Het leven sterft om doden te doen leven
Van scheldnaam tot erenaam
Scheldnamen zijn er altijd geweest. Soms kunnen ze het karakter van een erenaam krijgen. We hebben allemaal wel eens gehoord van de bekende, aan Barlaymont toegeschreven uitspraak: 'Ce ne sont que des gueux', dat wil zeggen: het zijn slechts bedelaars. Barlaymont moet deze uitspraak gedaan hebben in 1566 toen de lagere adel aan landvoogdes Margeretha van Parma een smeekschrift aanbood en hij haar gerust wilde stellen. Het woord 'gueux' vinden we terug in de naam 'geuzen', een erenaam voor hen die de Nederlanden vrij wilden hebben van de Spaanse dwingelandij en die hun krachten inzetten voor de Prins van Oranje. Hun herkenningsteken was de geuzenpenning met daarop afgebeeld de bedelnap en de bedeltas.
Iets dergelijks geldt voor de achternaam van Heymen Dullaert (1636-1684) een van de kleinere dichters uit de Gouden Eeuw. De naam voert ons terug naar de godsdiensttwisten in het eerste kwart van de 17e eeuw. In Rotterdam, waar we het geslacht Dullaert moeten situeren, heerste toen de strijd tussen arminianen/remonstranten en gomaristen/ contra-remonstranten. Aanvankelijk leek het arminianisme er te zegevieren. Zij die zich met de leer van Arminius niet konden verenigen, moesten aparte samenkomsten beleggen. Ze kregen het hard te verduren: samenkomsten werden verstoord, vergaderruimten gesloten en de eigenaars beboet of ontpoorterd. Ze kregen de schelnaam 'slijkgeuzen', omdat 'se door het slijck moesten loopen tot haaren Godsdienst'. In deze tijd duikt dan voor het eerst de naam 'dullert' of 'dullart' op, wat zoiets betekent als 'dolleman', waarschijnlijk een scheldwoord uit de mond van de arminianen.
Heymen Dullaert
Heymen Dullaert werd op 8 februari 1636 te Rotterdam geboren. Twee dagen later vond de doop plaats in de St. Laurenskerk. Zijn vader was graanhandelaar. Deze gaf zijn kinderen een calvinistische opvoeding van puriteinspiëtische signatuur. Heymen was intellectueel en artistiek begaafd. Reeds als kind was hij vervuld van dichten, schilderen, musiceren en zingen. Als jongen is hij bij de grote Rembrandt in de leer geweest. Enkele van zijn schilderijen zijn bewaard. In dit artikel rond Goede Vrijdag en Pasen wil ik hem als dichter laten spreken.
Dullaert leren we, mede door zijn gedichten, kennen als een man van diepe geloofsovertuiging, een sterk ethisch besef en een grote sociale bewogenheid. In zijn karakter treft ons vooral zijn bescheidenheid en innemendheid. Als dichter heeft hij de lof van God willen verkondigen. Maar, vroeg hij zich af, is het wel mogelijk dat een mensenstem de grootheid van God kan bezingen? Van God geldt immers:
Waar is de geest, die vatten kan
De wondren van Uw wonder wezen?
Wat taferelen zijn ervan?
Of in wat boeken kan men 't lezen?
Gij vreest geen vreselijke wet,
Die d' ondergang van alle mensen
Op 't sterflijk voorhoofd heeft gezet.
Geen tijd Uw schoonheid kan verslenzen.
De hemel is Uw troon; Uw staf de zon, wiens gloed
Uw kleding is; en de aarde een bank voor Uwe voet.
Een mensenstem schiet tekort. Alleen engelen kunnen Gods grootheid ten volle openbaren:
O Oppervorst van 't hemelrijk.
Wij weten dat der Englen scharen
Uw lof, naar eis, met hun muziek
Alleen maar kunnen openbaren.
De lijdende Christus
Diep ontroerend zijn Dullaerts verzen op het lijden en sterven van Christus. Hij schreef ze in de stijl van zijn tijd, de renaissance. De vorm is het sonnet en de vele stijlfiguren (antithesen, paradoxen en retorische vragen) doen denken aan de barok. De vorm is soms wat overdadig, maar ze geven wel een bewogenheid te kennen die we bij een beheerst dichter als Hooft vaak niet ervaren. Naar aanleiding van Lucas 22 : 44 - 'En zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds' - schreef hij het volgende gedicht.
Christus in 't Hofken
Wat rode klonteren besmeuren deze gronden?
Wordt Gij van zonden en wet, van dood en helle omringd?
Zeg, heeft de liefde uw hart in hare gloed verslonden,
Uw hart dat smeltende door huid en kleedren dringt?
Heeft U Gods toorn een pijl in ' t ingewand gezonden,
Die Uw beangst gemoed zo vinnig praamt en wringt,
Dat zijne wonde, ai mij! bloedt uit ontelbre wonden,
Dat uit elk zweetgat, ach! een purperen ader springt?
Maar hebt gij eertijds Heer! uit teder mededogen
Twee waterstromen uit twee zielbeminnende ogen,
Om één Jeruzalem, die gruwelstad, verspreid;
Is 't wonder dat gij dan, in onze schuld getreden,
Om zoveel gruwelen van zo veel duizend steden,
Nu duizend stromen bloeds uit duizend ogen schreit?
