Bewaar uw kerk
Referaat op jaarvergadering 1982 van de Gereformeerde Bond
De ter zake kundige toehoorder zal onmiddellijk hebben bemerkt, dat de titel van ons onderwerp is genomen uit de catechismus en wel Zondag 48 over de komst van het Koninkrijk.
De ter zake kundige toehoorder zal onmiddellijk hebben bemerkt, dat de titel van ons onderwerp is genomen uit de catechismus en wel Zondag 48 over de komst van het Koninkrijk. Wij hebben dat met opzet gedaan om onze gedachten te laten leiden uit de confessie van de kerk. Er is in die bewuste Zondag sprake van twee faktoren. In de eerste plaats van het Koninkrijk en vervolgens van de kerk. De catechismus legt daar de tweede bede van het Onze Vader uit en zegt daar niet 'bewaar en vermeerder uw Koninkrijk', maar 'bewaar en vermeerder uw kerk'. Hij verwisselt dus de uitdrukking van 'Koninkrijk' met die van 'kerk'. Hij kan en mag dit doen, omdat Koninkrijk en kerk in hoofdzaak woorden zijn van dezelfde betekenis. Intussen, stemmen Koninkrijk en kerk hoofdzakelijk met elkaar overeen, toch zijn ze van elkaar te onderscheiden. Het woord Koninkrijk drukt een begrip uit, dat vooral ziet op de leer der laatste dingen, op het naderende Messiaanse rijk met al zijn goederen. Maar het woord 'kerk' geeft een begrip te kennen, dat vooral op het leven der gelovigen hier op aarde betrekking heeft. Het Koninkrijk Gods is hier op aarde niet georganiseerd, maar de kerk van Christus is hier een geïnstitueerde gemeenschap van personen, toegerust met ambten en bedieningen en in het zichtbare optredende als het vergaderde volk van God. Het Koninkrijk der hemelen is of wordt juist het eigendom van de armen van geest, de reinen van hart, de kinderkens, en bestaat in vrede zelfs, vreugde, blijdschap door de Heilige Geest. Maar de kerk van Christus is het door God verordende middel, waardoor Hij het rijk van God uitbreidt en de voltooiing er van voorbereidt. En omdat de kerk het grote middel is om het Koninkrijk van de Vader, die in de hemelen is, te doen komen, daarom bidt onze bidder niet: o hemelse Vader, bewaar en vermeerder uw Koninkrijk, maar bewaar en vermeerder uw kerk.
Kerk èn Koninkrijk
Deze twee faktoren kunnen elk afzonderlijk bekeken worden. Wie alleen het Koninkrijk in het oog houdt en de kerk vergeet, loopt gevaar het gewone aardse leven uit het oog te verliezen. Het is in de loop der geschiedenis meer dan eens gebeurd. Alle doperse, mysticistische stromingen vertonen de trek de kerk te minachten ten koste van het Koninkrijk. Maar niet alleen deze stromingen doen dat; het is de ondergrond van veel moderne politieke ideëen, die een pseudomessiaanse karaktertrek vertonen. Daartegenover is het ook mogelijk enkel de kerk te accentueren. Wij geraken dan in extase over ons kerkelijk systeem en alles sluit als een bus: een pracht organisatie, de meest ideale kerkvorm. Wij gaan dan de kerk verheerlijken, maar zitten in een ommezien in een situatie, waarbij de kerk wordt overschat. De ene denkwijze verliest vanwege de hemel de aarde, de andere denkmanier verliest vanwege de aarde de hemel. De verabsolutering van één van beide faktoren loopt dan duidelijk fout. Er blijft een verband nodig tussen die twee faktoren. Het Koninkrijk is het criterium voor de kerk. De kerk is het voorwerp van kritiek van het Koninkrijk. Waar de twee-eenheid uit het gezicht wegvalt, daar komt de disharmonie. Een oude vergelijking is nog altijd bruikbaar: het Koninkrijk is het hoofdkwartier van waaruit de orders voor het front worden gegeven. De kerk is het front, dat de linie steeds verder moet opschuiven in het vijandelijk land. Elke overtreding van beide faktoren maakt het samenspel onvruchtbaar. Het Koninkrijk is primair, de kerk secundair.
