De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Over het aanbod van Gods genade (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Over het aanbod van Gods genade (1)

10 minuten leestijd

Doet men de Schrift wel recht, wanneer men Christus onvoorwaardelijk aan allen aanbiedt?

Wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken, dat er vooral in de laatste jaren ook onder ons meer wordt gediscussieerd over het aanbod van Gods genade en de beloften van het Verbond. ledere pastor zal op huisbezoek wel eens de vraag naar zich toegespeeld hebben gekregen of het aanbod van Gods genade werkelijk welmenend is. Is het niet te ruim, wanneer het tot allen uitgaat? Doet men de Schrift wel recht, wanneer men Christus onvoorwaardelijk aan allen aanbiedt? Gaat men er dan toch niet vanuit, dat in de mens een bepaald vermogen is om Christus 'zomaar'  aan te nemen? En zijn wij daarmee dan niet in remonstrantse vaarwateren verzeild geraakt? Zie daar, enige vragen waar wij in het pastoraat en in de prediking niet om heen kunnen gaan.

Nu zijn deze vragen, zoals zij hierboven geschreven staan, niet nieuw. Reeds in de vorige eeuw werd in de Afgescheiden Kerken een strijd gevoerd over 'de welmenende aanbieding'. In zijn 'prediking en uitverkiezing' schrijft C. Veenhof, dat ene C. G. Moen zich in deze controverse heeft beroepen op Ebenezer Erskine. Het zal ons ook allen bekend zijn, dat rond 1950 er in de Gereformeerde Gemeenten een strijd was over het vrije aanbod van genade. Hierbij werden toen Boston en de Erskine's als pleitvoerders van een 'welmenend aanbod der genade' te hulp geroepen. Uit een recent geschrift van E. Hofman is ons duidelijk geworden, dat deze strijd in de Gereformeerde Gemeenten nog niet geheel en al geluwd is. E. Hofman laat inzake 'het welmenend aanbod der genade' vooral onze Dordtse Leerregels spreken. Wij behoeven echter in onze tijd niet over de muren van onze kerk naar een andere kerk te zien. Ook in onze eigen kerk en dan in het bijzonder in onze eigen kring schijnt 'het welmenend aanbod van genade' een enigszins discutabel punt te zijn. Vandaar dat wij gaarne op uitnodiging van de eindredakteur hierover iets willen schrijven. De bedoeling is, dat wij een Nederlands theoloog, Appelius, en de Erskine's (Schotten) laten spreken.

Wie was Appelius?

Johannes Conradus Appelius werd in 1715 in het graafschap Tecklenburg geboren. In 1798 is hij te Zuidbroek gestorven. In 1738 werd hij predikant te Jukwerd. Hij vertrok in 1742 naar Appingedam, waar hij naast het predikambt ook het rectoraat van de Latijnse school waarnam. Van 1744 tot 1751 stond hij te Uithuizen, en tot zijn dood - dat is ruim 46 jaar - in Zuidbroek.

Waardoor is Appelius bekend geworden?

Appelius is vooral bekend geworden door zijn strijd over de sacramenten tegen ds. E. van Eerde van Ten Boer en ds. H. Janssonius van Veendam. Deze strijd liep over de vraag of de sacramenten de beloften Gods objectief, voorwerpelijk of onderwerpelijk, verzegelen. Appelius leerde het laatste. Volgens van Eerde en Janssonius behoorde - elk onergerlijk lidmaat, al was hij onbekeerd, het Avondmaal te gebruiken. Appelius daarentegen was van oordeel dat alleen de ware gelovigen recht hadden op de sacramenten, die hun dan een teken en zegel waren van hun deel hebben aan het heil in Christus. Voor ons onderwerp is van meer belang de publikaties die Appelius in 1759 en in 1762 het licht deed zien. In 1759 schreef hij zijn 'Aanmerkingen over den bezwaarlijken en nuttigen dienst, den voornamen inhoud en het recht gebruik van 't Evangelie. In 1762 kreeg deze publikatie een vervolg. In de brede voorrede die aan dit vervolg vooraf gaat betoogt hij met klem dat men op grond van de nodiging en aanbieding van het Evangelie Christus en al Zijn weldaden mag aannemen. Het heeft de schijn echter alsof hij zijn eigen woorden enigszins afzwakt, wanneer hij op een andere plaats zegt: 'Men moet onderscheid maken tussen de aanbieding van het Evangelie en tussen de eigenlijke beloften. Want de aanbieding is een verklaring van de vrijheid, die God aan iemand geeft om iets aan te nemen en van de verplichting, die God op hem legt om het niet te mogen weigeren, maar de belofte is een verklaring van hetgeen God doen wil en waartoe Hij zichzelf vrijwillig verplicht'. Hoe moeten wij nu deze twee zaken (aanbieding tegenover beloften) zien aan de hand van Gods Woord? Zijn er voor onbekeerden ook nog beloften?

