Uit de pers
Noordmans over Kohlbrugge
In het Kerkblaadje (orgaan van de Stichting Vrienden van dr. H. F. Kohlbrugge) van 19 febr. schrijft dr. W. Aalders naar aanleiding van de verschijning van het derde deel van de Verzamelde Werken van Noordmans iets over de betekenis van deze grote theoloog, vooral in relatie tot Kohlbrugge, Aalders wijst erop hoe Noordmans' theologie verweven is met de kerk en haar vaders. Noordmans heeft dan ook veel aandacht gegeven aan Kohlbrugge. In VW III zijn 2 opstellen over Kohlbrugge opgenomen.
Het eerste handelt over Kohlbrugge, 's Festpredigten, het andere draagt als titel: De betekenis van Kohlbrugge voor de theologie van onze tijd. Karakteristiek voor Noordmans is al de inzet: 'Kohlbrugge is tot op zekere hoogte particulier eigendom geworden en ik vroeg mij af of ik deze theoloog met zo persoonlijke accenten, de man van preken en brieven, zou mogen behandelen. Toch lag het niet in de bedoeling van deze prediker om in vriendenkringen opgesloten te blijven. Hij was een oecumenische geest, sterk belezen in kerkvaders en reformatoren. En zijn invloed is, meer dan bij enig ander theoloog uit het Réveil, Europees geweest. Wel is de vorming van vriendenkringen allerminst toevallig. Kohlbrugge was biechtvader van aanleg. Men leze de brieven, uitgegeven door Böhl, en men zal een sterke indruk krijgen van zijn gave om zielen te leiden' (blz. 507).
Uit deze regels is duidelijk, hoe Noordmans vanuit zijn Sallandse pastorie contact zoekt met de Elberfeldse prediker en tegen welke achtergrond hij het gesprek met hem begint. Hij benadert hem als 'een oecumenische geest, sterk belezen in kerkvaders en reformatoren, en met Europese invloed'. Wanneer wij onze indruk weergeven van het trillingsbereik van deze ontmoeting op grond van deze artikelen, dan valt het ons moeilijk daaruit de slotsom te maken dat hier sprake was van twee zielen en één gedachte. Ongetwijfeld betrof het hier theologen, kerkleraars, die beiden ingebed waren in de schoot der vroomheid en die de kerk kenden vol sfeer en stemmen; of zij echter geheel eensgeestes waren, waag ik te betwijfelen. Ik constateer dat, zonder daarmee ook maar in de verste verte een negatief oordeel over één van beiden te willen uitspreken, Noordmans was oecumenischer en Europeser dan Kohlbrugge. Wanneer wij de gelegenheid zouden hebben gehad om de boekenkasten in de Elberfeldse en de Sallandse pastorie te vergelijken, dan zou dat opperduidelijk gebleken zijn. Kohlbrugge was veel minder geïnteresseerd in de vragen des tijds dan Noordmans. Hij luisterde minder naar de stemmen die opklonken uit de actualiteit, en meer naar de stemmen uit hoger sferen. Noordmans was breder. Kohlbrugge dieper. Wil men hen in hun verschillende geaardheid typeren, dan dringt zich onwillekeurig de vergelijking op met Luther en Melanchton.
Nog eens, het is allerminst mijn bedoeling daarmee de één te verheffen boven de ander. De Here God heeft beiden aan de kerk als leraars gegeven. Beiden zijn geurende bloemen op de weidegronden van Saron. Men kan alleen maar hopen, dat in onze tijd waarin de auto' s de predikanten wegtrekken uit hun pastorieën en de schetterende loudspeakers de stilte van de studeerkamers verstoren, er toch nog theologen gevonden worden, die bestand zijn tegen deze moderne verleiders en die als nijvere bijen uitzwermen om de honing te vergaren van de velden van de Karmel en van Saron.
Het verschil wat Aalders constateert zal zeker ook samenhangen met de verschillende achtergrond en ontwikkelingsgang. Meer dan Kohlbrugge is Noordmans bekend geweest met de filosofie van zijn tijd. Bovendien is daar de invloed van de ethische theologie en van Barth. Toch zijn er ook overeenkomsten. Ik denk aan Noordmans' diepborende kerstmeditaties waarin het Kohlbruggiaanse element zo sterk naar voren komt: Gods Zoon die zich vernedert om armen rijk te maken. De lijn die Noordmans in deze meditaties trekt van de vleeswording naar de verzoening doet denken aan Kohlbrugge's kerstpreken.
