Pastoraat in het lijden
Voor het pastoraat komt het er nu op aan het volgende in het oog te houden. Ieder lijder is een voorwerp van Gods opvoedende liefde.
Een beroemd zielzorger uit de vorige eeuw kwam eens op bezoek bij een vrouw in zijn gemeente, die reeds twaalf jaar aaneen een moeilijk ziekbed moest doormaken. Op zijn vraag, hoe zij deze beproeving kon dragen, antwoordde de zieke: 'de eerste vijf jaren heb ik niet anders gedaan dan mopperen en opstandig zijn; de volgende vier jaar ging ik bij ogenblikken inzien, dat dit lijden zeer nuttig voor mij was en mij gedurig meer kracht tot overgave en berusting bracht; de laatste jaren komen er tijden van diepe aanbidding en lofprijzing, dat de Heere mij door deze tegenspoed een rijpingsproces laat doormaken om Hem alleen op het oog te hebben en mij voor te bereiden voor de eeuwigheid.' Het speekt geheel vanzelf dat de predikant door dit getuigenis zeer ontroerd was en het ook nimmer kon vergeten. Hij heeft deze geschiedenis later, toen hij professor was geworden, vele malen aan zijn studenten verteld om hen te leren, dat de echte lijdensschool in het geloof doorlopen niet achteruit doet gaan in de genade, maar innerlijk rijpen doet in de weg achter de Heere Jezus Christus aan om Hem te volgen in het dulden en verdragen van alles wat God ons in zijn hemelse wijsheid op onze levensweg plaatst.
Nu wij deze dingen schrijven komt ons sterk voor de geest, dat wij daarmee een ervaring doorgeven, die zeker tegen het moderne levensgevoel indruist. Wij leven in een tijd, waarin het gehele levensbestel er op uit is om lijden en dood van ons weg te duwen. Vader en moeder worden over het geheel zelden meer oud en gebrekkig temidden van een jong gezin. Neen, het bejaardencentrum vangt ze op en terzijde geschoven van het bonte levensgewoel ondervindt het verplegend personeel van een inrichting alleen de laatste fase van de totale ineenstorting. Zieke en demente personen worden niet meer thuis verzorgd. Ze gaan zo spoedig mogelijk naar daarvoor ingerichte centra. Geen wonder dus, dat een geslacht opgroeit, ontwend aan het lijden en de dood. Ja, veel jongens en meisjes hebben nooit iemand zien sterven, terwijl dat vroeger heel veel voorkwam. Nu ondervinden velen dit pas, wanneer ze zelf al lang vader en moeder geworden, geroepen worden bij het heengaan van eigen ouders. Men is niet meer aan het lijden gewoon. Het wordt aan onze blikken onttrokken. Daarom staat het lijden ook zeer vreemd voor hen, wanneer de mensen van deze tijd daarvoor worden geplaatst. En het spreekt geheel vanzelf, eenmaal wordt toch ieder mens in de situatie van een afscheid gezet.
Het is daarom ook geen vreemde zaak, dat velen willen wegvluchten van enigerlei droeve situatie. Óf men vlucht weg in allerlei uitvluchten om zich aan de verantwoordelijkheid voor de lijdende mens te onttrekken. Beroepskrachten dienen de zorg voor zieken op zich te nemen om ons een aangenaam leven te bezorgen. Óf wij vallen terug in de redenering, dat een boos leven de oorzaak is van allerlei ziekte en kwaal. Zo redeneerden de vrienden van Job, zo dachten evenzeer de Joden en tot op de dag van heden kruipt deze dwaalgedachte nog door de gemeente. Uit tegenslagen en rampen mag men niet tot iemands schuld concluderen. Tenminste in de hoofdlijn nooit. Er is wel een uitzondering. God heeft in zijn zedelijke wereldorde bepaalde natuurlijke gevolgen voor bepaalde zonden gesteld, bijvoorbeeld dat de luiaard en verkwister arm wordt en de alcoholist zijn gehele gezin naar de ondergang voert. Maar de doorgaande lijn des Heeren is dit niet. De pastor moet afwijzen de mening alsof tijdelijk lijden een overeenkomende straf zou zijn voor de zonde. Veeleer is juist het gescheiden zijn van God de wezenlijke straf. Daarentegen ligt in het leed van anderen een waarschuwing voor onszelf om ons niet hoogmoedig op te stellen, maar terdege te weten dat de Heere God ons geen rekenschap heeft af te geven van zijn bestuur, waarom de ene in droefheid daarheen moet gaan en de ander in bloeiende welstand verkeert. In ieder bijzonder geval is ook een bijzonder bestel van God. Voor zondige mensen is er geen lijden, dat louter tot beproeving of bewaring wordt gezonden, maar alle lijden staat van Gods zijde in betrekking tot onze zonden; steeds is het lijden bij de gelovigen zowel als bij de ongelovigen, opvoeding tot een goddelijk doel. Dit doel Gods is bij de ongelovigen, dat zij gelovig worden; bij de gelovigen niet het gered worden, want dit is bij hen reeds geschied, maar de reiniging van de zonden, dat wil zeggen: de herstelling van de voormalige toestand, dat de mens beelddrager Gods is, in gelijkvormigheid aan Christus en dus de volmaking der gemeente van Christus in de volkomenheid van ieder lid. Dit doel van God wordt bereikt, niet als wij de ons nog verborgen blijvende samenhang tussen het lijden en onze zonden zoeken uit te vorsen, maar als wij in vertrouwen het einddoel Gods vasthouden, dat is: ons oefenen in geduld.
