De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een statuut van bevrijding

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een statuut van bevrijding

Markus 16, vers 9-20

12 minuten leestijd

Van de laatste twaalf verzen van het Markusevangelie wordt verondersteld, dat deze niet tot de oorspronkelijke evangelietekst hebben behoord.

Van de laatste twaalf verzen van het Markusevangelie wordt verondersteld, dat deze niet tot de oorspronkelijke evangelietekst hebben behoord. Zij zouden er in latere tijd aan toegevoegd zijn. Het betreft hier Markus 16, vers 9-20, dat bekend is als het Markus-slot.

Vele van de nog aanwezige Markus-handschriften eindigen nl. bij vers 8. Daarin staat, dat de boodschap van Jezus' opstanding de vrouwen met siddering en ontzetting heeft bevangen. Waar de nacht Gods zich doet kennen, worden mensen van vrees vervuld. Het heilsbericht doet de vrouwen verstommen en zij vluchten weg van het graf.

Het evangelie zou hier afgesloten kunnen zijn. De heilsbetekenis van Jezus' kruisdood is nu van Gods wege in Zijn opstanding bekrachtigd. De evangelist heeft daarmee de aardse weg van de Zoon van God, die lijdensweg is, als heilsweg doen zien.

Andere handschriften dan de hier genoemde lopen na vers 8 door. Zij hebben een afsluitende tekst, een zgn. 'slot'. Er zijn er waarin met enkele zinnen het vervolg van het heilsgebeuren met Jezus, na Zijn opstanding is aangegeven. Deze teksten spreken er van, dat de Heere Jezus met Zijn Geest werkzaam blijft in het hart van de leerlingen, en hun doet uitgaan van Oost tot West voor de verkondiging van het eeuwige en onvergankelijke heil.

Grotere bekendheid heeft in de oude Kerk hetzgn. 'lange slot' verkregen. Dit bevat drie elementen: De verschijningsberichten, die vermelden hoe Jezus Zich als de Opgestane openbaart; vervolgens is er een onderwijzend woord van de verrezen Heere, een zgn. logion, en als laatste is er een korte mededeling over Jezus' hemelvaart en over de evangelieverkondiging van de discipelen.

Met dit slotstuk, (vers 9-20) heeft het Markusevangelie in hoofdstuk 16, na vers 8, een afsluiting gekregen, die in grote lijnen overeenkomt met die van de beide andere synoptische evangeliën Mattheüs en Lukas.

Niet canoniek?

Dit slot, dat in de bij ons gebruikelijke vertalingen voorkomt, heeft zich vanaf plm. de 2e eeuw aan de gemeente doen kennen als een tekstonderdeel waarin het Woord Gods mensen aanspreekt. Het is dan ook door verschillende, van de 4e tot de 16e eeuw gehouden kerkelijke concilies gedefinieerd als te behoren tot de canon van het Nieuwe Testament. Niettemin zijn er in de Kerk steeds stemmen geweest, die de canoniciteit van dit slot betwijfelden of, die althans vonden, dat het nodig was te benadrukken, dat het in een latere tijd aan het oorspronkelijke Markus-evangelie zou zijn toegevoegd.

Op grond van dergelijke overwegingen, mede onder invloed van het modern kritisch Schriftonderzoek, is o.a. in de Leidse vertaling, (1899) dit slotstuk weggelaten. De vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap (1938), gaat niet zover, maar plaatst wel de verzen 9-20 tussen haken. Daarmee wordt bedoeld te wijzen op een vermoedelijk andere herkomst van dit stuk dan die van het evangelie zelf. De Statenvertaling (1637), maakt dit onderscheid niet. De slotverzen worden daarin zonder nadere aanduiding afgedrukt als behorende tot de tekst van 'de ganse heilige Schrift bevattende al de canonieke boeken van het Oude en het Nieuwe Testament'.

