Het liefdegebod
De verslagen stemmen hierin overeen, dat het centrale in het referaat van dr. Weijland was dat de Bijbel slechts één echt gebod kent, namelijk het liefdegebod
In drie dagbladen las ik een verslag van een referaat, dat dr. H.B. Weijland, actuarius van de Gereformeerde Synode, hield op de jaarlijkse conferentie van gereformeerde predikanten. De verslagen stemmen hierin overeen, dat het centrale in het referaat van dr. Weijland was dat de Bijbel slechts één echt gebod kent, namelijk het liefdegebod en dat een herwaardering van dit liefdegebod in de reformatorische wereld noodzakelijk is. Uit één van de verslagen citeer ik:
'Volgens dr. Weijland is het beroep op de liefde in de reformatorische traditie altijd wat ondergewaardeerd. Waarom is er juist in deze traditie, waarin de genade altijd zo hoog werd gehouden, zo weinig krediet voor de liefde? , zo vroeg hij zich af. Konden we daarom, anders dan in de rooms-katholieke en oosters-, orthodoxe tradities soms zo weinig uit de voeten met de koinoonia, de gemeenschap? Is dit soms de reden dat de reformatorische traditie als een fragmentatiebom uit elkaar is gebarsten? Is dit soms de oorzaak van zoveel dogmatische hardheid in plaats van de nederigheid en zachtmoedigheid, waarover de Schrift spreekt?'
Me dunkt dat dr. Weijland hier een niet onbelangrijke zaak aanroert. Reden genoeg om er in kort bestek op in te gaan.
De liefde en de wet
Het is niet ongebruikelijk, dat na het voorlezen van de wet der Tien Geboden in de eredienst - waar dit tenminste nog gedaan wordt - ter afsluiting wordt gezegd, dat Christus de geboden in een hoofdsom samenvatte, namelijk dat we God lief zullen hebben boven alles (het eerste én het grote gebod) en dan ook de naaste als onszelf, het tweede gebod gelijk aan het eerste.
Dit liefdegebod komt in drie evangeliën vdor. In Mattheüs 22 wordt het door Jezus genoemd in antwoord op een Wetgeleerde, die hem verzocht met de vraag welke het gróte gebod was in de wet.
In Lucas 10 verzoekt hem een (de) wetgeleerde met de vraag: 'Wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?' Als Jezus hem dan vraagt wat in de wet is geschreven antwoordt de wetgeleerde hem het liefdegebod, waarop Jezus reageert met de woorden: 'Gij hebt recht geantwoord, doet dat en gij zult leven.' En dan volgt, het verhaal van de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan.
In Lucas 10 wordt eveneens gesproken over een Farizeeër, die tot Jezus komt met de vraag welke het eerste gebod is van alle. Dan antwoordt Jezus met het liefdegebod, maar Hij laat eraan voorafgaan de bekende woorden uit Deuteronomium 6: 'Hoor Israël', de Heere onze God is een enige Heere'. Als in Deuteronomium 6 dit woord wordt genoemd, deze belijdenis wordt uitgezegd (Sjemang Israël) dan volgt óók het liefdegebod: 'Zo zult gij de Heere uw God, liefhebben met uw ganse hart, en met uw ganse ziel en met al uw vermogen.'. Dit komt in Deuteronomium aan de orde nadat Mozes gezegd had tot het volk Israël, 'Hoor Israël! de inzettingen en de rechten, die ik heden voor uw oren spreek, dat gij ze leert en waarneemt om ze te doen'. Het wordt gezegd ter afronding van de proclamatie van de wet der Tien Geboden, de wet van het verbond, op Horeb. Daarom is het een goede en bijbelse zaak om de voorlezing van de wet in de eredienst te laten volgen door de samenvatting, het liefdegebod, waaraan de ganse wet en de profeten hangen.
Calvijn merkt op, dat uit dit alles duidelijk wordt dat God allereerst liefde van ons vraagt en dat Hem 'geen andere dan een vrijwillige dienst behaagt'. 'Want God versmaadt de gehoorzaamheid van de mens, wanneer zij hem gedwongen toegebracht wordt en wil vrijwillig en ongedwongen gediend zijn.'
Het gaat om het liefhebben van Hem met hart en ziel én al onze vermogens. Het gaat om liefdédienst, die nooit verdriet. Buiten de liefde om wordt het leven naar Gods gebod wettisch, koud én kil. Goede vruchten moeten uit een goede wortel komen, zegt Calvijn.
Doen wat we willen?
