Een Koninklijk bevel!
Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen: Mattheus 28 : 18 b, 19 en 20).
De overbekende verzen Matth. 28 : 16-20 dragen in de meeste Bijbels als opschrift: 'De opdracht aan de discipelen', of kortweg: 'Het zendingsbevel'. Door deze op zichzelf wel juiste - niet zozeer geïnspireerde als wel later bedachte - opschriften lopen wij het gevaar de minstens even belangrijke noties waarin het zendingsbevel is 'ingebed' over het hoofd.te zien. In deze laatste Waarheidsvriend vóór de komende Hemelvaartsdag mogen wij mediteren over de laatste woorden van de Waarheid Zelf voor Zijn Hemelvaart, in wat Hij beklemtoont, beveelt en belooft. Deze drie elementen van Jezus' afscheidswoord vormen samen het zendingsbevel.
Wat Hij beklemtoont
Tot Zijn in aanbidding neerliggende discipelen zegt de Heiland: 'Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde'. Wat klinkt dat heerlijk, als een totale triomf, als een vertroostende verzekering: 'Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde!' Een vurige verering vervult het hart van Gods volk als het opziet tot zijn Koning... alle macht, in hemel en op aarde. Wat een voorrecht, wat een genade, dat ik van zo'n Koning onderdaan mag zijn, dat ik in Zijn leger mag dienen. Door heel dit afscheidstafereel klinkt in dit - vooral voor de Joden geschreven - Mattheusevangelie de jubel door: Hij is het, de Messias, die komen zou, de beloofde koning, de Zoon des mensen uit Daniël 7. Leest u het maar na: 'En Hem werd gegeven heerschappij en eer en het koninkrijk dat Hem alle volkeren, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal en Zijn koninkrijk zal niet verdorven worden' (Dan. 7 : 14). Hoort u het? ! Het is alsof Jezus ook bij Zijn afscheid zegt: 'Heden is deze schrift in uw oren vervuld!' Maar dan moet het voor al de zijnen wel duidelijk zijn dat hun Koning, Die alle macht heeft, over alle volkeren, tot in alle eeuwigheid, in hemel en op aarde, ook alle zeggenschap over hen heeft en aanspraak mag maken op de volkomen gehoorzaamheid niet alleen van hen, maar van alle volkeren. Hier past alleen ootmoedige aanbidding! 'En als zij Hem zagen aanbaden zij Hem' (vers 17). Maar bij zo'n al-machtige Koning past niet zo'n klein legertje van een handvol aanbiddende discipelen. Daartoe is Hem niet alle macht gegeven. Nee, God heeft Hem uitermate verhoogd... opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders (Pil .2 : 9-11). En daarom is het zaak, dat allen, die Hem aanbidden (in Geest en waarheid!) acht geven op wat Hij beveelt.
Wat Hij beveelt
Zijn bevel is immers het bevel van hun Koning, die hen kocht met Zijn bloed. 'Gaat dan heen, onderwijst alle volken...' De Zoon zendt de zijnen uit! Gods volk mag niet met de verworven verwachting in een hoekje bijeen hokken. De discipelen worden apostelen, de leerlingen worden uitgezonden om wat zij zelf geleerd hebben (in de leerschool van de drieënig God) nu ook aan anderen te onderwijzen.
Drievoudig is daarbij hun opdracht: Maakt alle volken tot mijn discipelen (vgl. de kanttekeningen bij de Statenvertaling); doopt hen; en leert hen.
Een discipel is een leerling, een volgeling, één die achter de Heiland aangaat. Jezus Zelf heeft al gezegd: Wie achter Mij wil komen, zal zichzelf moeten verloochenen (erkennen in zichzelf niets te zijn, én zichzelf in Christus' dienst wegcijferen), die zal dagelijks zijn kruis moeten opnemen (erkennen, dat hij in zichzelf een doodschuldige is) en Mij moeten volgen (erkennen, dat hij zelf de weg niet weet). Alleen in die absolute zelfontkenning kan Christus als absolute Koning, als volkomen Zaligmaker en als Overste Leidsman erkend en gekend worden.
Dat moet onderwezen worden aan alle volken. Ieder, die in dat onderwijs mag bezig zijn, zal - zelf leerling én gezondene - wel dagelijks mogen bidden voor allen, die hij/zij bereikt: 'Heere, onderwijs Gij hen door Uw Woord en Geest, opdat zij door Uw geest geleerd tot U bekeerd, U eren moge zoals Gij zijt!' De Heere moet het doen en Hij zal het doen. Wat een heerlijk genadewonder, dat Hij daarbij mensen gebruikt: 'Gaat dan heen, onderwijst alle volken, maakt ze tot Mijn discipelen'. Dan mogen ze ook gedoopt worden in de Naam van de drieënige God. Wie waarlijk discipel gemaakt wordt, wordt - met de zijnen - zo nauw met Christus verbonden, dat hij in de gemeenschap van Christus' dood en wederopstanding wordt ingelijfd. Daarvan is de Doop teken en zegel. Zo mogen de volkeren onderwezen worden door Woord en Sacrament. Het Woord gaat aan het Sacrament vooraf, en het volgt er op. De apostelen - Gods Kerk - krijgen de opdracht de gedoopten te leren onderhouden alles (niet een gedeelte van) wat Christus hen geboden heeft. Daarin krijgen de Woordverkondiging en de wondbehandeling, de dienst der gebeden en de dienst der barmhartigheid, de leerdienst en de leprozenzorg, enz. elk de hun door Christus gewezen plaats.
