Een middag en avond van de Synode
Twee stukken van de ROS
Vrijdag 19 maart jl. bood de agenda van de Synode ons een tweetal stukken, beide afkomstig van de Raad voor Overheid en Samenleving, die resp. in de middag-en avondvergadering behandeld werden.
Het eerste stuk was een - voorlopige - notitie over het energievraagstuk die moet gaan dienen als materiaal voor een brief die de Synode wil laten uitgaan in verband met de maatschappelijke discussie over de energievoorziening. Bij de voorbereiding van deze notitie waren ook adviseurs buiten en binnen de Synode geraadpleegd, terwijl het tot de speciale opdracht van de samenstellers hoorde om speciaal te letten op het eigenlijke en eigene dat wij als Kerk in deze discussie zouden kunnen inbrengen.
Het tweede stuk was een lijvige beleidsnota van de ROS, die ter bespreking en goedkeuring aan de Synode werd voorgelegd.
De gang van zaken
De beleidsnotie over het energievraagstuk heeft in de middagvergadering veel kritiek losgemaakt, maar toch heeft de Synode besloten om het stuk als basis te gebruiken voor een in de toekomst te verwachten Herderlijke Brief. Deze zal onder opzicht en verantwoordelijkheid van het Moderamen van de Synode geschreven worden, en met inachtneming van datgene wat op de Synode te berde gebracht werd.
Liever dan ieder die iets gezegd heeft bij name te noemen, geef ik u de inhoudelijke bezwaren door die ter vergadering naar voren kwamen. De Commissie van Rapport had op de notitie van de ROS ingrijpende kritiek geleverd, een kritiek die dus ter Synode ter tafel lag. Deze kritiek kwam uit de radicaal maatschappijkritische hoek. Grondverwijt was, dat in de notitie de maatschappij onvoldoende onder kritiek werd gesteld, en dat de ROS was voorbijgegaan aan de gedachte dat de energievraag in wezen een machtsvraag is: wie beschikt over de energie is de machtige die de ander naar zijn hland kan zetten. Wil men dus komen tot een andere besteding van de voor handen zijnde energie, dan zal men eerst de maatschappelijke verhoudingen moeten aantasten. De Commissie van Rapport stelde: in feite bevordert de ROS de middenstandskerk die we hébben, verloochent de ROS het recht van de armen, en blijven de kritische opmerkingen van de ROS inzake het energiegebruik kanttekeningen in de marge. De ROS doet aan symptoombestrijding.
De kritiek die ter andere zijde werd uitgebracht trof vooral het gebrek aan theologische onderbouw en pastorale instelling dat de notitie verried. Als gevolg daarvan oordeelde men dat de notitie juist op het kardinale punt tekort schoot, nl. dat hij verzuimde duidelijk te maken dat de kerk als Kerk iets te zeggen had wat geen ander zeggen kon. De ethische, zedelijke achtergronden van waaruit de kerk sprak, kwamen onvoldoende, en te verward uit de verf.
Zo deed zich de wonderlijke situatie voor dat de ROS - die men toch waarlijk niet van overlopende 'rechtse' sympathieën kan beschuldigen, zich gedwongen zag zich teweer te stellen tegen een duidelijk tegen Marx aanleunende maatschappijkritiek, en zich af te grenzen tegen 'links', terwijl hij aan de rechterzijde wel fundamentele kritiek, rnaar geen fundamentele afwijzing ontmoette. Het resultaat van deze confrontatie gaf ik u hierboven al door.
Beleidsnota
In de avondvergadering kwam de Beleidsnota ter sprake. Gekoppeld aan deze nota werden in totaal 31 beleidsstellingen aan ons voorgelegd, die door de Synode in hoofdzaak zijn aanvaard.
Ook bij de weergave van de discussie over de Beleidsnota richt ik mij liever op de zaken, dan op de personen. Zo werd diepgaand bezwaar aangetekend tegen de verschraling en vermaatschappelijking van datgene wat de Kerk in de samenleving uitrichten wil, en daarmee tegen de uitholling van de opdracht tot kerstening van het volksleven, en tegen het voet-geven aan de voortgang van het saecularisatieproces. Ds. S. Kooistra, die dit vooral vertolkte, zag een motie aangenomen waardoor de ROS gedwongen werd zich samen met de Raad voor Zaken van Kerk en Theologie te bezinnen op de - nu zo vaak verzwegen of stilzwijgend aanwezige - vooronderstellingen van hetgeen de Raad bezig was te doen. Daar kunnen we dus nu in de toekomst een rapport over verwachten, en, naar ik hoop, een fundamentele discussie over houden in de Synode. Moties, die de Beleidsnota wilden verwerpen op grond van het gebrek aan theologische achtergrond in de arbeid van de ROS, of die het arbeidsterrein van de ROS wilden beperken opdat de ROS zich niet nóg meer zou verlopen, werden niet door de Synode aanvaard.
