Belijden en beleven
De belijdenis: beleving of objectieve hantering?
In het Reformatorisch Dagblad van vrijdag 16 april heeft de heer G. Roos enkele gedachten gewijd aan het thema: 'De belijdenis: beleving of objectieve hantering?'. Gaat het om de bevindelijke of de objectieve hantering van de belijdenis, zo luidt de slotvraag in dat artikel. Drs. K. Exalto wordt geciteerd, die in een referaat op een jaarvergadering van de Gereformeerde Bond zich kritisch uitliet over diegenen, die de grenzen van een wettige verscheidenheid binnen de Gereformeerde Gezindte niet leggen bij 'de objectieve belijdenis' maar bij 'een subjectieve bevinding'. Ook ondergetekende wordt geciteerd uit een artikel in de Waarheidsvriend van 8 maart 1979. Het ging daarin om een kritische uitlating mijnerzijds naar de kant van een recensent van een dichtbundel, die de schrijver ervan kwalificeerde als 'vijand van de bevindelijke waarheid' omdat deze uitsluitend die prediking onderschreef, die slechts wilde uitgaan van Schrift en belijdenis. De heer Roos doet in zijn artikeltje geen keuze maar wil kennelijk duidelijk maken dat hier een zó grondig verschil ligt binnen de Gereformeerde Gezindte, dat de vraag naar 'eensgezindheid' negatief beantwoord schijnt te moeten worden.
Tegenstelling?
Is hier sprake van een tegenstelling? Of liever: mag hier sprake van een tegenstelling zijn? Kunnen belijden en beleven tegenstellingen zijn? In de praktijk kennelijk wel. Maar dan slechts zó, dat de belijdenis óf verwaarloosd óf in haar bedoelen miskend wordt. Beide verschijnselen komen voor. De belijdenis kan als een formeel statuut worden gehanteerd. We zwaaien met de vlag van Schrift en Belijdenis maar het leven, de doorleving is eruit. Men kan ook - zoals Exalto stelde - de belijdenis laten voor wat ze is en voortwiegelen op de ongewisse wateren van de subjectieve, persoonlijke beleving.
Maar in wezen zijn belijden èn beleven, leer èn leven geen tegenstellingen. De belijdenissen van onze kerken zijn immers ontstaan uit de geestelijke worsteling om de waarheid der Schriften, zoals die gevoerd is in de tijd na de Reformatie!
Heeft niet Guido de Brés zich hartgrondig tot de Reformatie bekend, nadat hij door onderzoek der Schriften van harte overtuigd was geraakt van de Waarheid die in de Reformatie weer was herontdekt? Zo is hij tot zijn Geloofsbelijdenis gekomen, die hij in de nacht van 2 november 1561 over de muur van het kasteel in Doornik wierp. Naar twee zijden was die belijdenis een krachtig appèl: naar de Rooms Katholieke kerkleer, waarin de genade was verduisterd èn naar de Wederdopers, die eveneens de genade verduisterden omdat ze niet terug vielen op de gegevenheden Gods maar op de subjectieve, menselijke inzichten en gevoelens, hóé geestelijk verpakt ook. Dit krachtige belijden kostte de Brés uiteindelijk de marteldood. En als het dan om beleving, om bevinding gaat dan was het bij de Brés toch wel die bevinding, die slechts één keer in de Schrift woordelijk wordt genoemd, namelijk de beproefdheid van het geloof (Rom. 5:4). Bij de Brés waren belijden en beleven één. Blijkt dat ook niet uit de telkens weer herhaalde aanhef van de artikelen van de Geloofsbelijdenis: wij geloven! Wij geloven en belijden, dat is het telkens terugkerende in de Geloofsbelijdenis. Het gaat immers om geloofszaken, om zaken die de leer des heils betreffen maar die hartelijk, van harte, met een door de Geest aangeraakt hart beleden worden. De belijdenis is geen dorre leer, maar beleefd geloof en dan zó ook accoord van geloof en belijden voor de kerk.
