De tale Kanaäns
at is tale Kanaäns? In Jesaja 19 wordt gezegd: 'Te dien dage zullen er vijf steden in het land Egypte zijn, sprekende de spraak van Kanaän en zwerende de Heere der heirscharen'.
'Onder de tale Kanaäns verstaat, van Dales Groot Woordenboek der Nederlandse taal het spraakgebruik der vromen, meest in ongunstige zin: taal doorspekt met bijbeltermen en teksten, hoogdravende domineestaal.'
Zo begint het Woord Vooraf van een boek van J. van Delden, dat als titel genoemde uitdrukking 'De Tale Kanaäns' meekreeg. Hij baseerde deze titel intussen op een niet-ongunstig gebruik van deze uitdrukking, maar richt zich naar Kramers Nederlands Woordenboek, waarin tale Kanaäns omschreven wordt als een 'zeer ouderwetse, bijbels getinte kerktaal of taal van vrome mensen'.
Wat is tale Kanaäns? In Jesaja 19 wordt gezegd: 'Te dien dage zullen er vijf steden in het land Egypte zijn, sprekende de spraak van Kanaän en zwerende de Heere der heirscharen'. Méést letterlijk is zo de taal van Kanaän de spraak van Israël, zeg het Hebreeuws. Maar dan intussen de taal, waarin de Enige en Eeuwige God Zich openbaarde. De spraak van Kanaän en de Heere der Heirscharen worden in genoemde tekst in één adem genoemd.
Voor de één heeft tale Kanaäns intussen een ongunstige klank: 'hoogdravende domineestaal'. Voor de ander heeft tale Kanaäns een innige klank. Het is de taal der vromen, verankerd in het leven der Bijbelheiligen en zó de taal der Schriften. Me dunkt, dat het rechte spreken over de tale Kanaäns afgrendeling aanbrengt naar een ongunstig gebruik, een soort badinerend spreken over de taal, die aan het Schriftgeloof eigen is, én naar een al te dierbaar gebruik, namelijk als een soort geheimtaal, die ook gemakkelijk buitenbijbelse trekken kan krijgen. Me dunkt, dat we tale Kanaäns zullen moeten gebruiken als taal der Schriften, ook al gaat het dan soms om woorden, die zó eigen zijn aan de Schrift en aan hen, die haar (geestelijk) kennen, dat de wereld er de schouders over ophaalt. Zo goed als de wereld haar terminologie, haar termen heeft in de sport, de film, de muziek etc, zo heeft de kerk haar taal. En niemand kent die taal dan die haar geleerd heeft.
Schriftuurlijk
Als tale Kanaäns taal der Schriften is dan weegt het zwaar hoe het Woord van God uit de oorspronkelijke spraak van Israël wordt vertaald. Dan dient er nauwkeurige aansluiting te zijn bij de Schrift in de oorspronkelijke taal, de grondtekst. In zijn boek geeft J. van Delden een waardevol overzicht van bijbelvertalingen in onze eigen taal. Voor ons blijft daarin de Statenvertaling van grote waarde, juist omdat zo woordelijk - en daardoor ook wel eens stroef lopend - bij het oorspronkelijke werd aangesloten. De Statenvertaling heeft in onze eigen taal iets oorspronkelijks en heeft zó onze taal mede beïnvloed. Het boek van Van Delden is mede daarom geschreven. De hoofdinhoud wordt namelijk in beslag genomen door de talloos vele uitdrukkingen, die in onze taal voorkomen en die letterlijk zijn ontleend aan de Statenvertaling. Als ik noem 'de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak', 'beproeft alle dingen en behoudt het goede', 'olie in de wonden gieten', 'hij heeft Abraham gezien', 'vandaag is het Hosannah, morgen kruist hem', 'de bijl ligt aan de wortel van de boom', dan weet de lezer waarom het gaat. Hier geldt het woord van J. Verdam:
'De invloed van de Bijbel is gedurende drie eeuwen door den kansel bij een groot gedeelte van het Nederlandse volk levendig gehouden en gebleven; deze heeft er veel toe bijgedragen om bij de ongeletterden eigenaardigheden in spraakgebruik, woordenkeus en beeldspraak ingang te doen vinden, welke hun anders niet of althans niet in die mate zouden zijn eigen geworden. En al neemt ook het kerkelijk leven af, en al is ons volk niet meer uitsluitend een Calvinistisch volk te noemen, de stempel van het bijbelse spraakgebruik is eenmaal op onze taal gedrukt, en de indrukselen daarvan zijn onuitwisbaar.'
(Uit de geschiedenis der Nederlandsche taal).
