Literaire experimenten bespied
Proefschrift dr. J. de Gier
In dit proefschrift blijken zin voor grondig wetenschappelijk onderzoek én liefde voor de poëzie op gelukkige wijze samen te gaan.
'De belangstelling voor de poëzie is in reformatorische kringen klein en het aantal dichters gering.' Tot deze wat sombere uitspraak komt E. Hofman in een studie, die hij enkele jaren geleden het licht deed zien onder de titel Dichtkunst, literaire kritiek en creativiteit in de Gereformeerde Gezindte. Gelukkig signaleert hij ook enige kentering ten goede, al valt er volgens hem nog veel te doen, zowel op creatief als op literair-wetenschappelijk terrein.
Er zijn, ook in onze kring, toch nog heel wat liefhebbers van literatuur, die de aandacht vestigen op dichters en gedichten. Een van hen is de heer J. de Gier, die in de afgelopen jaren regelmatig in De Waarheidsvriend artikelen over poëzie heeft gepubliceerd ter gelegenheid van de christelijke feestdagen.
De Gier was tot voor kort docent aan de Pedagogische Academie 'Felua' te Ede; tegenwoordig is hij verbonden aan de opleidingen Nederlands m.o.-A en B te Rotterdam en Arnhem en tevens is hij docent in de Algemene Literatuur wetenschap aan de Evangelische Hogeschool te Amersfoort. Hij blijkt niet alleen een liefhebber te zijn van de fraaie letteren, hij is ook een kenner in de wetenschappelijke zin van het woord. Op vrijdag 5 maart jl. promoveerde hij aan de Rijksuniversiteit te Utrecht tot doctor in de letteren op een proefschrift, getiteld: Stichtelijke en onstichtelijke experimenten. De ondertitel geeft een toelichting op het doel van de studie: Een onderzoek naar Geerten Gossaerts dichterlijke ontwikkeling en de samenstelling van zijn poëziebundel.
In dit proefschrift blijken zin voor grondig wetenschappelijk onderzoek én liefde voor de poëzie op gelukkige wijze samen te gaan. De eigenlijke tekst van de dissertatie omvat bijna 250 bladzijden, daarna volgen er nog ongeveer 100 bladzijden met aantekeningen, bijlagen en registers. Het geheel is, ook voor minder deskundige lezers, goed leesbaar, al vraagt een strikt-wetenschappelijk betoog uiteraard de nodige concentratie. Uit alles blijkt echter, dat de auteur een goed didacticus is, die ingewikkelde zaken helder uiteen kan zetten.
Het object van onderzoek is dus Gossaerts gedichtenbundel Experimenten, waarvan de eerste druk in 1911 verscheen. Wie enigszins thuis is in de Nederlandse letterkunde, herinnert zich ongetwijfeld de naam van de dichter Gossaert. Vermoedelijk zijn ook nog wel enige feiten in het geheugen bewaard gebleven: hij schreef merkwaardigerwijze slechts één gedichtenbundel in zijn héle leven en hij propageerde tegenover de Tachtigers de 'bezielde retoriek'. Verder reikt de kennis van de meesten niet, of het zou moeten zijn, dat ze als kind in de eerste klas van de middelbare school het gedicht De moeder hebben voorgedragen.
Het is hier niet de plaats om uitvoerig de wetenschappelijke kwaliteiten van de dissertatie te bespreken. Ongetwijfeld zijn die er in grote mate in aanwezig. Ik vermeld slechts enkele belangrijke punten uit het onderzoek.
De werkwijze van De Gier is egocentrisch, d.w.z. het literaire werk staat centraal; bij de interpretatie van de gedichten wordt in eerste instantie uitgegaan van vers-interne gegevens. Daarnaast wordt echter ook gebruik gemaakt van externe gegevens, zoals de essays van Gossaert zelf, biografische feiten, varianten die in handschrift aanwezig zijn, correspondentie e.d. Op deze wijze weet hij tussen de klippen door te zeilen van enerzijds een enghartige 'close-reading' en anderzijds een al te ruime gebruikmaking van biografica en literair-historisch materiaal, al ontkomt men niet aan de indruk dat vers-externe gegevens soms al te veel accent krijgen.
Op consciëntieuze wijze wordt de ontstaansvolgorde van de gedichten nageplozen. De meeste gedichten kunnen gedateerd worden, wat weer interessante gegevens oplevert voor een beschrijving van Gossaerts actieve dichterschap. Zo blijkt bijvoorbeeld, dat het zwijgen van de dichter na 1916, waarover zoveel in de vakliteratuur is geschreven, veel minder abrupt inzette, dan men meestal heeft aangenomen. Het onderzoek naar het grondmotief van Gossaerts bundel levert op, dat het daarbij gaat om de ervaring, dat disharmonie doet verlangen naar harmonie. Voor Gossaert is die harmonie primair de rust voor het hart. Dit aspect brengt ons op de vraag: wat is het christelijk gehalte van Experimenten en wat is de plaats van Gossaert in de protestantschristelijke letterkunde.
