De Schrift en haar tijd
God heeft door een bijzondere zorg voor onze zaligheid Zijn geopenbaarde Woord op schrift laten stellen
Wat bedoelen we met tijd?
God heeft door een bijzondere zorg voor onze zaligheid Zijn geopenbaarde Woord op schrift laten stellen, zo belijdt de kerk in de Ned. geloofsbelijdenis art. 3. Hij heeft dat gedaan door de dienst van mensen. Slechts de twee tafels van de wet heeft Hij naar het getuigenis van Ex. 31 : 18 e. a. Zelf geschreven, voor het overige heeft Hij mensen willen gebruiken.
En als we ons afvragen, hoe Hij die mensen gebruikt heeft, moet het antwoord zijn: menselijk. Hij heeft die mensen als mensen gebruikt. Wat dat betekent kunnen we ons het beste indenken als we even een vergelijking maken met bijv. schrijfmachines. Alle schrijfmachines van een bepaald merk en type leveren hetzelfde resultaat op. Wie zo'n schrijfmachine gebruikt is daarbij nauwelijks van belang.
Zo is het met mensen niet. Ze hebben ieder hun eigen aard, karakter en aanleg. Een ieder van hen is gevormd onder zijn eigen bijzondere omstandigheden.
Welnu, bij het gebruik van mensen om Zijn Woord op schrift te stellen heeft de HEERE al die elementen, waardoor de ene mens zich onderscheidt van de ander, mee opgenomen. Lukas is bij het schrijven van zijn evangelie Lukas gebleven en Paulus, Paulus en zo zouden we voort kunnen gaan.
Nu onderscheiden mensen zich niet alleen door aanleg of karakter, maar ook door de tijd waarin zij leven. En dat is de zaak, die hier bijzonder onze aandacht vraagt. Wat betekent het voor ons, dat de Schrift uit een bepaalde tijd stamt?
Om dat zo helder mogelijk voor ons te krijgen richten we ons eerst op het verschijnsel van tijd en geschiedenis. Geschiedenis is de onophoudelijke stroom van gebeuren. In die stroom brengt de tijd orde aan. Allereerst de orde van de beleving. We beleven de dingen verleden, tegenwoordig en toekomend. Maar dan ook de orde van het meten. De tijd van de klok stelt ons in staat vast te stellen op welk punt van die klokketijd een bepaald gebeuren plaats vond en vindt. Ook kunnen we meten hoeveel tijd een gebeuren in beslag heeft genomen. Afgeleid van dat laatste, kan tijd ook tijdperk betekenen. Het geeft dan een deel aan van de geschiedenisstroom. Zo'n tijdperk wordt dan niet alleen maar, afgebakend aan de hand van de klok, zoals de ene eeuw van de andere, maar ook door allerlei veranderingen op cultureel, maatschappelijk of politiek gebied. Zo onderscheiden we bijv. het tijdperk van de Middeleeuwen, de Verlichting en de Moderne tijd.
Toen en nu
Wanneer we zo nu de tijd van de Bijbel met onze tijd vergelijken, moeten de verschillen wel opvallen. Alleen al de taal die gesproken werd, is anders maar ook allerlei gewoonten op het gebied van kleding, eten en drinken, lichaamsverzorging, de omgang met elkaar enz. Allerlei goede en nuttige boekjes kunnen ons daarover inlichten. De verschillen strekken echter nog verder. Wat een hoge vlucht hebben immers sinds de Bijbelse tijd de wetenschappen niet genomen. Hoeveel meer is ons niet bekend geworden van bijvoorbeeld de samenstelling van het heelal. Allerlei onderzoekingen en metingen hebben er toe geleid, dat de onderling afhankelijke bewegingen der hemellichamen ons duidelijker voor ogen zijn komen te staan. En zoals het in de grote verbanden van het heelal is, is het ook in de kleinere van bijvoorbeeld het menselijk lichaam en de processen, die zich daarin afspelen.