***
Gelijkwaardig of gelijk
Het Voorontwerp wet gelijke behandeling blijft in discussie. In het Centraal Weekblad van 17 februari wijst drs. J. Bonda erop dat veel christenen zich ongenuanceerd scharen onder de banier van de emancipatie, zonder zich af te vragen of de vlag wel een bijbelse lading dekt. In de Bijbel is de gelijkwaardigheid van alle mensen bepaald niet op een lijn gesteld met de gelijkwaardigheid van alle handelen. Er wordt onderscheiden-discrimineren ! - tussen goed en kwaad. Men moet dus bijbels gesproken onderscheid maken tussen wat een mens is en wat hij doet. De bijbelse eis te onderscheiden waar het op aankomt, staat haaks op de huidige moraal dat ieder maar moet weten wat hij met zijn sexualiteit wil doen. Uitvoerig gaat Bonda in op de bijbelse visie op de man / vrouw verhouding.
De bijbel leert in Genesis 1 en 2 de gelijkwaardigheid van man en vrouw, en leert eveneens dat de vrouw te lijden heeft onder de heerschappij van de man - het recht van de sterkste (Gen. 3 : 16). De strijd om de gelijkwaardigheid van de vrouw is daarom met recht gevoerd en zal altijd doorgevoerd moeten worden. Het Voorontwerp bevat daarover goede voorstellen. Iets volslagen anders is echter de strijd om de gelijkheid van man en vrouw. Deze filosofie kenmerkt de wijze waarop in het Voorontwerp het woord emancipatie óók uitgelegd wordt. Zeker, er is gerekend met het verschil in lichaamskracht, met het feit dat de vrouw zwanger kan worden en zelfs met aparte publieke toiletten. Dat zijn dan een paar ongemakken die uit het verschil in lichaamsbouw voortvloeien. In wezen is een vrouw niets anders dan een man, en een man niets anders dan een vrouw. Die paar lichamelijke verschillen doen in wezen niet ter zake. De bijbel vertelt ons echter wat anders over ons mens-zijn! Daar horen we dat het vrouw-zijn een door God bedoelde wezenlijk andere wijze van mens-zijn is dan het man-zijn; niet alleen in enkele lichamelijke verschillen, maar in heel haar mens-zijn als eenheid van lichaam en ziel. De man is niet compleet mens zonder de vrouw en omgekeerd.
De filosofie van de gelijkheid leert daarentegen dat het onderscheid tussen man en vrouw zoveel mogelijk weggewerkt moet worden.
Op de vrouwenconferentie van de Verenigde Naties te Kopenhagen in 1980 moet namens ons land betoogd zijn dat de emancipatie van de vrouw in de grond van de zaak wordt tegengehouden doordat de vrouwen kinderen ter wereld brengen. Uiteraard moet men in zulke vergaderingen het geloof in de Schepper er zorgvuldig buiten houden, maar in feite zou Hij het toch zijn die de vrouw gedupeerd heeft door haar de moederrol toe te bedelen. De woorden van Genesis 3 over het zaad van de vrouw en de moeder van alle levenden spreken wel een andere taal.
In de lijn van de 'Kopenhaagse' verklaring - wat moest de wereld beginnen zonder de 'gidsfunctie' van ons land! - kan men verwachten dat binnen afzienbare tijd de zwangerschap geheel van de moederschoot naar het laboratorium kan verhuizen. Een heerlijke nieuwe wereld die ons te wachten staat! Voor het heden moet men zich vergenoegen met de doorbreking der rolpatronen - een taak waar men zich dan ook met veel ijver op werpt. Jongens en meisjes móéten - of ze daar nu aardigheid aan hebben of niet - zoveel mogelijk dezelfde dingen doen. Dat een vrouw iets liever zou doen of zelfs beter zou kunnen dan een man, is in deze theorie al even ongerijmd als het omgekeerde.
Nu is er niets tegen dat geijkte rollen af en toe bijgesteld worden, maar... wanneer straks de kinderen geen enkel verschil meer merken in het optreden van hun vader of hun moeder, dan mag men er eerst wel eens over denken of hun levensgeluk en hun ontplooiing daarmee een goede dienst bewezen is. Of zou het niet tot het recht van het kind behoren dat de Schepper hun een echte vader en (!) een echte moeder gegeven heeft? Hebben wij het recht daar wat anders van te maken? En dan gaan we maar niet in op de onuitsprekelijke saaiheid des levens die ons te wachten staat wanneer eindelijk het doel van deze gelijkheidsfilosofie zal zijn bereikt.