Heidelberger
Zo is het ook gesteld met de Heidelbergse Catechismus. Het telkens herhaalde: wat nut het mij? wat heb ik eraan? maakt duidelijk dat het ook in dit pastorale boek bij uitnemendheid niet gaat om koude leerstelligheid maar om het - samen met alle heiligen, dat wél - in het geloof belijden. Om één voorbeeld te noemen. Van de Heilige Geest geloven wij, dat Hij samen met de Vader en de Zoon eeuwig God is maar ook mij is gegeven. Hoe vaak vinden we dit ik en mij niet terug in de Heidelberger tegen de achtergrond van het Hij en Gij, van de overmacht van Gods genade, ons in Christus geopenbaard? Juist ook in de Heidelbergse Catechismus gaat het om een levend, door de Geest geschonken geloof. Juist ook Caspar Olevianus één van de opstellers van de Heidelberger ging het om wat een mens nodig heeft om 'getroost te leven en zalig te kunnen sterven'. Hij heeft ons een geschrift over het genadeverbond nagelaten, waarin hij klare reformatorische klanken laat horen, gebaseerd op Jer. 31 : 31-34 en Hebr. 8 : 8-12. 'De bediening van het genadeverbond in de zichtbare kerk geschiedt uitwendig door het Woord en de zichtbare tekenen tot een getuigenis van onderlinge bewilliging tussen God en ons. In deze bediening gaat het om het getuigenis, waardoor God het geloof werkt in de harten der uitverkorenen (Rom. 1 : 12, 16, 17) waardoor zij het ganse wezen van het genadeverbond omhelzen, terwijl aan de overigen betuigd wordt dat zij deze genade daardoor onwaardig zijn, doordat zij het aanbod der genade in het Evangelie hardnekkig verwerpen.'
(A. D. R. Polman in de Chr. Encyclopedie, Kampen).
Ook de opstellers van de Catechismus waren bezig met geloofszaken, met zaken die vlees en bloed krijgen in het geestelijk leven van Gods gemeente, maar die dan ook altijd weer normering behoeven, aan de Schriften, waaraan de belijdenissen zélf onderworpen willen zijn. Maar zo kon ook Kohlbrugge de Heidelberger meenemen tot op zijn sterfbed en zeggen: De Heidelberger, de eenvoudige Heidelberger, houd daaraan vast kinderen!
Dordrecht
En hoe is het met de Dordtse Leerregels? Zijn ook die niet ontstaan in een worsteling om het verstaan van de genade, zoals die wordt uitgewerkt in de harten der gelovigen? De mensen, die hiermee bezig waren, waren immers geen computers, waarin Schriftgegevens werden gestopt om er een leer te laten uitkomen? Ze waren bezielde getuigen van Gods Waarheid. Belijden en beleven werden niet gescheiden omdat ze niet te scheiden zijn. Het belijden is de warme harteklop van het oprechte, Schriftgebonden geloof, dat ook in de beproevingen beproefd blijkt te zijn.
Men leze het ontroerende, lange gebed dat Johannes Bogerman op 6 mei 1619 bij de afsluiting van de Dordtse Synode (153e zitting) deed, om te beseffen hoe geestelijk beleden werd. Een gedeelte van dit gebed is hiernaast afgedrukt.