Wij weten niet alleen meer, we kunnen ook meer. De toepassing van de natuurwetenschappen in de techniek heeft ons tot vroeger onvoorstelbare dingen in staat gesteld. Deze ontwikkeling heeft weer ingrijpende maatschappelijke veranderingen tot gevolg gehad. Om dat te zien behoeven we slechts onze hedendaagse geïndustrialiseerde samenleving met haar door computers geleide en bestuurde produktieprocessen te plaatsen naast een voornamelijk agrarische maatschappij zoals we in de Bijbel aantreffen.
Daarnaast zouden we ook nog kunnen wijzen op veranderingen in het zedelijk bewustzijn van de mensen. In de tijd van de Bijbel zag niemand bepaald een kwaad in het houden van slaven, terwijl vandaag de dag dat in flagrante strijd wordt gezien met de rechten van de mens. Juist op die rechten wordt in onze tijd zeer veel nadruk gelegd.
Als we dit alles overzien kunnen we zo onder de indruk komen van de verschillen, dat we niet anders meer zien. We ervaren vooral een breuk ten aanzien van het verleden. We zien nauwelijks meer enige verbinding. We hebben het gevoel dat alles anders is, en dat ook alles anders moet. Naar ons besef dwingt het moderne levensgevoel ons alles opnieuw onder woorden te brengen en alles anders te doen.
Toch is hier enige nuchterheid wel op zijn plaats. Heel de geschiedenis door zijn het toch altijd weer diezelfde mensen, met dezelfde laatste noden. En als we denken aan wat God in Zijn Woord ons daarover openbaart, het zijn allen mensen met dezelfde schuld voor God. Deze nuchtere vaststelling is niet alleen op zijn plaats maar zelfs dringend geboden tegenover de veranderingsideologie, in welks greep het hedendaagse christen-zijn lijkt gevangen.
Waardering van die verandering
Dat brengt ons op een volgende overweging. Hoe hebben we de veranderingen die zich voordoen in de geschiedenis te waarderen? We zagen dat velen zo onder de indruk zijn van de veranderingen dat ze menen dat verandering ook moet. Die mening wordt vaak gedragen door een positieve waardering. Verandering lijkt dan per definitie wel te zijn vooruitgang, ontwikkeling. De tijd waarin wij leven wordt sterk ervaren als een tijd van vernieuwing en bevrijding. Allerlei misstanden en allerlei taboe's van vroeger zijn weggevallen, en wat overgebleven is moet alleen maar hetzelfde lot delen. Bovendien zal de nog steeds voortgaande ontwikkeling van de wetenschap ons in staat stellen het menselijk leven nog beter te beheersen en te regelen. We zijn met z'n allen op weg naar de volmaakte samenleving, die al of niet het koninkrijk van God wordt genoemd.
Deze positieve waardering wordt soms ondersteund door bepaalde gedachtengangen over de werking van de Heilige Geest. We vinden daarvan een voorbeeld in 'Christelijk Geloof' van dr. H. Berkhof par. 52 vv. De Heilige Geest zou dan ook op een eigen, aparte wijze werken aan de vernieuwing van de wereld. Er zou dan ook in de inzichten van niet-Christenen, die leiden tot maatschappelijke aardverschuivingen iets zitten van het vernieuwende werk van de Heilige Geest. Het mag duidelijk zijn, dat een dergelijke opvatting in sterke mate bijdraagt tot een positieve waardering van de ontwikkeling.
Anderen daarentegen waarderen de verandering veel meer als verval. Onder hen zijn er, die zich verzetten tegen de macht van de techniek in onze dagen. Ze zien in een romantiserend heimwee terug naar de agrarische samenlevingen van vroeger. Een dergelijke houding kan leiden tot daden van protest en agressie, die voor zichzelf spreken.