Kerk en Koninkrijk dienen op elkaar toegespitst te blijven. Via de kerk doordringt het Koninkrijk Gods de wereld, maar het Koninkrijk Gods gaat niet in de kerk op. Er bestaat, als het wel is, een heilzame spanning tussen het Koninkrijk en de kerk. Een volkomen vergeten dogmaticus uit de vorige eeuw heeft de kerk genoemd de kweekschool voor het Koninkrijk. Dat is een niet ongeschikte gedachte. Het verabsoluteert de kerk niet op rooms-katholieke manier. Het holt evenmin het kerkbegrip uit op spiritualistische manier. Door middel van de Koning van het Koninkrijk Christus trekken Zijn Woord en Geest de ruimten van de kerk binnen en doorzuren haar onafgebroken. Een kerk, die zelf supporting wordt, bevriest en versteent, een Koninkrijk dat de band met de kerk opzegt, doet die kerk vervloeien en vervagen in allerlei dwaalleer en nevel. Tot de dag van de wederkomst geldt een tweeëenheid van Koninkrijk en kerk.
Bewaring en Vermeerdering
Tot zover nu over de achtergrond van ons onderwerp. Wenden wij ons nu tot de Zondag van ons leerboek dan blijkt dat de Heere die kerk wél gebruikt als een zeer voornaam middel, om Zijn Koninkrijk te doen komen: daarom bidden wij bewaar Uw kerk temidden van vele vijanden, maar ook vermeerder haar, breid haar uit, niet alleen in de plaats van onze inwoning, maar ook in ons land en daarbuiten. Uiteraard is het vermeerderen even belangrijk als het bewaren. Maar dat is ons onderwerp vandaag niet. De bewaring gaat voorop, omdat de kerk er eerst moet zijn en innerlijk sterk moet wezen, zal zij naar buiten met kracht kunnen arbeiden. Wij menen dit heden ten dage sterk te moeten beklemtonen. Bewaar Uw kerk. De vrees mag terecht wel uitgesproken worden: is de tendens van na de oorlog niet teveel doorgeslagen naar de vermeerdering van de kerk? Wij hebben na de oorlog gehad de apostolaatstheologie, het oecumenisme, twee theologieën, die beide de verzoeking in zich droegen groot te worden door middel van de kerk en zo de wereld te lijf gegaan. Op het moment zitten wij in de devaluatie van beide theologieën, men merkt er zoveel niet meer van. Alleen de maatschappijkritische theologie en de ervaringstheologie zijn tweepuinruimsters of twee werksters, die maar al te veel doen denken aan schoonmaken van de kerk, terwijl het dak van de kerk al ingestort is.
Het doet de vraag aan de hand: hebben wij niet teveel geld, mankracht en geestkracht weg laten vloeien aan allerlei theologieën, en nu zitten met een uitgeholde gemeente? Wij gelijken op mensen, die al maar donor willen zijn, maar intussen zelf bloedtransfusie behoeven. Wordt het niet de hoogste tijd de rekening thuis eens op te maken? Er staan in ons land monumentale kerkgebouwen, opgeknapt en gerestaureerd met staatsgelden, maar waar is de gemeente? Zou het niet eens tijd en zaak zijn kritisch te vragen: hebben wij het evenwicht wel bewaard tussen 'bewaring en vermeerdering'? Een gemeente met een deplorabel kerkgebouw is een aanwijzing, maar een kerkgebouw zónder gemeente is evenzeer een wenk. Dat wordt dan misschien wel spoedig een cultureel gebouw. Maar ligt hier niet evenzeer stof voor serieuze bezinning?
Overgeestelijkheid
Bewaar uw kerk - een oud catechismusverklaarder uit 1696, David Knibbe, zegt daarvan: wat bidt men voor de kerk? Dat God die beware bij de zuiverheid van de leer, bij de godzaligheid des levens en bij de volharding in alle voor-en tegenspoed. Wij zijn van mening dat dit wijze woorden zijn van volkomen toepassing op onze tijd. Zonder ze in extenso uit te putten, willen wij nu éérst wat zeggen over de zuiverheid van de leer. Bemerken wij de stroom van de tijd goed, kunnen wij de tendens goed in kaart brengen, dan worden wij bedreigd onder ons door twee stromingen. Er is aan de ene kant een trek van overgeestelijkheid. Zo u wilt mysticisme. Dit wordt onder meer gekenmerkt door het subjectivisme. Daar verlegt men het zwaartepunt van het objectieve werk Gods buiten ons, de verwerving van de zaligheid in het subjectieve! Niet de zekere Christus, maar de zekere christen is de grond waarop men steunt. Het is tenslotte niet de openbaring Gods, die beslist, maar wat wij in onze harten bevinden. Onmiskenbaar gepaard met het subjectivisme gaat het individualisme. Men kiest gemakkelijk eigen wegen. Men miskent de ambtelijke bediening, de ordelijk nuchtere gang van het Woord en gaat wildvrome wegen. Om nog enige achting te zoeken neemt men de toevlucht in extra-ordinaire dingen in plaats van in de gewone dingen en eindigt tenslotte in grauwe willekeur. In vele van onze gemeenten is deze richting een diepe onderstroom. Maar terwijl vroeger de openbaring van excessen werden tegengegaan, door gezonde ambtsdragers, hebben wij wel eens de vrees, dat dit thans minder het geval is. Wij horen in deze wel eens van gangen en gebeurtenissen, die ons het ergste voor de toekomst doen vrezen. Uiteraard is de kerk de eeuwen door wel aangetast geworden door deze stroming, maar er zijn tijden, dat het meer de kop op steekt dan gewoonlijk.
