De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

14 minuten leestijd

De deelname aan het Heilig Avondmaal

In de weken voor Pasen plegen verschillende bladen aandacht te schenken aan de openbare belijdenis des geloofs, waarbij ook allerlei pastorale vragen rondom het Heilig Avondmaal ter sprake komen. Dr. C. Bezemer beklemtoont in het Hervormd Weekblad van 18 maart de verbinding tussen openbare belijdenis en Heilig Avondmaal en keert zich tegen de ontkoppeling van die belijdenis en het Avondmaal. De lezer dient dan bij dit begrip 'ontkoppeling' in dit verband niet te denken aan de Avondmaalsmijding waarbij de openbare belijdenis verschraald werd tot het lidmaat worden van de kerk maar veelmeer aan het feit dat in allerlei hervormde en gereformeerde kerken kinderen en niet-belijdende leden worden toegelaten in een zgn. open viering. Ten aanzien van de Geref. Kerken wijst Bezemer op de synodezitting van begin maart.

De kerkordedeputaten zijn op de synodevergadering van begin maart gekomen met een rapport, waarin werd voorgesteld kinderen en jongeren aan het Avondmaal toe te laten vanaf de leeftijd van 6 a 7jaar tot die van 18 a 19 jaar. De bezwaren van 39 kerkeraden, 3 classes en een particuliere synode, die ingediend waren tegen een in 1978 genomen besluit dat kinderen en jongeren onder bepaalde voorwaarden in plaatselijke kerken kunnen.worden toegelaten tot het Avondmaal, hadden evengoed achterwege kunnen blijven, want zij legden geen enkel gewicht in de schaal. Deputaten stellen voor dat de plaatselijke kerken vrij zijn in hun beslissing dienaangaande. Wel dient het te geschieden in gewone kerkdiensten, dus niet in afzonderlijke jeugddiensten, kindernevendiensten en dergelijke. Hierbij zij opgemerkt, dat in andere verbanden wel meer van dergelijke beperkende bepalingen zijn gemaakt, die binnen enkele jaren werden achterhaald, waarbij de aanvankelijke beperkingen beschouwd werden de meest normale zaken te zijn. Trouwens, wat maken beperkende bepalingen in deze tijd nog uit? Als er één kerkeraad, die zich er niets van aantrekt, over de dam is, volgen er spoedig meer en binnen de kortst mogelijke tijd is er geen houden meer aan. Helaas zijn dat de ervaringen van het kerk-zijn in deze tijd. Hoogst opmerkelijk, idealistisch en irreëel is wat in de voorstellen wordt gezegd in verband met het onderscheid kinderen en volwassenen. Ik citeer uit Trouw: Kinderen kunnen deelnemen aan het Avondmaal onder verantwoordelijkheid van hun ouders. Die moeten er ook voor zorgen, dat hun kinderen begrijpen waaraan zij meedoen. Als jongeren gaan, doen zij dat op eigen verantwoordelijkheid. Wel mag van hen worden verwacht, dat zij zich laten onderwijzen in de leer der kerk en dat zij naar vermogen deelnemen aan het leven van de gemeente. Deputaten ontraden echter een speciaal onderzoek naar het geloof of naar de beweegredenen, van jongeren om aan het Avondmaal deel te willen nemen'. Mijn commentaar: van de ouders wordt verwacht, wat de meesten van hen niet kunnen. En zo dat wel het geval is, wat zal er dan nog van het door hen te geven 'onderricht' terechtkomen? Met betrekking tot de jongeren wordt in vage termen gesproken, zoals: 'Wel mag van hen worden verwacht...' en 'dat zij naar vermogen deelnemen aan het leven der gemeente'. En wat betreft het ontraden van 'een speciaal onderzoek...' wordt op deze wijze de tucht helemaal buiten de deurgezet. In de lijn van de voorstellen verder denkend kan het dus mogelijk zijn dat wanneer aan jongeren toch gevraagd zou worden waarom zij aan het Avondmaal willen deelnemen, geantwoord zou worden: 'Dat gaat u niets aan'. Eenzelfde vaagheid treedt aan de dag met betrekking tot de openbare belijdenis. Die moet volgens de deputaten gehandhaafd blijven. Boven de leeftijd van 18 a 19 jaar kan 'in het algemeen' alleen nog aan het Avondmaal deelgenomen worden, wanneer men openbare belijdenis des geloofs heeft afgelegd. Mijn vraag: wanneer iemand dit weigert en toch aan het Avondmaal blijft komen, wat dan? Ds. P. Schravendeel meent dat de kerk, die jongeren reeds heeft toegelaten hen niet meer kan verplichten tot het afleggen van de openbare belijdenis des geloofs. Dat zou dus in de toekomst kunnen betekenen (ik heb er reeds eerder op gewezen), dat er drie a vier categorieën Avondmaalgangers komen:1. kinderen, die met vader en/of moeder meegaan; 2 jongeren tot 18 a 19 jaar, die nog geen belijdenis des geloofs hebben afgelegd; 3. jongeren boven die leeftijd, die geen belijdenis des geloofs wensen af te leggen, al worden ze 80 jaar en ouder:4. zij, die wel belijdenis des geloofs hebben afgelegd. Dr. Mooi sprak destijds in een ander verband van een janboel; wel, dit wordt nu met recht een janboel. Hiermee is het hek totaal van de dam. En als dan ook nog gezegd wordt, dat het deelnemen van kinderen ervaren wordt als een verrijking van de Avondmaalsviering, dan zou ik wel eens willen weten waaruit die verrijking dan wel bestaat.