In het derde couplet verwijst hij naar het gebeuren dat Jezus weent over Jeruzalem, dat Hem verwerpt. Jezus' tranen worden bij de dichter 'twee waterstromen' (de overdrijving past bij de barok!), twee waterstromen voor slechts één stad: Jeruzalem. Dan is het geen wonder dat uit elke porie van Jezus' huid bloeddruppels komen: om zoveel duizend steden op aarde, bewoond door zoveel zondige, schuldige mensen, moet Hij wel duizend 'stromen bloeds' vergieten. Zeer bekend is ook het gedicht op het verraad van Judas, geschreven naar aanleiding van Matth. 26 : 49.
Verraderlijke Kus
Wat vriendelijker schijn bij vijandlijker haat!
Wat bitterder gemoed bij zoeter liefde teken!
Wat zedelozer hart bij zedelijker spreken!
Wat Christelijker groet bij duivelser verraad!
Wie zag ooit zoveel strijd in vredelijker staat?
Wie schandelijker hoon zachtmoediglijker wreken?
Wie schoner hemelzon door vuiler helnacht breken?
Wie zaligender goed bij doemlijker kwaad?
Aartsvader Abraham, het lustte u eens te zeggen,
Dat Helle en Paradijs al 't afgezonderd leggen,
En nooit verzaligd mens de jammerpoel genaakt.
Maar dit zijn wonderen die ons vernuft doen strijken,
Dat hier de Hemel zelf de snoodste afgrond raakt,
Om ons het groot geduld van Jezus te doen blijken.
Ook dit gedicht wemelt van de tegenstellingen en paradoxen (schijnbare tegenstellingen). Jezus staat tegenover Judas, het Paradijs en de Hel raken hier elkaar, de hemel raakt hier de 'snoodste afgrond'. Let u eens op de eerste strofe om te, zien hoe geraffineerd de dichter die tegenstelling uitwerkt en omdraait:
r. 1 vriendelijker (Jezus) tegenover vijandlijker (Judas); r. 2 bitterder (Judas) t.o. zoeter (Jezus); r. 3 zedelozer (Judas) t.o. zedelijker (Jezus); r. 4 Christelijker (Jezus) t.o. duivelser (Judas).
In de bekende gelijkenis Van de rijke man en de arme Lazarus spreekt Abraham uit dat de afstand tussen hemel en hel onoverbrugbaar is, maar als Judas Jezus kust ziet de dichter daarin hel en hemel elkaar raken.
Rust in God
In de wereld, maar niet van de wereld: dat heeft Dullaert diep beseft en in praktijk gebracht. In hem was enerzijds een intense belangstelling voor de schoonheid van de aarde. Hij heeft gewoekerd met de gaven en talenten die God hem had gegeven. Hij wist zich veilig 'in Jezus' armen', veilig in de rust die Gods kinderen reeds hier op aarde kennen. Ontroerend tekent hij de overgave aan God in het volgende korte gedicht:
Rust in Gods bescherming
Wie overschaduwd uit de hoge
Van God en 't opperste
Gedoken zit, en in
En onder d' allerwiste alvermogen hoede
Van 's Hemels schutheer en Zijn roede.
Gerust van hart en zin;
Die mag met recht en reden spreken:
O God, wat hulp kan mij ontbreken?
Anderzijds kende Dullaert ook het heimwee naar het hemelse vaderland. De aarde was voor hem een 'zorglijk dal vol rampen en gevaren'. De bruid uit het Hooglied zag hij als een type van de Kerk, de bruid van Christus, zoals blijkt uit het volgende gedicht.
Op de afbeelding der bruid in 't Hooglied
Dus zweeft de bruid omhoog, als vlugge rookpilaren.
Bewierookt met een geur van Jezus' offer bloed.
Zij stapt uit 't zorglijk dal vol rampen en gevaren.
Tot waar de Bruidegom haar minnelijk begroet.
't Geloof door 't kruis beproefd dat is Elia's wagen.
Die ons met zegepraal ten Hemel in moet dragen.
Heymen Dullaert stierf op 6 mei 1684, slechts 48 jaar oud. De dood kwam voor hem niet onverwacht en was voor hem geen wrede bedreiger. Altijd had hij een zwak lichaam gehad en de vergankelijkheid van het leven heeft hij steeds sterk beseft, wat ook valt af te leiden uit een van zijn beroemdste gedichten, waarin hij zijn eigen leven vergelijkt met een uitbrandende kaars.
Aan mijn uitbrandende kaars
O haast gebluste vlam van mijne kaars! nu dat
Gij mijne voortgang stut in 't naarstig onderzoeken
Van nutte wetenschap, in wijsheidvolle boeken,
Voor een leergierig oog zo rijkelijk bevat.
Verstrekt gij mij een boek, waaruit te leren staat
Het haast verlopen uur van mijn vergankelijk leven;
Een grondles, die een wijs en deugdzaam hart kan geven;
Aan een aandachtig man, wie zij ter harte gaat
Maar levend zinnebeeld van 't leven dat verdwijnt.
Gij smoort in duisternis nu gij uw licht gaat missen;
En ik ga door de dood uit mijne duisternissen
Naar 't onuitbluslijk licht, dat in de Hemel schijnt.
Zijn biograaf vertelt van hem dat hij stierf 'zacht en lieflijk'. Uit de duisternis naar het 'onuitbluslijk licht'. In zijn leven heeft hij geleefd uit het wonder van Pasen, het wonder van Hem die het Leven is en die aan het kruishout stierf om doden te doen leven:
O hoge wonderen! wat geest is zo bedreven,
Die vat hoe zoveel sterkte uit zoveel zwakheid groeit.
En hoe het Leven sterft om doden te doen leven?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's