De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Schrift en haar tijd (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Schrift en haar tijd (2)

10 minuten leestijd

Het mag ons allereerst wel tot dank en verwondering brengen dat God Zich zo heeft willen openbaren. Hoe zeer wilde Hij Zich daarin vernederen.

Onze houding

Van nog groter belang dan het constateren van deze zaken is onze houding in dezen. Hoe gaan wij met de tijdgerichtheid van de Schrift om. We zouden hier een aantal aspecten willen aangeven.

Dankbare verwondering

Het mag ons allereerst wel tot dank en verwondering brengen dat God Zich zo heeft willen openbaren. Hoe zeer wilde Hij Zich daarin vernederen. De vergelijking met de vleeswording van de Zoon dringt zich op. God komt ons in Zijn openbaring zo dicht mogelijk nabij. Hij doet er bij wijze van spreken alles voor om het ons zo goed mogelijk te laten verstaan.

Het is als bij een onderwijzer. Als die het breukenstelsel aan de kinderen in zijn klas gaat uitleggen, doet hij dat niet door heel algemeen te stellen dat een half en een half samen een is. Neen, hij laat ze bijv. allemaal een appel meebrengen. Heel konkreet laat hij dan zien, hoe het met breuken gaat. Op de duur beseffen de kinderen, dat wat de meester heeft gezegd van een appel, ook bij een peer enz., enz. opgaat. De algemene regel komt op uit het bijzondere geval.

Zo heeft de HEERE ons in Zijn Woord ook geen boek gegeven met slechts algemene regels en definities. We komen die er wel in tegen, maar telkens weer ingebed in de konkrete situatie van volken en mensen. Daarin heeft Hij Zich bekendgemaakt. Zo komt Hij levend, konkreet en begrijpelijk naar ons toe. We mogen dat in dankbare verwondering aanvaarden.

Tegelijk houdt dat voor ons ook een opdracht in. Want juist omdat het Woord zo konkreet naar ons toekomt, kunnen wij er niet om heen het ook heel konkreet toe te passen en er in onze situatie naar en uit te leven. Als de HEE­ RE bijvoorbeeld zegt, dat het ten onderpand gegeven kleed 's avonds weer naar de eigenaar terug moet opdat het hem tot bedekking zal dienen, stelt ons dat zo konkreet de liefde tot de naaste en zijn recht op bescherming voor, dat het een dringend appèl doet op ons in onze situatie evenzo te doen. Dat appèl is zo veel dringender, dan wanneer wij alleen maar een algemene regel van naastenliefde hadden voorgeschreven gekregen.

Eerbiedige aanvaarding

Tegelijk is echter de nodige voorzichtigheid geboden. Men kan op een geheel verkeerde manier met de tijdgerichtheid van de Schrift omgaan. Men spreekt dan vooral over tijdgebondenheid. Men ziet dan de Schrift geheel betrokken in de algemeen menselijke voorwaarde van historiciteit. En daarom, zo meent men, kan wat toen gold nu niet meer gelden. Verschillende voorstellingen en geboden in de Schrift meent men zo als verouderd te kunnen afdoen. Het geloof in de engelen zou een voorstelling zijn, ontleend aan de volkeren rond Israël en daarom voor ons niet meer ter zake doen. Ook de discussie rondom de positie van de vrouw in de Christelijke gemeente wordt vaak van hieruit benaderd. In een krantenbericht over een gemeenteavond, die tot onderwerp de homofilie had, las ik dat men ook terecht kwam bij de woorden van Paulus. Maar, zo werd er al gauw naar voren gebracht, die moeten we zien tegen de achtergrond van hun tijd.

Hetzelfde vinden we bij het onder woorden brengen van het geloof in de Heere Jezus Christus. De Bijbel zou daarbij aan een stuk door gebruik maken van toevallige, toendertijd goed verstaanbare modellen en beelden om de boodschap van het geloof uit te drukken. Voor ons zou het nodig zijn die modellen te toetsen aan onze eigen ervaring.

