De Naam belijden
Openbare belijdenis
Openbaar staat tegenover verborgen. Zo betekent openbare geloofsbelijdenis, dat iedereen het zien en horen mag.
Openbaar staat tegenover verborgen. Zo betekent openbare geloofsbelijdenis, dat iedereen het zien en horen mag. Belijdenis van het geloof voltrekt zich niét alleen in de binnenkamer, ook niet tussen een lid van de gemeente en een ambtsdrager of een college van ambtsdragers, maar voltrekt zich publiekelijk. Allereerst voor Gods Aangezicht maar dan óók voor het aangezicht van de gemeente in een samenkomst van de gemeente, waarbij om zo te zeggen de deuren zelfs open staan naar de straat. De kerk staat open voor iedereen. Zo mag iedereen van de gemeente en daarbuiten zien hoe afzonderlijke mensen de Naam des Heeren belijden. Dat kan hier nog zó publiek, dat inderdaad iedereen het weten mag en erbij mag. Hoeveel landen zijn er niet in deze wereld waar het openbare van de geloofsbelijdenis zich beperkt tot de gemeente, terwijl de gemeente in het verborgen moet samenkomen?
Het was een gedachte, die me trof toen ik dezer dagen weer al die kerkbodes onder ogen kreeg, waarin de rijen met namen, staan afgedrukt van hen, die dezer dagen in het midden van de gemeente geloofsbelijdenis afleggen. Zó openbaar als die berichten in de bladen zijn en zó openbaar als de samenkomsten der gemeente zijn, zó openbaar is ook het afleggen van de belijdenis des geloofs.
De Naam
Ik legde er hierboven al even de nadruk op dat geloofsbelijdenis niets minder is dan de Naam belijden. In de Naam des Heeren, Jahwe, de Getrouwe God van het verbond, ligt heel Gods wezen uitgedrukt.
Beleden wordt dat God er is. Beleden wordt wie God is. Beleden wordt hoe God is. God de rechtvaardige en de heilige, maar ook de barmhartige en genadige. God die liefde is maar die ook toornt over de zonde. Maar als we God belijden belijden we zowel de Vader als de Zoon als de Heilige Geest. God de Vader, de Schepper en Onderhouder van alle dingen. De Zoon die door Kruis en Opstanding verzoening aanbracht voor de zonde, door wiens werk de zonden vergeven worden. God de Heilige Geest, die van de Vader en de Zoon uitgaat, die een gemeente - ten eeuwigen leven verkoren - bijeenbrengt uit alle volkeren door alle tijden. Belijdenis doen is God belijden, God die de geschiedenis leidt, die de geschiedenis ook van een klein mensenleven schrijft en die eenmaal de boekrol van de geschiedenis openen zal, zodat ook openbaar wordt wat tot heden verborgen bleef.
Deze Naam belijden is geen vanzelfsprekende zaak in een wereld, die beheerst wordt door machten, door ideologieën, door vreemde religies. Die Naam belijden is zeker geen vanzelfsprekende zaak in een situatie, waarin de secularisatie fel heeft toegeslagen en kosten nog moeite worden gespaard om God dood te verklaren, hem te bespotten. Geloofsbelijdenis is vandaag minder vanzelfsprekend dan vroeger. Het vraagt bewuste keuze in een wereld, die aan het nihilisme ten prooi valt. En toch, ze zijn er ook vandaag gelukkig, de duizenden, die openbaar voor die Naam willen uitkomen, die God als God willen belijden.
Met welk geloof?
Het lijkt een vreemde vraag, die nu wordt gesteld. Met welk geloof wordt God beleden? Er is maar één geloof, dat is gelóóf. Er is wel eens de verwarringstichtende onderscheiding gemaakt van historisch geloof, wondergeloof, tijdgeloof en zaligmakend geloof. We begrijpen de onderscheiding best. Wondergeloof. Mensen beleven een wonder, worden ongedacht genezen van een ziekte, ontsnappen als door een wonder aan de dood, ontmoeten iemand, wat niet toevallig kan worden genoemd. Even schijnt geloof op te bloeien. Maar kijk het later nog maar eens na. Geloof was het niet.
En tijdgeloof. Mensen geloven voor een bepaalde tijd. Ze leggen belijdenis van het geloof af. En ga jaren later nog maar eens kijken. Ze hebben afgehaakt van kerk en gemeente. Ach ja ze 'geloven' nog wel, maar de zorgvuldigheden van het leven hebben, hen zo in beslag genomen, dat ze er niet meer aan doen. En of die zorgvuldigheden nu inhouden tegenslagen (zelfs dreigende verdrukking) of welvaart met alle beslommeringen en drang naar nóg meer, dat maakt niet uit. Het was géén geloof. Het was ook geen echte geloofsbelijdenis.