Maar niet alleen het deputatenrapport wordt door Bezemer scherp bekritiseerd, ook over de synodevergadering heeft de auteur weinig goede woorden. In het kader van 'Samen op Weg' meent Bezemer als hervormd predikant gerechtigd te zijn over de synode van een zusterkerk zich uit te spreken. Ik meen dat hij daarin gelijk heeft; ik denk wel dat we moeten zeggen dat bescheidenheid ons als Hervormden past. Wij hebben aan de Gereformeerden in de na-oorlogse jaren, en ook daarvoor, weinig laten zien wat reformatorisch kerkelijk leven naar de Schrift en in gemeenschap met de belijdenis ook kerk ordelijk betekent, verscheurd en verdeeld als we zijn. Het is triest dat binnen de Geref. Kerken zich dezelfde ontwikkelingen gaan voltrekken. Nog eenmaal Bezemer:

Een zeer ongunstige invloed heeft de zgn. jongerensynode, waarvan de woordvoerders een houding aannemen, die omschreven kan worden als arrogantie ten top gestegen. Uitlatingen als 'de jongeren voelen zich als een zak vuil' en 'dat pikken we niet', alsmede 'de jeugd wordt de kerk uitgejaagd' zijn ver beneden de maat en beneden het peil, dat nog altijd een synode-vergadering dient te kenmerken.

Maar ook van de synodeleden, die overigens wel in stijl bleven, werden meningen gehoord, die als onaanvaardbaar moeten worden afgewezen. De synode is er trouwens ook niet uit gekomen.

Merkwaardig, dat men zo' n bezwaar heeft tegen de nadruk, die gelegd wordt op de relatie tussen geloofsbelijdenis en Avondmaal. Het is toch belachelijk wanneer men gaat stellen, dat het sacrament voor een bepaalde leeftijdsgroep 'achter slot en grendel wordt gezet' en dat 'de grazige weiden niet afgesloten mogen worden met het prikkeldraad van de geloofsbelijdenis'. Tegen de mening, dat 'principieel gezien het niet de belijdenis maar de doop is, die toegang tot het Avondmaal geeft', moet in elk geval worden ingebracht, dat van oudsher in de christelijke kerk belijdenis en doop onlosmakelijk met elkander verbonden zijn geweest. Een wel heel extreem standpunt was, dat het normaal moest worden, dat zoals niemand verhinderd mag worden aanwezig te zijn bij de bediening van het Woord, ook niemand verhinderd mag worden het Avondmaal mee te vieren. Volgens Trouw werd 'de belijdenisplicht vergeleken met de celibaatsplicht voor de RK geestelijken'. Hoe het precies gebeurd is, staat er niet bij. Maar het is wel een vergelijking, die verbazing wekt en allerlei vragen oproept.