Zelfs zijn er, die heel de Schrift als tijdgebonden terzijde willen leggen. Hoogstens is zij dan nog getuigenis van een Woord van God dat toen geschiedde. Nu in onze tijd hebben wij dan een ander, een nieuw Woord van God nodig. Dergelijke gedachtengangen blijken in de praktijk telkens weer te leiden tot een uitlevering aan menselijke ideeën en inzichten. We moeten daarbij eerlijk de vraag stellen of er niet een groot stuk ongeloof achter steekt. Een stuk ongeloof dat de wrange vrucht is van de vijandschap van het menselijk hart tegen God en Zijn Christus.

Toch mogen we hier stellig niet met algemene oordelen te werk gaan. We doen daarmee, zoals dat zo vaak het geval is, velen onrecht. In de meeste gevallen wordt de zgn. tijdgebondenheid van de Bijbel gehanteerd om voor haar blijvende boodschap ruimte te scheppen. Er ligt de oprechte bedoeling achter om voor het moderne levensgevoel de openbaring van God te verdedigen en aanvaardbaar te maken. Op alle mogelijke manieren probeert men dan formuleringen en onderscheidingen te vinden, waarbij men enerzijds vasthoudt aan de Bijbel als het Woord van God en anderzijds toch rekening wil houden met haar menselijke, historische zijde. Zo spreekt men over het hart van de Schrift, over haar middelpunt en randen, over haar eigenlijke bedoeling, over de schat.van het Woord van God, die gedragen wordt in het aarden menselijk vat van de Schrift. En deze opsomming zou nog met verschillende andere formuleringen aan te vullen zijn.

Nu is daar opzichzelf weinig bezwaar tegen. Al lang is er in de Christelijke gemeente het besef, dat er fundamenten zijn van het geloof en dingen, die toch van minder belang zijn te noemen. Bijvoorbeeld als het gaat over de duidelijkheid van de Schrift. De Reformatie heeft daarop sterk de nadruk gelegd. De Schrift kon aan een ieder in handen gegeven worden. Ze is immers duidelijk in de dingen, die nodig zijn tot zaligheid. En met recht kan er ook gesproken worden over de eigenlijke bedoeling van de Schrift. Ze is er, om met haarzelf te spreken om ons wijs te maken tot zaligheid 2 Tim. 3 vs. 15vv. Ze heeft het doel niet om ons wijs te maken in de wetenschap van de biologie natuurkunde of geschiedenis. Toch blijft de vraag naar de norm in discussie. Het gevaar dreigt immers telkens weer, dat we buiten-Bijbelse normen gebruiken om binnen de kring van de Schrift onderscheid aan te brengen. Alle goede bedoelingen ten spijt verzanden we dan in het subjectivisme. Een ieder voor zich gaat uitmaken wat tijdgebonden is en wat niet. Wie zijn Gode vijandige hart enigszins leerde kennen, zal daar helemaal beducht voor zijn. En liever de Schrift aanvaarden zoals God haar gegeven heeft.

Er zit immers ook een stuk verkiezing in, dat God Zich toen en daar heeft geopenbaard. Wij mogen dat respekteren en vertrouwen, dat Hij ook ons alles te zeggen heeft. Verkiezing is er ook tot dienst. Het Israël van toen mag met haar geheim alle volkeren dienen.

Dat betekent niet dat al die volkeren nu ook dat Israël van toen en daar moeten worden. We verwijzen dan naar wat we gezegd hebben over de ontplooiing van het beeld Gods en over de heiliging van de Naam. Het betekent wel, dat we slechts toegang hebben tot God door datgene wat Hij aan het Israël van toen en daar heeft geopenbaard. Het is onmogelijk Gods openbaring los te pellen uit haar konkrete verschijningsvorm. Slechts in een eerbiedig aanvaarden van Gods Woord van toen wil de Geest ons ook nu leiden in alle waarheid.

Dat eerbiedig aanvaarden houdt dan zondermeer een eerbiedig luisteren in. En eerbiedig luisteren betekent de woorden lezen in hun verband. Het veronderstelt een nauwkeurige exegese. Alleen zo kunnen wij leren al onze normen, of die nu ouderwets of modern zijn, te verliezen en de norm van het Woord Zelf over te houden.