En dan historisch geloof. Onvoorwaardelijk geloven in de Bijbel als het Woord van God. Welnu, geloof kan niet zonder buigen onder het gezag van het Woord Gods, het voor waar houden van wat God in zijn Woord zegt. Dat zegt Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus heel duidelijk. Houden we het woord van God, dat wat God in zijn Woord geopenbaard heeft, niet onvoorwaardelijk voor waarachtig, voor betrouwbaar dan mag de vraag gesteld worden of er van echt geloof wel sprake kan zijn. De Bijbel is een Boek van goddelijke inspiratie. Wie er een woord af of toe doet, hij zal worden uitgedelgd uit het boek des levens (Openb. 22 : 19). Maar geloven in de betrouwbaarheid van de Bijbel als zodanig is nog geen geloof. Dan gaat het ook - zo vervolgt Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus - om een vast vertrouwen, wat de Heilige Geest door dat Woord in mijn hart werkt dat ook mij vergeving van zonden, gerechtigheid en zaligheid geschonken is uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus wil. Of - om het met Zondag 21 van de Catechismus te zeggen - dat de Heilige Geest samen met de Vader en de Zoon eeuwig God is maar dat Hij óók mij gegeven is, 'opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al zijn weldaden deelachtig make, mij trooste en eeuwig bij mij blijve'.
De kerk is ten diepste tóch een vergadering van ware Christ-gelovigen, die al hun heil en zaligheid verwachten in Jezus Christus, gewassen door Zijn bloed en gereinigd door de Geest. (art. 27 N.G.B.).
Verwachten
Hier ligt nu de spanning voor velen bij het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis. Geloven voor een tijd mag het niet zijn. En als het nu eens moeilijk wordt?
Geloven vanwege wonderlijke ervaringen komt niet in tel.
Geloven in de Bijbel en in de God van de Bijbel doe ik wel, maar de Heilige Geest ook mij gegeven? Is het echt geloof?
In de geloofsbelijdenis - zo viel mij op - staat het woord verwachten. Alle zaligheid verwachtende in Jezus Christus. Er staat niet in welke mate, of hoe sterk het geloof aanwezig moet zijn. Maar is er het verwachten van het heil, dat alleen in Christus gevonden wordt? Dat mag de kerk vragen van hen, die belijdenis van het geloof afleggen. Zo kan ook belijdenis worden gedaan, hoe ook in alle schuchterheid. Dan geven we ook niet te gemakkelijk toe aan de gedachte dat belijdenis doen van een historisch geloof wel voldoende is. Dan wordt nl. het belijdenis doen spanningsloos.
Je wordt lid van de kerk omdat je gelooft dat de Bijbel waar is. De worsteling voor Gods Aangezicht raakt er dan uit. Dan zijn we met de vragen van het verband tussen belijdenis en avondmaal ook snel klaar. Je hebt dan een kerkelijk recht om aan het avondmaal te gaan maar dat is nog geen goddelijk recht. We kunnen deze kwestie echter ook eerder stellen. Men heeft op bepaalde leeftijd een kerkelijk recht om belijdenis te doen maar is het in zoverre een goddelijk recht dat God, ons hart aanziende, ervan weet hoezeer we inwachten het heil in Christus, ook al zien we het nog maar in de verte. We zullen de laatste zijn die er een soort automatisme van maken: men doet belijdenis en dus men moet ten avondmaal. Dan ligt alles in de wettische sfeer. Ook de gang naar het avondmaal, wil dat een oprechte gang zijn, wordt gewérkt door de Heilige Geest.
Maar belijdenis doen mag nooit louter een zaak van het verstand zijn. Als we belijdenis doen losmaken van geloof (en er is maar één soort geloof, al behoort het aanvaarden van Gods Woord als de Waarheid daar helemaal bij) dan wordt de gemeente een dorre akker waarop geen vruchten meer groeien.
Ik las bij ds. J. C. Westrate, predikant van de Geref. Gemeenten te 's Gravenpolder, het in de Saambinder zo:
'Zonder wedergeboorte kan niemand God zien. Daarbij stelt Gods Woord ons de eis van de waarachtige bekering en dat niemand het recht heeft om onbekeerd te zijn. Zo is het ook met het afleggen van de belijdenis des geloofs. Het is niet genoeg belijdenis van de waarheid te doen, de Heere eist een belijdenis des geloofs. Belijdenis doen doe ons niet rusten. Levend op de erve van het verbond is het noodzakelijk de waarheid die we belijden met een geheiligd verstand te leren, dat is tot ons eeuwig welzijn.'
Dit zegt hij nadat hij gewezen heeft op het gevaar van dwang tot het avondmaal, en nadat hij erop gewezen heeft dat volgens Calvijn het afleggen van belijdenis ook nodig is om de waarheid van geslacht op geslacht over te dragen.
Belijden is doen
Onlangs is een boekje verschenen onder de titel 'Belijden is doen'. Dat is - afgezien van de inhoud van dat boekje - een goede woordspeling op belijdenis doen. Het afleggen van belijdenis heeft consequenties voor ons doen en laten. Het zal aan ons te zien zijn als we ons heil verwachten van Christus. Wel in de wereld niet van de wereld. In de wereld ligt onze taak en toch zijn we er ergens, vreemdeling. In woord en daad zal dat blijken. Zo is belijdenis doen niet een zaak van één moment in een kerkdienst maar van het hele leven. Belijdenis van dit ene: God is goed voor goddelozen. Dat blijkt ook in de levensheiliging, die ook blijvende vrucht van de Heilige Geest is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's