In één van de verslagen over het-referaat van dr. Weijland stond als beginregel: 'Heb lief en doe wat je wilt'. Zo zou het door Augustinus zijn gezegd. Ik weet niet waar Augustinus dit heeft geschreven maar herinner me wel dat Luther gezegd heeft: 'vreest God en doe wat je wilt'. '
Als het nl. gaat om liefhebben dan gaat het niet om zó-maar-liefhebben in het algemeen, maar om het liefhebben van God, in wederkerigheid op Gods liefde geschonken aan ons mensen. Maar dan gaat de wet van de Tien Geboden, waarop het liefdegebod als het ware teruggaat, wél helemaal mee als norm voor het leven van de christelijke gemeente: en zelfs voor de wereld, om een geordend samenleven voor Gods Aangezicht onder de mensen mogelijk te maken. Als dr. Weijland dit woord van Augustinus of Luther ter hand neemt om te zeggen, dat we in onze tijd moeten worden afgebracht van 'scheppingsordinantiën' van 'eeuwige beginselen' en dat het thans gaat om 'een ethiek van de laatste ure', dan moet daar toch wel direct bijgezegd worden dat het in zulk een ethiek wel degelijk gaat om het altijd geldende beginsel van het gebod Gods, dat, ons ten goede, gegeven is in de decaloog. Dr. Weijland zegt terecht - dat zulk een ethiek aan de ene kant afgrendelt naar 'bevriezing in wetticisme' en aan de andere kant naar vervluchtiging in autonomie-en emancipatieopvattingen'. Maar een duidelijke(r) afgrendeling in onze tijd naar een ethiek, die louter op het begrip liefde, als een zaak tussen mensen is gebaseerd, is wèl noodzakelijk. Is niet hét grote gevaar van onze tijd, dat met een beroep op de liefde alles geoorloofd is? Vergeten wordt dan, dat het allereerst gaat om de liefde tot God, waaruit de liefde tot de naaste voortkomt en waarin de naastenliefde ook alleen maar echt verankerd kan zijn. De bandeloosheid in onze moderne samenleving is niet in het minst gegeven door beroep op liefde, die géén liefde is, omdat de dimensie van het 'Hoor Israël, de Heere onze God is een eeuwig Heere' erin ontbreekt. De liefde tot de Ene, die de Eeuwige is, is eruit en dan blijft alleen menslievendheid en goedzijn-voor-elkaar over.
Toch zit er anderzijds een diep waarheidselement en daarom een terecht appèl in de woorden van dr. Weijland. Als namelijk maar onverlet blijft de noodzaak van het leven naar de wet Gods als liefdewet, dan mag en moet ook alle nadruk vallen op dt liefde onderling. Het tweede deel 'van het liefdegebod 'de naaste liefhebben als zichzelf is onlosmakelijk verbonden met het eerste. We noemden al, dat in het Lucasevangelie de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan volgt op het liefdegebod. Calvijn zegt: 'De hoofdzaak in deze gelijkenis is, dat ieder mens, zélfs die ons het meest vreemd is, onze naaste is, omdat God alle mensen onderling aan elkaar verbonden heeft, opdat zij elkaar helpen.'
Hij - zo vervolgt Calvijn - bestraft hier de Joden en de Priesters omdat zij, terwijl ze zich erop beroemden kinderen van dezelfde Vader te zijn en 'door het bijzonder voorrecht van de aanneming' van de andere volkeren onderscheiden te zijn, 'zodat zij de heilige erve Gods waren' elkaar een onmenselijke en onbegrensde verachting toedroegen. Dienstbetoon mag zich niet beperken tot vrienden of bloedverwanten maar moet zich uitstrekken tot 'het gehele mensdom'. Heel concreet zegt Calvijn over dit tweede deel van het liefdegebod: .'de mens is om de mens geschapen; en hieruit volgt dat allen verplichtingen jegens elkaar hebben.'
In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan wordt, aldus nog steeds Calvijn ons de gelijkheid van alle mensen getoond, die de. Schriftgeleerden 'door hun snood nietig gebeuzel' trachtten weg te cijferen.