Ook zijn er onder hen, die de nadruk leggen op het zedelijk verval. Zij wijzen op een toenemend materialisme, de grote ongebondenheid op sexueel gebied, ja, op een toenemende vervlakking en vervaging van het totale menselijke normbesef.
Beide standpunten lijden ons inziens aan eenzijdigheid. God heeft de hemel en de aarde geschapen. En toen Hij alles zag, wat Hij gemaakt had, zei Hij: Het is zeer goed. Toch betekende dat niet, dat toen alles al af, voltooid was. Wel waren alle mogelijkheden aanwezig. De ontwikkeling daarvan echter werd in de handen van de mens gelegd. Hij mocht de hof bebouwen en bewaren. Hetgeen de schepping bevatte moest ontplooid worden in cultuur, wetenschap en techniek. Ook kreeg de mens de opdracht om vruchtbaar te zijn, zich te vermenigvuldigen en, de aarde te vervullen. Niet een enkel mensenpaar immers kon de weerspiegeling zijn van de heerlijkheid Gods. Het beeld van God, naar hetwelk de mens was geschapen had ruimer ontplooiing nodig. De Naam van God moest worden geheiligd in de geschiedenis der volken. Die geschiedenis zou mogen zijn het schouwspel van de heerlijkheid Gods.
Daarom kunnen we zeker positief staan tegenover allerlei verschillen onder mensen en volkeren, als ook tegenover allerlei ontwikkelingen. Niet de eentonigheid immers is tot eer van God, maar de veelheid van vorm en kleur ook in het leven der volkeren. En wij mogen ook de ontwikkeling van wetenschap en techniek dienstbaar stellen aan de verheerlijking van Gods Naam. En het is niet onjuist om hierin een werking van de Heilige Geest te zien in algemene zin.
Als we echter maar goed vasthouden, dat er ook een andere lijn is. Na de schepping kwam de zondeval. Die liet de mens wel mens, maar beroofde hem toch van de oorspronkelijke gaven van kennis, gerechtigheid en heiligheid. En naast de in Christus, door Zijn Heilige Geest vernieuwde mens, blijft er altijd ook nog de oude mens, die ook zijn geschiedenis maakt. Trouwens, in zichzelf is ook de gelovige nog die oude, vleselijke mens. Dat brengt mee dat de heiliging van Gods Naam in dit leven altijd onaf blijft. En houden we bij alle verandering en ontwikkeling de kritische vraag over of ze ook werkelijk een verbetering is.
Bij zo’n kritische vraag worden we zonder meer teruggeworpen op een norm. En kan die norm dan minder zijn dan de Schrift zelf, waarin naar wij mogen geloven het Woord van de levende God tot ons komt? Een Woord dat ons ook nu alles te zeggen heeft.
Openbaring, Schrift en aanpassing
Nu we zo de omgeving van ons vraagstuk wat verkend hebben, komen we weer terug bij de Schrift. We kunnen dan in zekere zin nog een stap teruggaan. Aan de Schrift ging immers gedeeltelijk de openbaring vooraf. En brengt openbaring zelf al niet een stuk aanpassing mee? Openbaring houdt in: bekendmaking, onthulling. En dat betekent toch voor de hoge God vernedering, aanpassing? In Zichzelf is Hij toch te groot en te verheven om door mensen gekend te worden? Het eindige kan het Oneindige toch niet omvatten. Als God Zich openbaart daalt Hij af naar de mensen, die naar Zijn Beeld zijn geschapen, past Hij Zich aan aan hun bevattingsvermogen, bindt Hij Zich in zekere zin aan de voorwaarden, die gelden voor het menselijk kennen. Hij stelt Zich op ons niveau. Hij maakt Zich zo klein dat wij mensen Hem kennen kunnen.