Een vrouw kan iets wat een man niet kan - zij kan een huis tot een thuis maken voor haar gezin of voor anderen. Het is waar dat dit een grote offerbereidheid van haar vraagt, maar ik denk dat ons levensgeluk hiermee staat of valt. Het is helaas ook waar, dat de man te vaak verzuimt deze offervaardigheid naar waarde te schatten. Ik meen dat de woorden van Genesis 3 en de vermaningen van Paulus in Efeziërs 5 daarop betrekking hebben. Het is niet mogelijk hier nu verder op in te gaan; ik moet verwijzen naar mijn bijbelstudie over Genesis 1-5 'De vrouw en haar zaad' (in de reeks Verklaring van een Bijbelgedeelte uitgegeven bij Kok). Het doordrijven van sommige feministen mag ons dus niet - uit reactie - doen vergeten dat de strijd voor emancipatie in het licht van de bijbel geen overbodigheid is, evenmin als de strijd tegen de slavernij dat was.
Maar daarmee is nog niet gezegd dat met de geringschatting van de betekenis van de huisvrouw de goede weg is ingeslagen. Zeker heeft de vrouw recht op werk - en gelijke beloning daarvan - buitenshuis. Maar een andere zaak is óf - en in hoeverre - zij daar gebruik van zal maken; en vooral of haar dit meer waard maakt, dan het vervullen van de taak van vrouw en moeder. Legt men hier niet gewoon de oude mannenmaatstaf aan: wie zelf-verdiend geld op tafel légt, is pas wat waard?
Ik meen dat we dankbaar moeten zijn voor dit nuchtere en evenwichtige, geluid. De gelijkheidsfilosofie van onze tijd lijkt wel recht te doen aan mensen, maar zou in feite wel eens neer kunnen komen op beknotting van wezenlijk levensgeluk. Het beste antwoord op allerlei modieuze kreten die vandaag de dag klinken is m.i. een bijbelse benadering die recht doet aan de positie van de vrouw in gezin, kerk en samenleving. Gelijkwaardig... wat iets anders is dan een grauwe nivellering. En het beste antwoord op de hedendaagse moraal is niet het negatieve protest, maar een verantwoord leven naar de hoge stijl van Gods goede geboden.
***
Over het eeuwig leven
In het Geref. Kerkblad voor Overijssel, Gelderland, Utrecht en Noord-Holland (vrijgemaakt) van 6 febr. jl. is de tekst opgenomen van een causerie van dr. R. H. Bremmer in de rubriek Moment van de NCRV. Bremmer haakt daarbij in op een artikel van de schrijver Hermans in de NRC.
Is een christen die in het hiernamaals gelooft een 'egoïstisch monster? ' Ja, zegt de auteur Willem Frederik Hermans in het zaterdagse bijvoegsel van NRC/Handelsblad van 19 december 11. Dat bijvoegsel vergastte de lezers van deze krant op een reeks artikelen waarin het geloof in God en de godsdienst zélf bespottelijk werden gemaakt. Het z.g. door God Zelf geschreven 'Hollands Dagboek' bereikte daarin wel een toppunt van hoon. Zo tolerant als de NRC is als het om het verdragen van allerlei maatschappelijke verschijnselen gaat, zo intolerant is ze hier tegen het christelijk geloven.
