkelijke hulpverleningsactie, die in de christelijke kerk ooit is gehouden' 25) (Romein), waarover Paulus in 2 Kor. 8 en 9 schrijft. Elders roept Paulus op om goed te doen aan allen, het meest aan de huisgenoten des geloofs (Gal. 6 : 10). De apostel Johannes legt een sterk accent op de broederliefde: zo wie nu het goed der wereld heeft, en ziet zijn broeder gebrek lijden, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem? ' (1 Joh. 3 : 17). Maar net zo min als de verkondiging van het Evangelie kan worden opgesloten binnen de muren van de kerk, kan de liefde en de daadwerkelijke hulpverlening zich beperken tot de eigen gemeente of de wereldkerk. 26) We hebben goed te doen aan allen (Gal. 6 : 10), God zal worden verheerlijkt over de gemeenschap aan Jeruzalem 'en aan allen' (2 Kor. 9 : 13). Na de broederliefde noemt Petrus de 'liefde jegens allen' (2 Petr. 1 : 7). Ook daarin mag de liefde van Christus gestalte krijgen, die voor zijn vijanden gebeden en geleden heeft. 'Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst zo geeft hem te drinken' (Rom. 12 : 20) Woord en daad horen onverbrekelijk bijeen. Dat geldt ook tegeno, ver hen die buiten staan. Met wervende woorden en winnende daden beide mogen we in de dienst van Christus staan.
3. Zelden echte bloei
8. De kerk heeft moeite gehad de tweevoudige roeping tot Woord en daad op bijbelse spanning te houden, heb ik gesteld. Uit de vroeg-christelijke kerk zouden prachtige voorbeelden te noemen zijn van christelijke bewogenheid en daadwerkelijke inzet voor de medemens. 27) We zullen daarbij de betekenis van deze onbaatzuchtige liefde voor de verbreiding van het Evangelie niet licht overschatten. Tussen diakonaat en apostolaat lopen duidelijk verbindingslijnen. Ook in de eeuwen daarna werd de zorg voor de armen als een belangrijke, taak voor de kerk gezien. In normale omstandigheden werd één vierde deel van de kerkelijke inkomsten daarvoor gereserveerd, maar in slechte tijden werd dat ook wel de helft of meer. 28) Er zijn voorbeelden van bisschoppen, die kerkschatten verkochten om aan de dure roeping der kerk om de armen te helpen te kunnen voldoen. Later toen de kerk rijker werd, bleek het steeds moeilijker om van deze bezittingen afstand te doen en bekommerde men zich meer om de bouw van prachtige kerken dan om de nood van de armen.
De diaken was inmiddels een liturgische randfiguur geworden, die slechts wat hand-en spandiensten verrichtte in de eredienst. 29)
Calvijn heeft met grote passie ervoor gepleit de zorg voor de armen weer de plaats te geven die ze toekomt. In felle bewoordingen hekelt hij de zucht naar pracht en rijkdom van de rooms-katholieke kerk en haar dienaren. 30) Het is een schande voor de kerk om goud en zilver te bezitten, terwijl de armen honger lijden. Hij noemt dat struikroverij en diefstal. De aalmoezen behoren de armen toe, de goederen zijn aan Christus gegeven en moeten naar Zijn goeddunken worden bediend. Het diakenambt wordt door Calvijn in ere hersteld, als een ambt met een eigen roeping. Vanuit Rom. 12 : 8 meent hij dat er twee soorten diakenen behoren te zijn. 31)
De eersten hebben vooral een beheerstaak, ze zijn de 'rentmeesters van de schat der armen', geroepen om de gaven uit te delen. De andere diakenen (waartoe ook vrouwen kunnen behoren) hebben een meer direkt-verzorgende taak, in de daadwerkelijke hulpverlening aan armen en zieken.