Argeloosheid

Dat mag een derde kant zijn van onze houding tegenover de tijdbetrokkenheid van de Schrift. We kunnen deze kant duidelijk waarnemen in het leven van de Christelijke gemeente. Niemand in onze gemeenten bidt met opgeheven handen zoals het dringend verzoek van Paulus in 1 Tim. 2 : 8 dat eigenlijk wel veronderstelt. Niemand raakt van zijn stuk als een dominee bepaalde dingen in een tekstgedeelte verklaart vanuit hun oudoosterse achtergrond. Het Oude Testament geeft ons de indruk, dat het levenscentrum, de ziel werd gedacht in het bloed, maar geen van ons zal met de Jehovagetuigen bloedtransfusie afwijzen. En als we in 1 Kor. 7 lezen van vaders, die hun dochters uithuwen, zal een ieder, dat toeschrijven aan de zede, die toen gold. En zo zijn er nog meer zaken te vinden, die haast vanzelfsprekend aan de tijd van ontstaan der Schrift worden toegeschreven. In dit verband mag ook nog wel herinnerd worden aan de argeloosheid waarmee Calvijn over het menselijke en gebrekkige van de Bijbelschrijvers spreekt in verband met de aanhalingen uit het Oude Testament in het Nieuwe.

Maar dan hoeven we daar nog geen geweldige ophef van te maken. En nog minder dat gaan gebruiken als een soort hefboom om allerlei Schriftgegevens uit te lichten en krachteloos te maken. Liever laten we zulke zaken staan en zoeken naar de zin en betekenis die er ook voor ons in gelegen kan zijn. En we zijn erg op onze hoede om een zin en betekenis te construeren, die in het straatje van onze begeerten past.

Verlegenheid in vertrouwen

Toch houden we een verlegenheid over. Alle vragen lossen we niet op. Dat moet een ieder ervaren, die niet de toevlucht wil nemen tot een gemakkelijk dualisme van het menselijke en het Goddelijke in de Schrift. Dan verklaren we allerlei dingen die ons mensen van de twintigste eeuw niet meer schijnen te passen vlot weg voor menselijk en betrekkelijk, voor tijdgebonden en denken dan wel niet de Schrift, maar toch het Woord van God gered te hebben.

Wie echter vast wil houden aan heel de Schrift als het Woord van God en toch in gesprek wil blijven met het ganse veld van de wetenschap vindt niet op alles een passend antwoord. Ook niet als we de wetenschap ondervraagd hebben op haar veronderstellingen en de wetenschapper op de houding van zijn hart. Dan begint immers het gesprek pas goed.

Een andere verlegenheid, die hier wel direct mee in verband staat, is die om een formule te vinden waarin het tegelijk eeuwige én tijdgerichte van de Schrift worden onderscheiden en niet gescheiden.

Een formule, die dan op elk Schriftgegeven toepasbaar zou zijn. Als het gaat over de aanraking van het goddelijke en het menselijke stuiten we telkens op een geheim. De kerk heeft dat in de belijdenis over de Persoon van Christus wel onder woorden gebracht, maar meer zeggend hoe het niet moet zijn, dan hoe wel is. En als het gaat over de wedergeboorte, waarbij de Heilige Geest op het hart van zondaren inwerkt spreken de Dordtse Leerregels ook over 'een wonderlijke, verborgen en onuitsprekelijke werking'. Toch laten deze verlegenheden ons niet hopeloos achter. De Schrift zet immers zelf haar gezag door. Ze is eigenlijk helemaal niet afhankelijk van wat wij erover zeggen. Onze verdedigende theorieën kunnen zelfs wel eens wat al te krampachtig zijn. En misschien in de hemel een heilige glimlach verwekken.

De drieënige God Zelf immers staat achter Zijn Woord. En het welbehagen des HEEREN zal door de hand van Christus gelukkig voortgaan. En als dat de schijn der dingen tegen heeft, de Nederlandse geloofsbelijdenis spreekt van een schijnbaar tot niet gekomen zijn van de kerk, dan nog mogen we vertrouwen dat de Schrift in Gods hand is en dat zij zal doen al wat Hem behaagt. In dat vertrouwen van het geloof ontkennen we niet krampachtig onze verlegenheden en reizen we toch getroost voort de toekomst van Gods koninkrijk tegen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De Schrift en haar tijd (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's