Heil der zielen
Uit dit gebed van Bogerman blijkt hoe duidelijk bij het opstellen van de leerregels het heil der zielen voorop stond. Zo ook in de geestelijke worsteling waarin de Nederlandse Geloofs Belijdenis en de Heidelbergse Catechismus ontstonden. Het geestelijk leven van de gemeente is goed bewaard als het verankerd is in de belijdenis en in de religie ervan. Naar de objektieve zijde: wat wordt geloofd. En naar de subjektieve zijde: hoe het geloof der kerk in mij, in ons gestalte krijgt door de levend makende bediening des Geestes. Daarom is een tegenover elkaar stellen van objektieve hantering van de belijdenis en subjektieve beleving ervan onjuist. Het objektieve gaat intussen wel voorop. Hoe zou de belijdenis spreekregel der kerk zijn als het niet is naar haar objektieve zijde, naar wat de kerk gezamenlijk belijdt te geloven! Is niet de belijdenis naar haar objektieve zijde norm dan kan men zich de vraag stellen hoe ooit tuchtoefening mogelijk zal zijn. Die zal er toch alleen kunnen zijn op grond van afwijking van de inhoud van de belijdenis, als accoord van gemeenschappelijk geloof en belijden. Zodra de subjektieve beleving tot norm (apart) wordt dan ontspoort de tuchtoefening grotelijks. Dan kan tucht worden geoefend niet omdat de belijdenis weersproken wordt (en daarin de bijbelse leer) maar omdat bijvoorbeeld de prediking niet strookt met dit begeerde patroon van subjektieve beleving. Veel tuchtoefening of separatie binnen de Gereformeerde Gezindte heeft helaas plaatsgevonden omdat zulk een patroon de ijk werd voor de prediking. De subjektieve beleving lag dan niet ingebed in de belijdenis maar werd een derde norm naast Schrift en Belijdenis, waardoor de belijdenis soms ook overwoekerd werd. Tot schade van het geestelijk leven van de Gemeente. Het heil der zielen stond dan zo goed op het spel als wanneer de belijdenis openlijk wordt aangevallen of miskend. Wie de worsteling om de belijdenis in haar onstaan en voortgang beziet kan niet anders dan hoge achting hebben voor de objektieve kant van het belijden, van de reine leer, die in het belijden voorhanden is en zal beducht zijn voor elke overheersing door een geestelijke, in naam bevindelijke hang, die de belijdenis zélf als het ware in gebreke stelt, als zou deze niet geestelijk genoeg zijn. Maar anderzijds is het evenzeer tot schade van de gemeente als de subjektieve, geestelijke, bevindelijke zijde (vóór mij), die in de belijdenis doorstraalt, niet voluit meekomt in de prediking. Bijbelse prediking is naar haar wezen bevindelijk, zo ook prediking naar de belijdenis der kerk, omdat die is naar de Schriften. Al wat in de belijdenis voorhanden is, is geestelijk goed van de gemeente, gewerkt door de levendmakende Geest.
De kerk, en daarin ook de Gereformeerde Gezindte, worde bewaard voor twee ontsporingen. Voor een louter objektief hanteren van de belijdenis. Dat leidt tot dode orthodoxie met een magere objektieve prediking, die zowel geloofsmatig als wettisch kan zijn. Of van een loutere nadruk op geestelijk beleven. Dat kan leiden tot geestelijke Schwärmerei, tot doperdom in nieuw gewaad. Tegen beide gevaren keren zich de belijdenissen zelf omdat ze het geloofsgoed der gemeente (eerst) objektief verwoorden en vervolgens (of tegelijkertijd) een plaats geven in het hart. Met het hart belijdt men ter rechtvaardigheid en met de mond belijdt men ter zaligheid (Rom. 10:10). De belijdenis blijkt naar verschillende kanten bestreden bezit. De één is ontzonken aan het geestelijk leven van de belijdenis. De ander is er aan ontstegen in geestelijk individualisme. In beide gevallen is de Reformatie eruit. De belijdenis heeft naar twee kanten het heil der zielen op het oog.
Ze bewaart voor louter voorwerpelijkheid, die het hart koud laat. Ze bewaart voor normatief stellen van individuele geestelijke ervaringen, waardoor diegenen die daaraan niet raken in geestelijke nood kunnen geraken. Het geloof der gemeente en de geestelijke beleving daarin zijn het best bewaard in het gemeenschappelijk belijden der kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1982
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's