Ook dit jaar zullen er weer duizenden zijn, die de openbare belijdenis des geloofs mogen afleggen om daardoor toegang te verkrijgen tot het Heilig Avondmaal. Van harte wens ik de nieuwe belij­dende leden der kerk toe, dat zij door Gods genade mogen volharden bij het ja-woord, dat zij zullen geven, en dat zij dit steeds weer in de viering van het Heilig Avondmaal zullen mogen bevestigen. Gelet op het voorgaande dreigt het gevaar van een uitholling van de betekenis van het Heilig Avondmaal en onlosmakelijk daarmee verbonden van de openbare belijdenis des geloofs. Het zou een bedroevende zaak zijn, wanneer dit dreigende gevaar in de toekomst werkelijkheid zou worden.

Ik ga graag accoord met Bezemer's woorden, ben wel van mening dat de doordenking van de plaats van de kinderen en jongeren in de eredienst ook onder ons niet het sterkst is. Ik pleit voor handhaving van de relatie tussen belijdenis en Avondmaalsgang. Maar we zullen wel eerlijk moeten zeggen dat de Palmzondagtraditie zo niet in de Schrift is terug te vinden. 'k Meen dat Calvijn wel de koppeling tussen geloofsbelijdenis en Avondmaal kende maar in een andere vorm dan onder ons gebruikelijk. Bezinning op een goede vormgeving inzake de band tussen het ja-woord van de belijder en de toelating tot het Sacrament is geboden. Deze positieve inzet lijkt me het beste antwoord op een tendens waarbij vaak met zeer emotionele argumenten belijdenis en Avondmaal ontkoppeld wordt. Theologisch beslissend is m.i. ook de relatie tussen doop en geloof, verbondsbeloften en verbondsaanvaarding.

***

Prof. dr. P. Smits

Men heeft in de dagbladen kunnen lezen dat prof. dr. P. Smits zijn lidmaatschap van de Hervormde Kerk heeft opgezegd, en teruggetreden is uit de kring van vrijzinnig-hervormden, omdat zijn ontwikkeling in religieus-humanistische richting zulk een lidmaatschap onmogelijk maakt naar zijn mening. Over dit uittreden van Smits las ik in de kerkelijke pers twee commentaren. Het eerste is van ds. L. H. Ruitenberg, in Hervormd Nederland van 27 maart:

Mijn opmerkingen betreffen mijzelf. Ook ik ben de 75 jaar gepasseerd. Wij hebben beiden in Leiden gestudeerd. Zijn beslissend beïnvloed door Kristensen en De Graaf. Hebben veel aan Banning gehad. Smits werd zijn opvolger in Leiden.

Waarom ben ik in de loop der jaren meer van de kerk, en in het bijzonder van de hervormde kerk zoals zij is, gaan houden en zou Piet Smits in zijn levensavond zijnerzijds de band moeten doorsnijden? Op de laatste vraag wil ik niet antwoorden. Het zouden slechts vermoedens zijn en daarbij doet men gauw de ander onrecht. Maar op de eerste vraag wil ik wel, voorzichtig voor mijzelf, enig antwoord geven.