Kritiek was er ook op de geringe aandacht van de ROS voor mensen, ten koste van de gróte voor structuren. Kritiek ook op het ontbreken van theocratisch gehalte en op het gebrek aan aandacht voor onze oudste broeder in het Koninkrijk Gods: het volk der Joden, Israël.
De repliek van de ROS, bij monde van de secretaris ds. J. van Veen, was gevat, vlot en vlak. Daar speelde ook het tijdsgebrek een rol in, en in ieder geval heeft deze wijze van beantwoorden, die een gevoel van onbehagen achterlaat, het aannemen van de motie-Kooistra in de hand gewerkt.
Hoe het zij: onder voorbehoud van een in de toekomst afgedwongen principiële discussie over wezen en aard van de opdracht der Kerk in de wereld, kreeg de ROS groen licht.
De zaken waarom het ging
Ik veroorloof mij om even puntsgewijs op een rijtje te zetten om welke zaken en principiële beslissingen het gaat bij een notitie als die over het energievraagstuk en bij de Beleidsnota.
1. Dat de Kerk zich uitspreekt over de energievoorziening lijkt een overspannen taakstelling, maar is m.i. terecht een opdracht van de kerk. Het is een opdracht van Godswege om in een tijd gesteld te zijn waarin de verre naaste vlakbij ons wordt gesteld. Wanneer dan blijkt dat het energieverbruik in de praktijk al meer in het nadeel van die verre naaste uitvalt, en dat dit niet slechts een voortgaand proces is, maar een zich versnellend proces, zoals een vallende steen al vallende aan snelheid wint, dient de Kerk zich te bezinnen op de vraag of deze weg bestaan kan voor het Aangezicht Gods. In onze gereformeerde traditie, niet alleen bij Calvijn maar ook bij onze vaderen, zelfs in onze klassieke formulieren, vinden we ingrijpende uitspraken over matiging en soberheid, over gerechtigheid jegens hen die misdeeld zijn - denk aan psalm 72 - en over een kritisch gebruik van datgene wat de wereld ons biedt.
2. De vraag is nu hoé men zich met deze vragen bezig houdt. Bij onszelf moeten we een neiging bespeuren - en veroordelen - om deze vragen buiten de deur te houden, en zo de in gang zijnde processen te laten begaan. Bij de kerk in groter verband bespeuren we de neiging weg te vluchten uit de persoonlijke verantwoordelijkheid tegenover de God, Die onze Wetgever is in allerlei maatschappelijke activiteiten. Omdat we met de persoonlijke zedelijke vragen als kerk geen raad weten, storten we ons teméér in de vragen van de structuren van samenleving en were.ld. Voor zover ik kan zien is onze kerk geslagen met een geweldig gevoel van machteloosheid, dat samenhangt met een diepgaand gebrek aan persoonlijke verootmoediging en persoonlijk streven naar levensheiliging, dat dan omgezet blijkt te worden in een verdubbelde activiteit naar buiten. Daarin bespeur ik iets van de oordelen Gods over ons. Zo krijgt het bezigzijn met de structuren een alibi-functie: wij vluchten er in, in plaats dat het nadenken erover vrucht is van persoonlijke levensheiliging.
3. Hiermee hangt de visie samen die men op de Kerk heeft. Al meer gaat allerwege de neiging toenemen zichzelf als Kerk te zien als een maatschappelijk verschijnsel, weliswaar een uniek maatschappelijk gebeuren, maar dan toch wel inpasbaar in de algemene trend naar een nieuwe maatschappelijke ontwikkeling en de bezinning daarop. Daardoor raakt het profetisch getuigen op de achtergrond. Met zovele woorden stelt de ROS dan ook, dat wij met artikel 36 en 37 niet meer uit de voeten kunnen op de wijze van onze vaderen. Met name het 'bevorderen van de ware godsdienst' als een ambtstaak van de overheid acht men in een pluriform geworden samenleving niet meer hanteerbaar. Bovendien stelt men, dat de overheid waar de belijdenis over spreekt een andere is dan die uit vroeger eeuwen, omdat de overheid van vandaag met duizend draden is verbonden aan de samenleving en daar nauwelijks meer 'tegenover' staat.