Geerten Gossaert staat in de geschiedenis van de Nederlandse letterkunde bekend als een overtuigd christelijk dichter, die zich in woordkeuze en beeldspraak bewust richtte naar Bilderdijk en Da Costa. Hij greep over de Tachtigers heen terug naar de tradities van de christelijke romantici, waarbij hij rijkelijk gebruik maakte van de klassieke retorica. Heel vaak wordt hij ook gekarakteriseerd als calvinistisch dichter, vooral door literair-historici die weinig of geen affiniteit hebben tot de calvinistische groeperingen in ons land.
De Gier is in zijn oordeel over Gossaert als calvinistisch dichter veel genuanceerder. Hij kent het calvinisme, zoals zich dat in de twintigste eeuw binnen de Gereformeerde Gezindte openbaart, van binnen uit en hij is daardoor in staat menige correctie aan te brengen op de gangbare karakterisering van Gossaert en op de interpretaties van diens gedichten. Juist deze zaken maken zijn dissertatie voor ons belangwekkend. Het is verheugend, dat De Gier vanuit de Gereformeerde traditie en gewapend met een grote dosis bijbelkennis de religieuze gedichten van Gossaert opnieuw aan een nauwkeurig onderzoek heeft onderworpen. Door dat te doen maakt hij op overtuigende wijze duidelijk hoe belangrijk kennis van de bijbel en van de christelijke cultuur is bij de interpretatie van christelijke poëzie.
Gossaert heeft veel gebruik gemaakt van teksten en verhalen uit de Bijbel. Hij gaat echter 'met gemeenschappelijk christelijk erfgoed' binnen de context van zijn gedichten 'op een bijzonder eigensoortige manier te werk'. Dit wordt gedemonstreerd aan de hand van o.a. het gedicht Jabbok, De verloren zoon en Libera nos, Domine! Deze, en andere verzen, passen niet 'in een traditioneel christelijk kader, en nog minder in een calvinistisch patroon'. Gossaert zelf was zich daarvan trouwens heel goed bewust, al heeft hij er nooit veel over gezegd. De Gier toont aan, waar het traditionele en waar het nieuwe in de gedichten aanwezig is.
Boeiend is ook zijn betoog naar aanleiding van de vele invloeden die op Gossaert hebben ingewerkt. Door het nauwkeurig aanwijzen van onder meer directe en indirecte bijbelse invloeden winnen de gedichten van Gossaert aan waarde. Niet altijd is het betoog even overtuigend. Zo lijkt mij de interpretatie van De moeder in bijbelse zin op zijn minst aanvechtbaar. Toegegeven, er is sprake van een verloren zoon die thuiskomt, maar de uitwerking van dit gegeven is eerder middeleeuwsromantisch te noemen, dan bijbels. De voorstelling van God als moeder moge dan in de christelijke kerk weleens voorkomen, zelfs in piëtistische literatuur - de auteur had ook kunnen wijzen op Luyken - dit vers-externe gegeven kan hier niet gehanteerd worden. De feministische theologiebeoefening in Utrecht heeft kennelijk ook de faculteit der letteren enigszins beïnvloed...
In de dissertatie wordt er voorts op gewezen, dat de gangbare voorstelling als zou Gossaert 'een felle tegenstander van de kunstopvattingen en de dichtpraktijk der Tachtigers' zijn, niet houdbaar is. Alleen Rijnsdorp zou volgens De Gier gesproken hebben over 'sterke invloed van de tachtigers'. Helemaal juist is dit niet. Reeds Keuning, in zijn hoek Litteratuur en Leven van 1919 heeft erop gewezen, dat Gossaert zowel bij Bilderdijk als bij de Tachtigers in de leer ging. Het is jammer, dat deze verhandeling van Keuning, die wel in de bibliografie vermeld wordt, niet verwerkt is in de tekst. Ook over het motief van De verloren zoon maakt Keuning treffende opmerkingen. Dit alles betreft echter details en doet aan de waardering van het geheel niets af.
Het zal duidelijk zijn, dat de dissertatie van De Gier een belangrijk werkstuk is. Het is te hopen, dat veel belangstellenden dit boek zullen gaan bestuderen. Het hoort thuis in de bibliotheek van elke Neerlandicus en van ieder die de letterkunde, en met name de christelijke literatuur, een warm hart toedraagt.
N.a.v. dr. J. de Gier: Stichtelijke en onstichtelijke experimenten, uitgave HES Publishers, Utrecht, 1982, 344 pag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's