Ongeestelijkheid
Noemden wij zoeven het mysticisme of de overgeestelijkheid, er is ook ongeestelijkheid - of rationalisme. De werking van de Geest wordt inwendig in het hart meer en meer van de Schrift onafhankelijk gemaakt. Ze verliest haar bijzonder karakter en valt van de gewone werking van Gods Geest in de rede en het geweten van de mens niet meer te onderscheiden. Uiteraard is dit het omgekeerde extreme van het vorig verschijnsel. Het mysticisme schrijdt altijd weer tot rationalisme voort, gelijk dit laatste voortdurend ook weer in het mysticisme terugvalt. De uitersten raken hier elkaar en geven elkaar de hand. Hier ontdekken wij het verstandelijke aannemen van de waarheid, vervolgens ook de overschatting van de sacramenten. Is er in het verleden wel eens een grote onderwaardering van de sacramenten geweest, er is zo hier en daar ook te bespeuren een overschatting van de sacramenten. Wij zouden dit willen noemen de materialistische overschatting van de sacramenten, die uiteraard een tegenhanger is van de spiritualistische miskenning. Wij menen dat deze een gevolg is van een smalle geloofsbeleving. Een geloofsbeleving, die te rationalistische trekken draagt en ook weinig invloed uitoefent op de gestaltevorming van het leven.
Geestelijk
Met één woord moeten wij waken voor overgeestelijkheid, wij moeten ons even krachtig hoeden voor ongeestelijkheid. Het is de kracht van het gereformeerd protestantisme altijd geweest, dat het opkwam voor de persoonlijke toeëigening van het heil. Miskenning der noodzakelijkheid, of misduiding van de aard der werking van de Heilige Geest is een gebrek van niet weinigen, die over de persoon des Heeren overigens rechtzinnig denken en spreken. Wat wij behoeven is: niet overgeestelijk te zijn, evenmin ongeestelijk te zijn, maar geestelijk. Wij behoeven dus het heilzaam evenwicht tussen deze extremen. Naar ons inzien moeten wij dan op wacht staan ten opzichte van een viervoudige vijand.
In de eerste plaats tegenover het praktisch pelagianisme. Wij hebben een hoge dunk van onszelf en achten de bekering onnodig voor onszelf, behalve voor enkele gruwzame zondaren. Indifferent ten opzichte van Gods eis t.a.v. bekering, stellen wij deze zo lang mogelijk uit. Pelagius is onder ons geenszins dood. Van een innerlijk werkende genade is bij hem geen sprake. Het is de man, die zegt: Heere, zie mijn kerkelijke ijver aan.
Daarnaast noemen wij het lijdelijk quietisme, dat de bekering niet als een plicht, maar alleen als een gave beschouwt, waarop men werkeloos wachten kan.
In de derde plaats moeten wij ons hoeden voor het sectarisch methodisme. Dat wil alleen maar éénzelfde model en op dezelfde weg bekeren. Dwingend en dreigend wordt het de gemeente ingedragen: zo en zo zal het moeten. Tenslotte is er het gevaar van het ongeestelijk farizeeïsme, dat ingenomen met zichzelf, te vroeg op de bekering terugziet, als op een reeds voltooide zaak, terwijl het in zo hoge mate de les van de liefde behoeft: om uw christendom te bevorderen en daarin te wassen, is het nodig uw bekering te bekeren. Aldus bij wijze van conclusie: geen mysticisme: het is te rechts. Geen rationalisme: het is te links. Geen pelagianisme: het is te braaf. Geen quietisme: het is te lui. Geen methodisme: het is te star. Geen farizeeïsme: het is te werkzuchtig. Daar tussenin ligt het ware, maar ook het heilige midden. Naar onze mening hebben wij daaraan meer dan ooit behoefte. Daartussenin ligt de gezonde leer.