Inhoud

Het hier bedoelde slotstuk opent met de eerste van Jezus' verschijningen nl., die aan Maria van Magdala. Uit haar zegt de Schrift, had Hij zeven duivelen uitgeworpen. Deze herinnering aan Maria's redding roept het beeld op van Jezus' levensgang, die één voortgaande worsteling is met de macht van de Boze. Het begint al in de tijd van Zijn voorbereidend verblijf in de woestijn, waar de satan als verzoeker op Jezus afkomt.

Dan is er Zijn openbare optreden in Galilea. Dit begint met de uitdrijving van een boze geest uit de mens in de synagoge te Kapernaüm. Het evangelie zegt er van: Hij genas velen, die ernstig ongesteld waren door allerlei ziekten, en vele boze geesten dreef Hij uit..', (Markus 1 : 34). Jezus, die reeds bij Zijn doop in de Jordaan vanuit de hemel wordt genoemd, Mijn Zoon, de geliefde, is uitdaging voor boze macht, die het geschapene belaagt. En deze uitdaging wordt niet alleen door Hemzelf aanvaard. Hij betrekt hierin ook de twaalven, de geroepen getuigen van Zijn heilsbetekenis. Jezus zendt hen uit om bekering te prediken, om boze geesten uit te drijven en om zieken te zalven, (Markus 6 : 12). Deze strijd met de tegenstrever Gods om de mens en zijn toekomst, wordt in dit slot, in de derde verschijning opnieuw duidelijk aan de orde gesteld. Jezus begint met de elven te bestraffen wegens hun ongeloof en hardheid van hart. Vervolgens leert Hij hun, dat de weg tot behoud is: geloven en gedoopt worden. Dit is de weg van het evangelie, welke is de weg van Jezus zelf.

Dit evangelie moet overal verkondigd worden. En, zegt de verschijning van de Heere: 'Wie niet gelooft, zal veroordeeld worden', (Markus 16 : 16). In het natuurlijk bestaan leeft de mens onder de dreiging van de boze, door Jezus eens genoemd, 'mensenmoorder van den beginne', (Joh. 8 : 44). Waar in mensen de kracht van de levend makende Geest Gods niet doorbreekt blijven zij buiten de heilsmacht van Christus Jezus en onder het oordeel, dat op het geschapene ligt, (Rom. 8 : 1-6).

Daarna zegt Jezus, dat wie tot geloof komen herkenbaar zullen zijn aan tekenen, die in hun leven zichtbaar worden. In Zijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven: boze macht zullen zij weerstaan. Slangen zullen zij opnemen: de gevaren van verleiding en dood, waarvan de slang het schriftuurlijke teken is, zullen op hen geen vat hebben. Zelfs indien zij iets dodelijks drinken zal het hun geen schade doen: de eigen ervaring van het dodelijke én van de dood, zal hen niet doen vallen uit de hand Gods. Op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen gezond worden: in Jezus' naam worden mensen geheeld en zullen zij zich in ziekte, zwakte en kwaal verborgen weten in Hem, die de God des levens is.

Verkondiging

Zo heeft de Heere Jezus gesproken tot de elven. Zij vertegenwoordigen hier de Kerk, en wat tot haar wordt gezegd, geldt voor allen tot wie de verkondiging van de Kerk zich gaat richten.

Na dit onderwijzend woord zegt het evangelie: 'De Heere (Jezus) dan werd, nadat Hij tot hen gesproken had, opgenomen in de hemel en heeft Zich gezet aan de rechterhand Gods', (Markus 16 : 19).

Jezus, bij Zijn doop geopenbaard als Zoon, in zijn leven herkend als de Christus, en die van zichzelf zegt, dat Hij is Zoon des mensen, wordt hier genoemd Heere. Het evangelie gebruikt hiervoor het griekse woord Kurios. Hiermee wordt aan Jezus de titel toegekend van een machthebber van hoge autoriteit, die wettelijke gezagsbevoegdheid heeft. Hier valt bijv. te denken aan een machtsvermogen als dat van de romeinse Keizer.