Overigens is deze onderscheiding, die ook in de Geneefse kerkorde is terug te vinden, door de Franse en Nederlandse kerken niet overgenomen. 32)
Wilh. à Brakel heeft in zijn Redelijke Godsdienst de Nederlandse diakenen hoog geprezen om hun gewilligheid en vaardigheid. 33) Hij noemt hun bediening de zwaarste die er is. Maar toch mist zijn beschrijving van het diakenambt de bewogenheid van Calvijn. Zo beperkt hij de diakonale roeping heel nadrukkelijk tot de eigen gemeenteleden. Wanneer we een buitenstaander zouden helpen, zouden we hem daardoor slechts stijven in zijn ongeloof. 34) Er is bij hem een zekere hiërarchie in de ambten aan te wijzen, waarin de predikanten duidelijk de eerste en de diakenen de laatste plaats innemen, 35) een hiërarchie die onder ons nog steeds zijn sporen trekt. Onvermijdelijk gevolg daarvan is een onderwaardering van het diakonaat en een eenzijdige concentratie op de geestelijke roeping der kerk.
9. We moeten constateren, dat het diakonaat der gemeente maar zelden echte bloei heeft gekend. Ik heb me wel eens afgevraagd of de Heid. Catechismus niet al te snel zegt, dat de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze geen zorgeloze mensen maakt. Principieel is dat ongetwijfeld juist! Maar heeft het in de praktijk niet dikwijls geleid tot de opvatting: predik slechts het Woord en de daden komen vanzelf wel? Is daarin wel voldoende de weerbarstigheid van het hart verdisconteerd en neemt men de zonde van de traagheid daarbij voldoende ernstig?
Wanneer Christus heerschappij wil oefenen over het gehele leven, roept dat grote weerstanden op. We zijn geneigd om belangrijke sectoren van het bestaan onder zijn gezag weg te houden. Niet zelden hebben we het Evangelie beperkt tot een louter geestelijke zaak, waarbij het dagelijkse leven en de sociale werkelijkheid buiten schot bleven.
Wij kennen in onze pastorale praktijk ongetwijfeld mensen, die door een waarachtig geloof Christus zijn ingeplant, en bij wie nochtans de vruchten der dankbaarheid schraal en onvolgroeid zijn.
16. Beleidsplan 1980 G.D.R., Utrecht 1980, blz. 3
17. A. Romein, Het diakonaat van de gemeente, Theol. Reformata 19 (1976), blz. 269
18. 1 Kor. 4 : 20
19. A. Noordegraaf, a.w., blz. 194
20. P. J. Roscam Abbing, Komen als geroepen, 's Gravenhage, 1978, blz. 229
21. vgl. C. Veenhof, a.w., blz. 106v
22. Wilh. a Brakel, Redelijke Godsdienst, Dordrecht, 19e druk, deel I, blz. 669
23. zie over 2 Kor. 8 en 9: C. Veenhof, a.w., 114vv en A. Romein, Twee diakonale hoofdstukken, in Wapenveld 31 (1981) blz. 10vv
24. vgl. P. J. Roscam Abbing, a.w., 229v; A. Romein, Het diakonaat van de gemeente, blz. 273
25. A. Romein, Twee diakonale hoofdstukken, blz. 10
26. J. Verkuyl, in I. H. Enklaar, Onze blijvende opdracht, Kampen, 1968, blz. 111
27. zie A. Noordegraaf, a.w. blz. 190v; J. C. van Dongen, a.w., blz. 40; C. Veenhof, a.w., blz. 104v
28. Joh. Calvijn, Institutie, IV-4-7 en 8
29. Joh. Calvijn spreekt van 'beuzelingen', a.w., IV-5-15; anders oordeelt J. C. van Dongen, a.w., blz. 46vv
30. Joh. Calvijn, a.w., IV-5-15 tot 19
31. Joh. Calvijn, a.w., IV-3-9
32. A. D. R. Polman, Onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis, Franeker, z.j., IV, blz. 21
33. Wilh. a Brakel, a.w., deel I, blz. 668-674
34. Wilh. a Brakel, a.w., blz. 669
35. Wilh. a Brakel, a.w., blz. 670; vgl. de tegengestelde beweging bij A. A. van Ruler, Barmhartigheid en gerechtigheid, in: Verwachting en voltooiing, Nijkerk, 1978, blz. 161 J. C. van Dongen stelt, dat in de Reformatie vooral in de diaken het ambt een 'anti-hiërarchische spits' kreeg, d.w., blz. 52.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's