De beantwoording van deze vraag is niet zo moeilijk. Op het eerste gezicht zijn wij geneigd om het eens te zijn met de onderschei­ ding, die Appelius maakt. Toch kunen er daaromtrent wel enige vragen rijzen. Laten wij een natuurlijk voorbeeld nemen. In de barre winter van 1944-1945 waren aardappels moeilijk te krijgen. Toch is het wel sporadisch toen gebeurd, dat men enige kilo's aardappels aangeboden kreeg. Doch aan die aanbieding waren enige voorwaarden verbonden. Men moest iets in ruil daarvoor geven of men moest er een zekere prijs voor betalen. Het ruilobject of de prijs die men vroeg kon echter te hoog zijn. Wel, dan kon men zo'n aanbieding afslaan. Maar geldt nu van dat aanbod niet precies hetzelfde, als wat Appelius van de belofte zegt; de belover verklaart, dat hij die aardappelen geven wil? Aanbieding en belofte verschillen niet zoveel. Men kan het ook omkeren. Als iemand ons iets belooft, geeft hij ons daarmee de vrijheid om het aan te nemen. Een aanbieding en een belofte is zeker geen tegenstelling. Nu kan het wel zijn, dat Appelius meer bedoelt dan hij zegt. Als wij hem goed verstaan, bedoelt hij, dat de aanbieding van voorwaarden vergezeld is of wellicht bedoelt hij niet meer, dan dat de aanbieding van de zaligheid in Christus niet inhoudt, dat ieder die zaligheid ontvangt. Dat is echter met die aanbieding niet uitgesproken! Het aanbod van de zaligheid betekent alleen, dat God ieder de vrijheid geeft om de zaligheid in Christus aan te nemen, nl. ieder die wil. Natuurlijk is dit een geweldige aanbieding.

Een geweldige aanbieding

Over deze geweldige aanbieding kan men zich nooit genoeg verwonderen. Denkt u zich dat een ogenblik in. Ieder mens, die het Evangelie hoort, krijgt in dat Evangelie een aanbieding van Christus. Dus ieder - om met Appelius te spreken - heeft de vrijheid, ja zelfs de verplichting om Christus aan te nemen. Buiten Christus is er geen zaligheid, maar in Christus is alles. Wie dus de aangeboden Christus heeft aangenomen, heeft alles. En als dat nu waar is - en geen bijbels christen zal daaraan twijfelen - dan verstaan wij wel hoe belangrijk het is, dat het Evangelie overal en aan alles zonder onderscheid wordt gepredikt. Want die het gehoord heeft, mag tot zichzelf zeggen: 'Mij is Christus de Heiland aangeboden, met de vrijheid er bij om Hem aan te nemen en met de verplichting, dat ik Hem niet mag weigeren'. Is Appelius door het zo te stellen nog wel gereformeerd? Bewegen wij ons nog wel in de lijn van de reformatie, beter gezegd in de lijn van de Schriften, wanneer wij dit zó stellig naar voren brengen?

Niet remonstrants noch onbijbels

Wanneer Appelius dit zo stellig zegt en wij in de prediking 'het welmenend aanbod der genade' beklemtonen, is noch Appelius en zijn noch wij remonstrants of onbijbels. Want om ieder onnodig misverstand weg te nemen, lijkt het ons goed duidelijk te stellen, dat niemand op deze blote aanbieding Christus aan zal nemen. Dat doet echter aan 'het welmenend aanbod van genade' niets af. De Dordtse Leerregels zeggen: 'Dat er velen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, niet komen en niet bekeerd worden, daarvan is de schuld niet in het Evangelie, noch in Christus door het Evangelie aangeboden zijnde' .. Dus dat Christus aan een ieder, door het evangelie aangeboden wordt of mag worden, dat staat vast. Niet dus alleen aan de uitverkorenen, zoals wel eens wordt voorgesteld, neen, aan een ieder. Onderstreept, dat een ieder maar gerust. Er zal derhalve nooit door iemand enige verontschuldiging ingebracht kunnen worden.