Als Hij wordt opgenomen tot de woonstede Gods, vanwaar Hij ook gekomen is, zet de Heere Jezus Zich aan de rechterhand van God. Op die plaats daartoe gerechtigd, deelt Hij nu in de Goddelijke majesteit en kracht. Hij, die de redder is van Zijn gemeente, is op die plaats opperheer van wereld en heelal. Hij is zoals het boek Openbaring zegt, 'de overste van de koningen der aarde', (Openb. 1 : 5). In die positie wordt Jezus in Zijn levensgang van lijden, sterven en opstanding, opnieuw gerechtvaardigd van God.

Het laatste vers in ons slotstuk, tevens het laatste van het evangelie, spreekt opnieuw van de elven. Wij lezen nu, dat zij uitgaan om het evangelie te verkondigen; d.w.z. zij prediken Jezus als de weg van behoud.

Hierbij valt er op te letten, dat tussen de tijd van Jezus' verschijning, die aan deze elven hun ongeloof verwijt, en hun gehoorzaam uitgaan om te verkondigen, er is geweest dé grote verandering in hun leven: van ongelovigen worden zij tot verkondigers van het geloof. Op deze verandering wordt ook door de evangelieschrijver geduid in het slotvers waar staat: Doch zij gingen heen en predikten overal, terwijl de Heere medewerkte en het woord bevestigde door de tekenen, die er op volgden, (Markus 16 : 20). De Heilige Geest Gods heeft Jezus de Heere en Zijn Geest in hen tot levende werkelijkheid doen worden. Als door die genade van God hun wil wordt omgezet en zij worden bekeerd tot Christus, de herder en behouder hunner zielen, (1 Petr. 2 : 25), gaan zij de betekenis van Jezus' leven verstaan. Dit brengt hen tot een nieuw weten van de gunst Gods. Zo wordt nu, overeenkomstig, het verschijningswoord van Jezus, hun getuigen een spreken met nieuwe tongen, (Markus 16 : 18).

Door de Heilige Geest daartoe aangezet, moeten zij - en kunen zij nu - spreken van wat zij gehoord en gezien hebben, (Hand. 4 : 21). Zo worden zij omgevormd tot verkondigers van het behoud, dat er is door geloof en doop op de naam van Jezus Christus.

Zichtbare tekenen

De Heere werkte mee zegt het evangelie. Dit gebeurde niet alleen door Zijn werkzaam zijn in de leerlingen, maar ook door het werken van Zijn Geest in hen tot wie hun prediking uitgaat.

Waar de Heere Jezus zo de harten van mensen in beweging zet worden tekenen van geloven zichtbaar in hun leven.

Met de geloofskenmerken, waarvan het onderwijzend woord van de Heere Jezus spreekt, raakt het evangelie aan de fundamentele ervaring van mensen, nl. aan de vergankelijkheid van hun bestaan. Immers, zowel in hun persoonlijk leven, als bij hun gemeenschappelijk samenzijn binnen de kaders van de gevestigde instituties van volk en staat, weten zij zich onderworpen aan verval en ondergang. De dreigingen daarvan komen van binnen uit én van buiten af op hen toe. Het is de ervaring van mensen in hun deelhebber zijn aan wat de Schrift noemt, zonde der wereld, (Joh. 1 : 29).

In deze barensnood van het geschapene, (Rom. 8 : 22) mogen zij die leven in Christus, hopen van deze dreigingen gered te worden. Daarover spreekt de verschijning van de Heere Jezus ons zeer nadrukelijk toe. Door de kracht van Zijn Geest zullen wij de verlossing van het lichamelijke, dat is van het zondige en het vergankelijke daarin, deelachtig worden. Deze verlossing is het beslissende getuigenis van geheel de Heilige Schrift. Het is daarin veelal vervlochten in de historische mededelingen en in de verhalen, waarin God de Heere ons Zijn Openbaring doet kennen. Hier echter, in dit slotstuk, spitst deze heilsboodschap zich concreet toe. Jezus Christus, naar wie alle openbaring verwijst, neemt voor wie geloven, de vrees voor het vergankelijke uit hun leven weg en plaatst de dingen van deze wereld in het licht van de genade Gods, die van eeuwigheid is.