Oer-reformatorisch
De benadrukking van het liefdegebod is door de Reformatoren volledig gehonoreerd. Dat blijkt als we Calvijn op de voet volgen in zijn Schriftuideg. Als dr. Weijland er dan ook op wijst, dat in de reformatorische traditie het liefdegebod is ondergewaardeerd dan is dat zéker geen erfenis van de Reformatie op zich. Toegegeven; de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan is in de na-reformatorische traditie vaak vergeestelijkt. Maar Calvijn liet de letterlijke betekenis van oproep tot naastenliefde voor de hele mensheid recht overeind staan. Als Weijland dan ook pleit voor een herwaardering van het liefdegebod in de reformatorische wereld dan kunnen we ook zeggen: ad fontes, terug naar de bronnen! Allereerst naar de bronnen van de Schriften. Dat zijn dan echter ook de bronnen, die de Reformatie, ook ten aanzien van het liefdegebod, opnieuw heeft aangeboord. Het is waar, de liefde, de bijbels-gefundeerde liefde tot God en de naaste - is helaas in reformatorische kringen soms stiefmoederlijk bedeeld. Terwijl de Schrift er op zóveel plaatsen over spreekt. Het functioneren van het Sola Scriptura, alleen de Schrift zal op dit punt grondig doordacht moeten worden; temeer als we daarnaast, zetten dat bepaalde, veel minder in de Schrift voorkomende woorden in de na-reformatorische traditie vaak óvergeaccentueerd zijn. Het Sola Scriptura vraagt'om een ernstig nemen van alle Schriftgegevens, evenVichtig en in evenredigheid naar hun voorkomen in de Schrift zélf. Als we alleen al de eerste algemene brief van de apostel Johannes erop naslaan, dan zien we hoe boordevol deze brief is van de liefde, van de liefde tot God én van de liefde tot de naaste (waaraan de liefde tot God zelfs wórdt getoetst). Een herwaardering van deze bijbelse gegevens is in reformatorische kring hieer dan gewenst. Is de grote verdeeldheid van de christelijke gemeente, niet mede terug te brengen op het ontbreken van de liefde? Is de prediking over de liefde soms ook niet verdrongen door een wettisch of dogmatisch bepaalde prediking van het Gebod?
Sociaal
De liefde van de christelijke gemeente, zal, als het goed is ook uitkomen in sociale bewogenheid. Heeft het daaraan in de traditie van de christelijke gemeente ook niet vaak ontbroken? Terwijl het dan door enkelingen op voorbeeldige, zij het vaak miskende wijze is waargenomen? Prof. C. Veenhof haalt in zijn prachtige boekje 'Christelijke diakonie en ABW' (Buijten en Schipperheijn, Amsterdam, 1966) dr. J. C. Sikkel aan, die in 1888 in de Friesche Kerkbode schreef, dat een ware reformatie uit twee dingen bestaat: 'Vooreerst hierin dat de kerk weer Jezus Christus gaat erkennen als haar enig Hoofd en Zijn Woord als haar enige leefregel. En in de tweede plaats dat zij zich weer wendt tot het ellendige om dat te behouden.' Daarbij is het zo dat pas in het tweede de echtheid van het eerste openbaar wordt. 'Een gemeente die zegt hét eerste te willen maar het tweede niet zoekt mist het bewijs der oprechtheid.'
Veenhof schrijft verder over Sikkel, n.a.v. wat deze opmerkt over ondeugdelijk diaconaat:
'Het socialisme,' zo schreef Sikkel eens, 'is tegen de binnenwanden van de muren der kerk ontkiemd in de harten van wie daar koud zaten of stonden. De kerk, zo riep hij uit, heeft de morele ontreddering van duizenden op haar geweten. Dat gevoelige armen haar ontweken en vermeden was haar eigen schuld. Maar al te dikwijls goot ze in plaats van olie terpentijn in de wonden. Ja, de armen moesten zelfs heel vaak de laatste schat die hun was gebleven, namelijk hun eergevoel, hun menselijkheid wanhopig verdedigen tegen een kerk die hen tot onmondigen maakte.'
Maar van de mannen van het Réveil in de vorige eeuw zegt Veenhof: 'Ze leerden weer verstaan wat zonde en genade is en in onlosmakelijke samenhang daarmee ging ook de liefde van daadwerkelijke barmhartigheid heerlijk bloeien'.
Aan deze twee geboden
De ganse wet, die onverbreekbaar van kracht blijft, hangt aan de twee kanten van het liefdegebod. De liefde is de vervulling van de wet, zegt Paulus (Rom. 13 : 10).
Zonder liefde wordt het leven in de gemeente wettisch. Levend vanuit de geschonken liefde bloeit echter de liefde tot God en de naaste op. In onderling dienstbetoon binnen de gemeente! Doe allereerst wel aan de huisgenoten des geloofs! In sociaal dienstbetoon aan de wereld! Doe wel aan alle mensen!
Een gemeente, waarin de wet niet als liefdegebod functioneert, zal het aan geestelijke opbouw naar binnen en werfkracht naar buiten ontbreken.
Hier ligt een bijbels appèl op de kerken der Reformatie. Wanneer de christelijke liefde opbloeit kunnen muren in de kerken en tussen de kerken worden geslecht en barrières naar de wereld toe worden opgeruimd. Geen schoner getuigenis als wanneer van de gemeente geldt: ziet hoe lief ze elkander hebben!
V. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's