Godzaligheid
Ziedaar dus iets over de zuiverheid van de leer. David Knibbe noemt ook nog de godzaligheid des levens. Wij zouden daarover nog breed kunnen uitweiden. Wij zullen het evenwel niet doen. Alleen nog dit: wat is toch eigenlijk het innerlijkste wezen, de geheimste levenszenuw van een christenmens? Dat moet blijken uit de boodschap van het Evangelie, uit het wezen van de christelijke kerk. Op zoek naar dit geheimzinnig middelpunt komt ons een woord te hulp, dat eens een heiden uit India sprak tot de direkteur van een Zwitsers zendingsgenootschap, toen deze op bezoek was op het zendingsveld: 'Wij wensen, dat u, christenen, als geestelijke mensen onder ons leeft'. Dat was een woord, dat over de afgrond heenklonk, die heidenen van christenen, Indiërs van Europeanen scheidt. Daaraan ziet men, dat het een woord was uit de diepten van een mensenziel. Dit woord spreekt het verlangen naar de geestelijke mens uit. Het Evangelie is het antwoord daarop. Het lijkt er op alsof die onbekende man uit India op een geheel bijzondere manier uitdrukking gegeven heeft van het diepste verlangen van onze tijd. Alle streven naar een zuivere belijdenis in de kerk, naar een waardige vormgeving van de eredienst, naar echt leven in de gemeente, naar een wereldomspannende gezegende arbeid van de kerken, vindt zijn laatste grond en centrum in het zoeken naar de geestelijke mens. Daar hebben wij behoefte aan. Die geestelijke mens is ook de vernieuwde mens. Dat woord uit India is daarom tegelijk een woord uit Europa, een woord van ongelovigen en gelovigen, een woord van spotters en zoekers van onze tijd. Toon ons eens geestelijke mensen. Ons dunkt, dat is nu het kernpunt ook voor de bewaring van de kerk. Naarmate zulke mensen in de gemeente leven zal de kerk bestand hebben en houden. Ze zijn het zuurdesem door het meel. Daar zit in: het godzalige leven met Christus, het geheiligde leven, het kennende leven, en het verwachtende leven. Geloof, hoop en liefde.
Een gebed
Bewaar uw kerk. De titel van ons onderwerp is een gebed. Wij ontveinzen ons niet dat wij zondige mensen zijn, die in de strijd genade altijd nodig hebben. Wij ontveinzen ons nog veel minder, dat de macht van de vijand nog groot is in ons midden. Telkens hebben wij weer te smeken om verstoring van de macht van de Boze. Vermoedelijk zal het ook in onze gemeenten nog wel erger worden. Het kwaad moet nu eenmaal 'austoben' (uitwoeden). Maar er is één troost. De toestand van onze gemeenten kan niet uit het lawaai afgeleid worden, dat een paar kwajongens maken, die zich in de gemeenten bevinden. Evenmin als men kan aanvaarden dat in een beek geen vissen zijn, omdat men enkel kikvorsen hoort kwaken. Wij moeten het verval van de kerk dikwijls met weemoed aanzien. Maar wij moeten de wagen der kerk nu niet laten staan, meer daaronder zuchten en lijden met verlangen. Dit verlangen en zuchten der gevangenen bevordert de bouw van Jeruzalem. De komst van betere tijden kan men vergelijken met sneeuw, die langzamerhand smelt op het weiland. Steeds meer komt het gras tevoorschijn. Het gaat er niet om of het verderf en de wanorde reeds groot en gruwelijk genoeg is geworden. Het is de vraag hoe het verderf en de wanorde het beste zijn tegen te gaan, wat er tegen te doen is. Dat gebeurt niet, doordat men eindeloos heen en weer loopt, ook niet door wettisch razen en tieren, maar door het Evangelie en de Geest der liefde. Het is altijd zo in de wereld geweest. God heeft iets gebouwd én opgericht, de mensen hebben het afgebroken. In het Paradijs, in de zondvloed, bij de koningen van Juda. Maar God vaart toch door en leidt het tot Zijn eeuwig doel.
Het is onze roeping daarbij in het gebed niet te vertragen. Wij denken wel eens dat de biddeloosheid de grootste oorzaak is van de geesteloosheid van de kerk. Deze biddeloosheid is terug te voeren tot het besef, dat wij altijd nog te weinig er van doordrongen zijn hoe sterk de weerstanden tegen een bereidwillige gehoorzaamheid in ons eigen binnenste zijn. Naarmate de Heere der kerk ons door Zijn Geest innerlijk ontdekt aan de trage lijdelijkheid aan de ene kant en het hoogmoedig zelfvertrouwen aan de andere kant worden in beginsel de twee grootste hinderpalen van alle waarachtig geestelijk leven bestreden. Eerst op deze manier wordt niet alleen het individuele gemeentelid op de weg tot het leven geleid, maar gaat ook geheel de kerk een betere toekomst tegemoet. Augustinus heeft het al gezegd: het gebed der rechtvaardigen is de sleutel van de hemel: De smeking gaat omhoog en de barmhartigheid Gods daalt naar beneden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's