We kunnen in het korte bestek van een meditatie onmogelijk de facetten van deze drievoudige opdracht uitwerken. Wel moge duidelijk zijn dat de Heere deze blijvende opdracht aan Zijn gemeente gegeven heeft. Zijn ware kerk kan en wil zich daaraan nooit onttrekken. Toch zullen er onder de lezers echte kinderen van God zijn, die zich juist in het gehoorzamen aan dit koninklijk bevel zo zwak en machteloos voelen. Juist dan mogen wij ons troosten met wat Hij belooft.
Wat Hij belooft.
'Zie IK ben met ulieden alle dagen tot de voleinding der wereld.' Een machtig rijke belofte van een almachtige Koning! Wie goed leest, beseft dat deze belofte in het bijzonder gericht is aan liet adres van diegenen, die in gehoorzaamheid uitgaan, onderwijzend, en dopend, en lerend wat Jezus geboden heeft. De discipelen waren Geest-driftige getuigen, maar zij hadden er wel grote moeite mee om uit te gaan tot de volkeren. Door verdrukking en vervolging moest de Heere hen daartoe dwingen (vgl. Hand. 8:4).
Ook nu hebben velen - ook ware discipelen van Jezus - er grote moeite mee om uit te gaan naar het zendingsveld. Bedenk daarbij, dat het zendingsveld soms aan de andere kant van de Oceaan ligt, maar minstens net zo vaak aan de andere kant van uw tuinhekje. En vergeet óók niet, dat aanschouwelijk onderwijs (onze daden, onze handel, onze wandel) een heel grote plaats inneemt in het geheel van het onderwijs en de leer van Jezus.
Er zijn jonge mensen, die zich door de Heere geroepen weten om uit te gaan (ook over de Oceaan), maar ze smoren hun roeping. Hun (aanstaande) vrouw ziet er zo tegen op. Vader en Moeder zullen het zo erg vinden, en zullen ze het wel aankunnen, en... zullen ze als ze terugkomen in Nederland wel weer aan de slag kunnen!?
Zullen we niet (samen) de knieën buigen: 'Heere, leer ons Uw weg!' Die in Zijn weg wandelen kunnen best wel een zware weg moeten gaan, maar die mogen ook de belofte mijnen: 'Zie IK ben met u lieden alle dagen ' Wie heeft zich ooit tegen de Heere verzet en vrede gehad?
Er zijn anderen, die de Heere in waarheid vrezen, en toch niet durven getuigen van hun Heiland. Soms zouden ze het wel zo graag willen doen, maar het hart klopt hen in de keel, en de woorden, die zij willen zeggen komen er gewoon niet uit.
Dacht u misschien, dat u het zélf moet doen? Ja en nee! U moet (zeg liever 'U mag') spreken, maar Hij heeft gezegd: 'Ik zal met uw mond zijn, Ik ben met u alle dagen.' Ik dat is Hij, die de verbolgen zee en winden met Zijn machtswoord tot zwijgen brengt; dat is Hij, Die de duizenden met een paar broden te eten geeft; dat is Hij, Die de doden uit de grafkuil tot leven roept; dat is Hij, voor Wie de duivelen sidderend vluchtten. Maar oneindig, oneindig meer! Ik, dat is Hij, Die het harde kruishout op Zijn bebloede schouders door Jeruzalems straten droeg; dat is Hij, die de wereld zo lief had, dat Hij voor hen afdaalde tot in de verschrikking van hel en dood. Ik - zie dat is de heerlijkheid van deze tekst - zie hier staat Hij achter het kruis, hier rust Zijn doornagelde voet op de afgerolde grafsteen. Hier staat Hij als overwinnaar van hel en dood. Deze heerlijke Heiland zegt tot allen, die op Zijn koninklijk bevel ingaan en daarom uitgaan, over de Oceaan en over het tuinhekje:
'Ik ben met ulieden alle dagen... tot de voleinding der wereld.' En dan... dan zullen al de zijnen, gekocht en gekomen uit alle volken samen het loflied zingen tot eer van God en van het Lam! En dan móet gebeuren wat Johannes gezien heeft: 'En alle schepsel, dat in de hemel is, en op de aarde, en die in de zee zijn en alles wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op de troon zit en het Lam zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid', (Openb. 5 : 13).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's