Mijn eerste herinnering aan de kerk is die van ruimte. Een oom van mijn moeder was koster van de Grote of St. Joriskerk in Amersfoort en ik werd daar, bij die oom en tante, wel eens gestald. Het was er veilig. Zij woonden praktisch in de kerk en daar kon ik dan dwalen. Over de grafstenen, onder het oksaal. En als de organist kwam oefenen - Gerrit van den Burg - dan mocht ik mee. Aan de registers trekken. Het geluid, chaotisch, dan weer teer, kwam van alle kanten. Geheimzinnig. Oom, altijd in het zwart, vadermoordenaar om, hield streng en mild toezicht. Dirigeerde werksters en in de winter stovenzetters.

Maar die ruimte, dat had met God te maken, wist ik. Thuis werd ik vrijzinnig opgevoed. Dat kon ook in die kerk. Natuurlijk, vond ik. En altijd als een enge prater op mijn weg kwam die bijbelteksten als dolkstoten hanteerde, dacht ik aan die ruimte. Die geheimzinnige ruimte waarin God verborgen ging. De ruimte waarin kinderen werden gedoopt, stervenden herdacht en in het lied der eeuwen nood en lof gezongen werd, boven de zangers uit. De ruimte waarin gemeenschap geleerd wordt. Dat beeld van ruimte heeft mij nooit verlaten. Die ruimte is noodzakelijk. Zonder die ruimte zou mijn leven in miezerige vertrekken zijn vergleden. Vraag mij niet iets slechts te zeggen over wat er allemaal in de ruimte van die kerk plaatsvindt. Haat, vervolging, nederig-doende trots, machtswellust, luiheid - ik weet het.

Maar waar is een andere ruimte te vinden die de mens zichzelf doet kennen? En waar hij bezig mag zijn met het grote vermoeden, dat zijn leven niet zonder zin is?

Prof. Smits heeft neen gezegd als conclusie uit zijn levensgang. Maar in de ruimte der kerk zal hij niet vergeten worden. Hij blijft meedoen. In die ruimte.

***

Een geheel andere toon ademt een artikeltje van ds. H. Amelink in het orgaan Opbouw (26-3-'82) van de Ned. Gereformeerden. Amelink wijst op het geruchtmakende artikel van Smits over de verzoening in het begin van de 60er jaren:

Prof. Smits was de man die in het begin van de zestiger jaren veel opzien baarde door duidelijk te zeggen dat hij van het plaatsbekledend lijden en sterven van Jezus Christus niets moest hebben. Hij vond die leer een nare leer. Hij kwam wel voor zich zelf op. Een ander hoefde voor zijn zonden niet te sterven. Een erg nieuwe opvatting was dat niet. Veel mensen voor hem hadden dat ook wel gezegd. Maar prof. Smits zei het nogal cru - geef mijn portie maar aan fikkie - en de hervormde kerk was zo geschokt dat men hem zijn rechten als emeritus predikant ontnam. Als ik me goed herinner is men daarop later teruggekomen, na veel vijven en zessen.

Nu heeft prof. Smits zelfde consequentie van zijn denken getrokken. We kunnen bedroefd zijn over zijn mening, maar tegelijk erkennen dat zijn daad een logisch gevolg is van zijn denken. Als men uit het Evangelie weghaalt het plaatsbekledend lijden en sterven van Jezus Christus, als men de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze zonder de werken, alleen uit genade, niet meer aanvaardt dan is men misschien nog wel religieus bezig, maar alles in de Bijbel gaat vierkant in tegen deze religiositeit.

In de vorige eeuw zijn het mannen geweest als Busken Huet en Pierson die dezelfde gang maakten, als nu prof. Smits gaat. Busken Huet en Pierson waren mensen van wat men toen noemde het moderne denken. Sommigen van deze moderne theologen bleven in de kerk. Anderen trokken de consequentie en gingen heen. Degenen die gingen handelden eerlijk, zoals nu ook prof. Smits.