Het gevolg is dan, dat in de praktijk de taak van de overheid wordt teruggebracht tot het weren van het kwaad en het ruimtescheppen voor mensen, ook voor de Kerk.
Zelf ben ik van mening dat deze argumenten tegen de belijdenis geen steek houden, en dat de belijdenis in deze wellicht nooit méér actueel is dan juist nu. Juist omdat we in een pluriforme samenleving leven, waarin het christelijk gelaat van het openbare leven op het spel staat. Dat de functie van de overheid veranderd is, doet aan de inhoud van zijn opdracht niets af, en moet de kerk zelfs juist stérker terugwerpen op zijn profetische roeping. De Kerk mag er geen genoegen mee nemen dat het begrip theocratie, godsregering, vertaald wordt naar het maatschappelijkinvloed-oefenen toe. Zo'n vertaling verschraalt niet alleen het belijden, maar ontkracht ook de Kerk als Kerk.
4. Belangrijk is ook de vraag in hoeverre de Kerk op bondgenoten uit is bij het uitoefenen van invloed. Ik bespeur hier een grote dubbelhartigheid in het handelen der Kerk. Enerzijds spreekt de Kerk zich uit voor stappen ter doorbreking van de uitzichtloze bewapeningswedloop, en doet de Kerk dat in naam van de hoop, die in Christus verankerd ligt, in de komst van Zijn Koninkrijk. Anderzijds vraagt de ROS van de Kerk de vrijmacht om zich met allerlei maatschappelijke krachten te associëren om zijn standpunt ingang te doen vinden onder de mensen, ook met die groepen die gedreven worden door het doemdenken dat steeds meer de geesten beheerst. Hoe kan dat? Enerzijds nee zeggen tegen een bewapeningswedloop omdat deze buiten de grenzen van het toelaatbare valt voor hen die op Christus zijn hopende, en anderzijds het doemdenken inhuren om het doel Ie bereiken? Mag dat? Ik vrees dat dit puur wereldse machtsoefening is.
ICTO-IKV
Veelzeggend was op de laatste synodevergadering, dat de secretaris van de ROS aarzelend reageerde toen hem uitdrukkelijk werd gevraagd - per motie - het contact met het IC-TO, het Commité voor tweezijdige ontwapening-intensief te onderhouden. Als argument hiervoor diende deze gedachtengang; terwijl het ICTO er op uit is ontwapeningte bewerkstelligen via tweezijdige ontwapening, is het IKV er op uit tweezijdige ontwapening te bewerken via eenzijdige ontwapening. 'Zo gesteld lijkt het onderscheid tussen ICTO en IKV betrekkelijk: het is een zaak van de weg waarlangs, geen principieel verschil.
Alleen: staan de zaken werkelijk zo? Waarom die terughoudendheid dan? Verraadt deze niet dat de achtergrond van het IKV dermate pacifistisch geladen is dat het deze bondgenoot niet verdraagt - maar wél het doemdenken? Ik denk dan ook dat de terughoudendheid van de ROS in deze een verkapte belijdenis is, nl. deze dat men zich niet open wil stellen voor andersdenkenden, maar alleen voor andersdenkenden die bereid zijn tot volgen wat het IKV voorschrijft, ongeacht hun motivatie. Ik denk ook dat, wanneer de zaak van de wereldvrede en de noodzaak tot ontwapening ons echt ter harte gaat, IKV en ICTO elkaar als verwanten zouden moeten erkennen en hun relatie boven alle andere zouden moeten stellen.
Achter een dergelijke houding van het IKV - dat voor een groot deel gedragen wordt door de ROS - proef ik de overheersende neiging om vanuit een uitgesproken mening van de synode der Kerk en onder rugdekking daarvan de weg in te slaan naar de burgerlijke ongehoorzaamheid, zo niet die naar de revolutie. Zo heeft de Kerk haar uitspraak over de bewapening niet bedoeld, maar het gevaar van manipulatie tekent zich duidelijk af. Zal diezelfde kerk straks ook dit durven zéggen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's