Nu zijn er mensen, die noch door voorspoed, noch door lijden tot God worden geleid, maar nog meer worden verstokt. Het onheil, dat over hen komt, is het begin van Gods gericht over hen. Maar de zielzorger weet niet, of hij met zulke definitief onboetvaardigen heeft te doen. Voor hen is in beginsel iedereen te redden. Tenminste daarvan mogen wij als leidraad uitgaan. Desalniettemin leert de zielzorgelijke ervaring ook dat het voorkomt in bepaalde herderlijke ontmoetingen, dat herhaalde vermaningen en gesprekken zodanig bejegend kunnen worden, dat men inderdaad denken moet aan onverbetelijke zondaren. Er kan een gevoelloosheid optreden, waarbij men alle lust tot bekering verliest en tot ongeloof vervalt. De voorhuid van ons hart kan zo dik worden, dat de sterkste prikkels er niet meer door kunnen dringen. Wij neigen er dan ook toe te denken dat een zodanige verharding kan optreden, waarbij personen reeds bij hun leven overgegeven kunnen worden aan de eigen goddeloosheid. Het is gruwelijk wanneer wij dit hier neer moeten schrijven, maar een ieder die mensen kent, weet, dat de ervaring hiertoe leidt.
Afgezien van het bovenstaande moet ieder lid van Gods Koninkrijk, naar Gods bedoeling, tot volmaaktheid komen, binnen de hem door God gestelde individuele perken, zodat hij zijn eigen heerlijkheid ontvangt. De gelijkenissen Matth. 25 : 14-30 en Luc. 19 : 11-27 vullen elkander aan: daar zijn verschillende gaven, gelijke trouw, gelijke lof, naar de hoeveelheid verschillend en toch voor een ieder een volkomen opdracht; hier de gaven gelijk, de trouw verschillend, de opdracht en het genadeloon verschillend, doch zo dat de één, bij gelijke trouw als de ander, meer had kunnen bereiken dan hij nu bereikt. Derhalve naar de hoedanigheid verschillende heerlijkheid (vergelijk ook Matth. 5:8, Hebr. 12 : 14; 1 Joh. 3 : 1-4). Zo kan ook het tijdelijk goddelijk doel bij de gelovige christen zeer verschillend zijn: vooruitgang, reiniging en dergelijke. Hebr. 12 is hier van groot belang. Maar het einddoel is tenslotte altijd hetzelfde.
Voor het pastoraat komt het er nu op aan het volgende in het oog te houden. Ieder lijder is een voorwerp van Gods opvoedende liefde. Dus behoort er eenheid te zijn voor hetgeen God oplegt. Het goddelijk doel van alle lijden wordt bereikt door geloof, geduld en gebed. Zo worden wij gevormd in de lijdensschool. Wij erkennen, dat hier voor ons wel eens onoverzienbare problemen zijn. Vraagstukken, die wij nooit kunnen oplossen. Het dient erkend te worden dat wij ook als zielzorgers menigmaal machteloos staan. Maar toch overkomt het ons wel meer dan eens dat op ziekbedden, in bejaardentehuizen en elders waar een moeilijke weg moet worden gegaan, nu de belijdenis wordt gegeven: het levensleed heeft mij dichter tot God gebracht. Ik had deze weg toch niet willen missen. Daar is ons innerlijk leven rijper geworden. Daar zijn wij meer gevormd tot Gods eer. Eén van de beroemdste theologen van de Middeleeuwen, Anselmus van Canterbury, heeft eens gezegd: toen de wateren van de zondvloed toenamen, toen is de ark in de hoogte gegaan. Het lijden moet ons in de hoogte brengen, wie dat ervaart, heeft de stille zegen van het lijden geproefd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's