Als we dit belijden, wil dat echter niet zeggen, dat wij God in dat kennen in onze macht, tot onze beschikking krijgen. Juist het gebruik van de term aanpassing veronderstelt Zijn hoogheid. Zijn transcedentie. Zijn Zichzelfzijn. Die aanpassing veronderstelt een vrije wilsbeschikking. Hij boog Zich in welbehagen neer om Zich bekend te maken. Dat betekent anderzijds niet, dat Zijn openbaring niet betrouwbaar zou zijn. Dat God de HEERE ons maar een schijnbeeld van Zichzelf vertoont en dat Hij heel anders zou zijn, dan Hij Zich laat kennen. Integendeel, Hij maakt Zich bekend zoals Hij is. We kunnen op Zijn openbaring aan. Het houdt wel in dat Hij desondanks in Zijn Zelfopenbaring de hoge en eeuwige God blijft.
Die aanpassing betreft echter niet alleen algemeen menselijke voorwaarden. Ze reikt nog verder. De HEERE openbaarde Zich daar en toen. Hij openbaarde Zich aan dat volk, toen in die tijd op die plaats. In taal, begrippen, voorstellingen en vormen, die voorde mensen van toen verstaanbaar waren. In Zijn openbaring gaat Hij in in de omstandigheden, waarin de mensen toen leefden.
En zoals dat van Zijn openbaring geldt, geldt dat van de Schrift, die enerzijds geïnspireerde weergave is van de openbaring en anderzijds zelf ook openbaring is, evenzo. We zagen al, hoe God de Heilige Geest bij Zijn inspiratie op menselijke wijze van mensen gebruik heeft gemaakt.
We willen in dit verband wijzen op het feit van de ontwikkeling van de kennis des HEEREN in Israël, die verband houdt met de omstandigheden waarin het volk verkeert. Ze leren de HEERE pas echt duidelijk zien als de God aller volken, als ze in de ballingschap met al die volken en hun macht kennis hebben gemaakt. Duidelijker dan ooit te voren verstaat nu Israël, dat alle volken en koningen Hem moeten dienen, dat zelfs Cyrus in een bepaalde zin Zijn uitverkorene is.
Voor een genuanceerd oordeel in deze zaken is ook nog een andere overweging nodig. De openbaring past zich nl. bepaald niet alleen maar aan, aan geldende voorstellingen en inzichten. Ze is er soms ook kritisch op betrokken. De profeten hebben zich nooit zomaar neer mogen leggen bij allerlei toestanden in hun dagen. In dit verband is ook de geschiedenis uit Joh. 4 sprekend. Allereerst verwondert de samaritaanse vrouw zich erover, dat de Heere Jezus als Jood van haar water begeert. Joden hadden toen geen omgang met Samaritanen. En als de discipelen terugkeren verwonderen zij er zich over, dat Hij met een vrouw sprak. De Heere Jezus stoort Zich niet aan de geldende zede, die verbood om onderweg veel woorden met een vrouw te wisselen. En voor een rabbi gold dat nog wel heel in het bijzonder.
Zulke voorbeelden maken wel duidelijk, dat het niet aangaat om zomaar vlotweg te zeggen: De Bijbel is tijdgebonden. Zo glad en eenvoudig ligt dat zeker niet. De openbaring en de de Schrift zijn wel op hun tijd gericht. De Bijbel is niet uit de hemel gevallen als de steen van Mekka. Zij is niet, zoals men beweert van het boek van Mormon overgeschreven van rechtstreeks uit de hemel afkomstige gouden platen. De Bijbel is een boek van haar tijd. Dat betekent ongetwijfeld een stuk aanpassing, aansluiting, maar we hebben gezien dat daar tegelijkertijd ook een stuk kritiek zit, een stuk doorbreking ten opzichte van die tijd.
In de artikelenserie, die we in ons blad geplaatst hebben over de Heilige Schrift, is door ds. H. Visser aandacht gegeven aan de tijdgebondenheid en-de tijdbetrokkenheid van de Schrift. Onafhankelijk daarvan hebben we nog twee artikelen van drs. J. Westland (Ede) over de Schriften haar tijd. Die plaatsen we nu, los van genoemde serie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's