Het is me nog steeds een raadsel hoe iemand 'vrijzinnig' kan zijn en zich toch een christen wil noemen. Als dan de Heere Jezus niet Gods Zoon is, als Hij niet stierf in onze plaats, als de bevrijdende leer van de vrijspraak uit genade alléén niet waar is, waarom dan al die drukte rond geloof en kerk? Het dient dan allemaal toch tot niets. We kunnen nog iets verder gaan. Zelfs als men zich orthodox noemt en behalve het behoud door Jezus Christus nog iets anders heeft waarop men zijn vertrouwen stelt is men het spoor bijster en heeft men de eerste stappen gezet op de weg van het humanisme. En elk humanisme is regelrecht in strijd met het Evangelie van Jezus Christus en Die gekruist. Voor ons.

Ik ga niet beide artikelen met elkaar vergelijken. Het is zonder meer duidelijk dat de vrijzinnig-Hervormde Ruitenberg en de gereformeerde Amelink deze overgang verschillend taxeren. Voeg daarbij de persoonlijke contacten tussen Smits en Ruitenberg.

Een paar opmerkingen. Men kan zeggen: Deze uittreding is een eerlijke consequentie van een eerder ingenomen visie, en dan herinneren aan Allard Pierson. Dat is waar. Tegelijk blijft er iets bij je haken. Onze kerk kent vanaf de dagen van de Nieuwe Kerkorde het gesprek der richtingen, Artikel 10 zou mogelijkheden daartoe moeten bieden. Is dat gesprek ook met Smits in alle helderheid gevoerd? Of is de onhelderheid gebleven? Het blijft toch altijd een verdrietige zaak als we elkaar op grond van de Schrift niet kunnen vinden, temeer omdat er zulke geweldige dingen bij betrokken zijn als de prediking der verzoening. Smits is heengegaan... maar, zo denk je, hoe zit het verder in de Hervormde Kerk met de prediking van de verzoening?

Wat stelt een ruimte voor in de kerk als men rustig de leer van de plaatsbekleding dus Christus als het Lam Gods kan ontkennen of herinterpreteren en toch kan blijven preken? Verlaag je dan de kerk niet tot een gespreks-of gemeenschapscentrum en een godsdienstig genootschap inzake de zin-vragen?

Religieus-humanisme is een leer die de eeuwen door velen geboeid heeft. Toch, bij alle hoge waarden als menselijkheid en gerechtigheid, die het vertegenwoordigt, denk ik dat juist het lijdensevangelie Iaat zien hoe dit religieus-humanisme op Golgotha geoordeeld is als vroom verzet tegen de genade. Dat raakt ook onszelf. Er is ook een orthodox verzet tegen de genade, een 'humanisme' in andere vorm. Dezer dagen zat ik te bladeren in het boekje van wijlen ds. Boer over de prediking van de verzoening. Mij trof in het verslag van een synodevergadering een opmerking van prof. Van Ruler naar aanleiding van een rapport i.v.m. de kwestie Smits over de verzoening. Boer geeft Van Ruler's opmerking als volgt weer: 'De kreet: Geef mijn portie maar aan Fikkie, is derhalve 'n uiting van een gekweld geweten (nl. vanwege de ergernis die het evangelie van de Middelaar oproept, A. N.). Wij moeten over deze ergernis heengebracht worden. De prediking van de verzoening dient juist deze weerstanden op te wekken en ze aan de dag te brengen. Wij moeten als kerk het evangelie niet poeslief maken, maar moeten zelf wederom geboren en bekeerd worden. Tot aan onze dood blijft het: Ave crux, mea spes unica, dit is: Wees gegroet, Kruis, mijn enige hoop! Wanneer dat er niet in staat, is de rest waardeloos'. De woorden van Van Ruler blijven na zoveel jaar nog voluit aktueel. Alleen als men door deze ergernis is heengegaan komt men in de ware ruimte, de bevrijdende ruimte van de schuldvergeving en de vrede met God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1982

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's