Is het christelijk geloof een on-redelijke, een voor een mens die doordenkt onaanvaardbare zaak? Is het geloof aan een voortleven in de hemel, in het hiernamaals, niet acceptabel voor wie gewoon zijn verstand gebruikt? Hermans werpt in zijn bijdrage christenen en moslims op één hoop omdat zij beiden in een zaligheid geloven en nu citeer ik 'zonder het vermogen nog maar een vluchtigste gedachte te wijden aan alles wat op de aarde achtergebleven is'. 'Je kunt er niet eens bidden, zegt Hermans, vóór je dochter die aan leukemie dreigt te sterven of voor je zoon die ondergaat aan heroïne. Als je daarvoor in de hemel zou moeten bidden, is je zaligheid gewoon niet volkomen. Als een mens in de hemel moet denken aan alles wat hij heeft achtergelaten op de aarde dan zou hij de hemelse zaligheid vervloeken en in wanhoop naar de uitgang van de Godsstad ijlen', aldus Hermans. Zijn hoofdbezwaar is dus: in de hemel kun je niet meeleven met het aardse leven, kun je dat niet voortzetten want dan is je zaligheid niet volkomen. '
Waarop grondt Hermans deze weergave van het christelijk geloof? De enige bron die hij citeert is een theologische encyclopedie uit 1952. Is dat een oorspronkelijk document voor het christelijk geloof? Is het wetenschappelijk verantwoord en geoorloofd de eigenlijke bronnen van het geloof dat je bestrijdt te passeren? Kun je moslims bestrijden en de Koran dichtlaten? Kun je het christelijk hemelgeloof bestrijden en de Bijbel gesloten laten? Waar kun je, als het er om gaat het christelijk geloven op het punt van het hiernamaals weer te geven, beter en eerder terecht dan bij Christus en zijn evangelie zelf?
Want uitgerekend over het punt van het verband van het leven tussen hemel en op aarde, heeft Jezus , zich zelf uitgesproken. In Mattheüs 22 vertelt de evangelist hoe Sadduceeën tot Jezus kwamen, even ongelovig inzake het eeuwige leven als W. F. Hermans. Ze kwamen met het verhaal over een vrouw die, volgens de Joodse gewoonte van het zwagerhuwelijk, achtereenvolgens met zeven broers was getrouwd geweest. Van wie is ze nu straks in de hemel de vrouw vroegen ze? In hun denken was de hemel pas waard hemel te zijn als je daar de band kunt aanhouden met het aardse leven. Precies als bij Hermans voor wie het hemelgeloof pas waarde heeft als de hemel op hetzelfde niveau ligt als het aardse leven.
Jezus antwoordde hen koninklijk. Hij zegt: Jullie kennen de Schriften niet en de kracht van God. Immers, iii de opstanding trouwen ze niet en worden ze niet ten huwelijk genomen maar ze zijn als de engelen van God. Daarmee vervalt beslist niet de identiteit van de gestorvenen, zoals Hermans suggereert. Jezus vervolgt nl.; hebben jullie niet gelezen dat God zegt: Ik ben de God van Abraham, Izaak en Jakob? God is niet een God van doden maar van levenden.
Ieder die het christelijk geloven bespottelijk probeert te maken door het eeuwige leven op hetzelfde niveau te plaatsen als het aardse leven, geeft daarmee blijk zich er nog nooit serieus in verdiept te hebben. Hij kent metterdaad de Schrift niet en de kracht van God die het eeuwige leven ver boven het niveau van het aardse uittilt. Ik denk hier aan de Pensees van Pascal, die schreef: de God van Abraham, Izaak en Jakob is een God van liefde en vertroosting; hij is een God die ziel en hart vervult van hen, die de zijnen zijn; hij is een God, die hen innerlijk hun ellende en zijn oneindige barmhartigheid doet gevoelen'. Daar hoort ook bij de belofte van een toekomst die Hij zijn kinderen schenken gaat en die ver boven het niveau van dit aardse leven uitgaat. God heeft Christus, die Zelf dobd is ' geweest, in de hemel opgenomen en in Hem weten doden en levenden zich nu reeds verbonden. Wie in God gelooft, gelooft ook in een eeuwig leven. Dezelfde Pascal van zoeven schreef óók: 'heel ons handelen en denken zal zozeer een andere loop nemen al naar gelang men op een eeuwig leven mag hopen of niet'. Het artikel van Hermans is daarvan - helaas! - een sprekend voorbeeld.
Het is opvallend hoe fel en venijnig de aanvallen worden op het christelijk geloof in deze tijd. Dat is uiteraard de eeuwen door zo geweest, van af de vroege kerk, maar we bespeuren in deze tijd toch het wegvallen van een door het christelijk geloof gestempelde beschaving. Wat dan overblijft is niet de neutraliteit. Maar de intolerantie van het ongeloof. Zeker, ootmoed past ons als christenen vanwege ons zwakke getuigenis. Maar die ootmoed mag ons niet verhinderen rekenschap te geven van geloof en hoop. Tegenover de aanvallen past ons geen werelds verzet, maar een levend en bijbels getuigenis. Daartoe make de Heere ons in deze tijd getrouw.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's