Van hieruit gezien zijn voor Kerk en gemeente filosofische ideologieën van secundaire betekenis. Ons geloof kan dan ook niet worden bepaald door een politiek of economisch voorverstaan van het evangelie. Wel is de Heere van de Kerk, die aan de rechterhand van God is, en deelt in Diens macht, ook Heere der wereld. Daarom moeten gelovigen verwachten, dat aardse machten en wereldlijke instituties er naar zullen streven de grondbepalingen van het gebod Gods richtsnoer voor hun handelen te doen zijn.

Eigensoortig

Het evangelie van Markus is, naar inhoud en opbouw van een eigensoortig verkondigend karakter. Bovendien heeft het door de gang, die God in de geschiedenis met Zijn woord gaat, in dit slotstuk een bijzondere afsluiting gekregen. De schrijver van dit evangeliegedeelte is bij zijn arbeid overdacht te werk gegaan. Dit blijkt o.a. uit de wijze waarop hij aansluiting zoekt met de tekst van Markus 16 : 1-8. In die verzen wordt beschreven wat vrouwen, na Jezus' sterven voor Hem willen doen.

Na de sabbath, op de eerste dag van de nieuwe week, gaan zij naar het graf om hun dode meester te zalven. Dat is voor hen het laatste; het is een afscheid van Jezus en een aanvaarden van Zijn dood. Zij komen daar, 'zeer vroeg, ...toen de zon opging', (vers 2). Maar Jezus wordt hun verkondigd als de Opgewekte; Hij is daar niet. Hij is opgegaan als de Zon der gerechtigheid, (Mal. 4 : 2). De vrouwen zijn verbaasd en verschrikt en zij vluchten in ontzetting weg van het graf. Zij verstommen, want het machtig handelen van God maakt hen bevreesd.

In het slotstuk, dat nu volgt, past de evangelieschrijver het stijlmiddel toe van een hernemen van wat reeds geschreven is. Hij richt zich daarbij op de openbaring in het begin van het evangelie: Daar geen geboorteverhaal, maar een gericht getuigenis over Jezus Christus, weg des HEEREN en Zoon van God. Hij is in de wereld en wordt van uit de hemel aangewezen.

Hier in het evangelieslot, in vers 9, wordt opnieuw gesproken over de tijd van het heilsgebeuren met Jezus. Het is wéér de eerste dag van de week, maar nu is er géén dode en géén graf. Het is wéér 's morgens vroeg, de tijd van de zonsopgang, en Jezus is reeds opgewekt; het nieuwe begin is al door God gemaakt.

Hier spreekt het evangelie over een gebeuren, dat naar Jezus' eigen woord, uit 'vlees en bloed' niet kan worden gekend, maar dat door Zijn Vader, die in de hemelen is, wordt geopenbaard, (Matth. 16 : 18). De vrees, die de opwekking van Jezus heeft opgeroepen wordt overwonnen. Jezus verschijnt, Hij wordt herkend. Hij onderwijst de Zijnen en laat hun niét meer los.

Dit slotstuk maakt mensen in hun vrees beschaamd. Het is voor de gelovigen een statuut van bevrijding en geeft hun uitzicht op de heilstoekomst van God, die wacht, en is verzekerd in de verhoogde Heer.

Wij mogen dan ook dankbaar zijn, dat de Kerk dit Markus-slot heeft mogen herkennen als het Woord van God. Het ontneemt de dreigingen van de Boze, ziekte en dood, hun kracht. Als wij in geloof en doop toebehoren aan Jezus Christus, onze getrouwe Zaligmaker, mogen wij ons, door dit evangelieslot, met de woorden van de Heidelbergse Catechismus, getroost weten bij leven en sterven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een statuut van bevrijding

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1982

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's