Het staat echter ook in overeenstemming met Gods Woord vast, dat niemand zonder wedergeboorte zalig zal kunnen worden. Vroeger werd onder ons wel gezegd, dat aan een ieder van ons een groot wonder dient te gebeuren.

Dat is ook zo! Van dat wonder spreken de bovenaangehaalde Leerregels in de volgende paragraaf - het is III-IV pag. 9 en 10 - als volgt: 'Maar dat anderen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, komen en bekeerd worden, dat moet men de mens niet toeschrijven, alsof hij zichzelven door zijn vrije wil zou onderscheiden van anderen, die met even grote of genoegzame genade tot het geloof en de bekering voorzien zijn (hetwelk de hovaardige ketterij van Pelagius stelt); maar men moet het Gode toeschrijven, die, gelijk Hij de zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus, alzo ook diezelfden in de tijd krachtig roept, met het geloof en de bekering begiftigt, en uit de macht der duisternis verlost zijnde tot het Rijk Zijns Zoons overbrengt'. Wanneer wij dit lezen, vragen wij ons wel direkt af: 'Is daarmee de aanbieding niet krachteloos gemaakt'? In geen geval! Want als iemand bij zulk een welmenend aanbod ondervindt, dat men geen handen heeft om Christus aan te nemen of geen voeten om tot Christus te gaan, dan is in dit welmenend aanbod van Christus ook de welmenende belofte gegeven, dat de Heere handen wil geven om Christus aan te nemen en voeten wil schenken om tot Hem te gaan en dit alles in het geloof. Het is toch zo'n geweldig iets, dat Christus ons aangeboden mag worden en zeker wanneer er aan onze kant geen enkele verwachting meer is van al het onze. Laten derhalve alle predikers ervoor waken, dat zij een Christus zouden voorstellen Die bijna niet te verkrijgen zou zijn. Laten daarentegen alle dienaren des Woords Hem voorstellen en aanbieden als een Heiland Die gaarne zondaren wil zaligen en Zich gaarne wegschenkt aan zondaren. Soms wordt wel eens gemeend, dat Christus alleen maar aangeboden mag worden aan hen die overtuigd zijn van hun zonde of aan hen die zeer bevreesd zijn een rechtvaardig en heilig God te ontmoeten. Laten wij echter hiermee toch voorzichtig zijn en ons in dezen houden aan wat de Schrift en de belijdenis van onze kerk ons leert. Christus de Heiland moet en mag niet alleen aangeboden worden aan bekommerden en ongestroosten, maar Hij moet en mag aangeboden worden en wordt in de prediking aangeboden aan een ieder, die het hoort. Is het nu zo belangrijk om daar bij stil te staan? Wij dachten van wel! In de eerste plaats, omdat dit in de Schrift en de belijdenis staat. Er zal wel niemand zijn, die wil ontkennen, dat de aanbieding van Gods genade, dus de aanbieding van Christus tot allen komt. En het is altijd goed zich aan de Schrift en de belijdenis te houden. In de tweede plaats is het echter ook goed om hier bij stil te staan, omdat men anders gevaar loopt, dat een ontdekte, door de Geest Gods bearbeid wordende, ontkent, dat het aanbod voor hem is. Wanneer iemand dan zou zeggen: 'ik ben niet ontdekt, ik ben vleselijk, ik ben bang voor de straf, ik ben een huichelaar', dan mag en dan moet tot hem gezegd worden, dat Christus zelfs aan huichelaars wordt aangeboden en dat dit een ernstig gemeend aanbod is en geloof en bekering hem geschonken kan en wil worden door de Heere. Wij behoeven met 'het aanbod der genade' werkelijk niet mondjesmaatachtig om te gaan, doch royaal, ruim en mild. Hoede Erskine's over het welmenend aanbod der genade en over de beloften hebben gesproken, daarover graag een volgend keer.

H. de K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Over het aanbod van Gods genade (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's