Een bijbeltaal die zó duidelijk de landstaal beïnvloed heeft mag op zich oorspronkelijk genoemd worden. En hoezeer het ook in elke tijd om eigentijdse taalvertolking gaat van het Woord Gods, tot schade voor de taal zelf, maar ook voor het geestelijk leven kunnen oorsprongswoorden vervagen, verbleken en vervlakken in moderne taalgeving. De oorspronkelijke Bijbeltekst staat al eeuwen ongewijzigd onder de volkeren als de eigenlijke bron voor elke vertaling. Woorden die, onder de bediening des Geestes dan een eigen aan het oorspronkelijke van de Schrift ontleende klank en kleur hebben gekregen in Schriftvertalingen, mogen we dan ook wel zuinig gebruiken.
Veel vertalingen van moderne snit, parafrases als ze vaak ook zijn, halen het immers niet bij de barokke maar levende taal van de Statenvertaling; zonder dat we die overigens als de alléén zaligmakende zouden willen zien. Het Woord van God is niet gebonden! God gaat souverein Zijn gang met Zijn Woord in vele talen uit de ene oorsprongstaal.
Anderzijds zal het dan óók echter zaak zijn bij de taal der Schrift te blijven. Daarom hier ook een opmerking, die in het vlees snijdt van (ons) allen, die de Statenvertaling in ere houden. Een tot de punt en komma zuiver houden van de tekst van de Statenvertaling en intussen in prediking en geestelijk gesprek veelvuldig gebruik maken van eigen termen, die in bepaalde kringen ontstonden, is in feite innerlijk tegenstrijdig. Tale Kanaäns is taal der Schriften, onverkort en onvermengd.
Héél de Schrift
Het boek van Van Delden over de tale Kanaäns heeft ongetwijfeld verdienste als het ons 'woorden, spreekwoorden en uitdrukkingen' te binnen brengt, die aan de Bijbel ontsproten zijn (de verwijsteksten worden genoemd). Maar daarmee is de tale Kanaäns niet ten diepste gepeild. Want willen we de tale Kanaäns naar recht honoreren dan zijn taal en inhoud, woorden en hun betekenis niet van elkaar te scheiden. Dan gaat het om héél de Schrift, naar de werkelijke bedoeling van de tekst en de omgeving daarvan, zoals de Heere der Heirscharen dat in Zijn openbaring heeft bedoeld.
Dat brengt mij op een tweede boekje, namelijk 'De Bergrede' van drs. A. Noordegraaf, een uitgave van de Willem de Zwijger Stichting in een serie, waarin al veel voortreffelijke deeltjes verschenen. De schrijver zou het vreemd kunnen vinden, dat ik zijn boekje mede plaats onder de titel van dit artikel 'De tale Kanaäns', maar ik doe dat omdat de Bergrede in de Bijbel staat (wie zal dat tegenspreken? ) en omdat de Bergrede prediking van het Koninkrijk is, en de woorden van de Bergrede derhalve tot de woorden van het Koninkrijk, de taal van Kanaän behoren. Ooit zei tot mij een predikant, dat hij maar moeilijk over de Bergrede durfde preken, omdat dat door de gemeente gemakkelijk zou worden misverstaan.. Maar hebben wij het recht om woorden van het Koninkrijk buiten de prediking van het Koninkrijk te houden of er een versmalde inhoud aan te geven is? De taal van Kanaän is niet alléén taal voor de ziel, zeg de taal van de verborgen omgang met God, maar zo góéd taal van het leven, ook in de bredere verbanden. Daarom is het boekje van drs. Noordegraaf van grote betekenis. Minutieus gaat hij in op de teksten uit de Bergrede. Hij verbindt ze telkens weer aan Hem, die ze gesproken heeft, de Koning van het Koninkrijk. Dat bewaart voor louter horizontale interpretatie. Dat bewaart intussen ook voor geestelijke verenging, zonder zicht op de heiliging van het leven. Ik citeer letterlijk:
'In de Bergrede komen allerlei menselijke levensproblemen ter sprake, zoals b.v. bezorgdheid, omgaan met bezit, huwelijksnood, oordeel en beoordeling enz. Toch zouden we ernstig mank gaan in het juiste verstaan van deze hoofdstukken uit het Mattheüs-evangelie als we de Bergrede zouden opvatten als een soort levensleer of een moraalsysteem. De prediking van de Bergrede is niet los te denken van de Verkondiger zelf, nl. Jezus Christus. In zaligsprekingen openbaart Hijzichzelf als de Messiaanse Koning. Tegenover de wetsinterpretatie van de joodse traditie stelt Hij zijn "Maar Ik zeg u..." En aan het slot van de Bergrede horen wij Hem spreken als de Rechter die eenmaal komt om te oordelen. (...)
Ongetwijfeld is dat een belangrijk aspekt voor het verstaan van Jezus' prediking en stellig zullen we de waarschuwing ter harte nemen in de tekst van de Bergrede niet meer te lezen dan wat er staat. Maar dat ontslaat ons niet van het recht en zelfs de plicht om de prediking van Jezus te verstaan in het raam van het gehele evangelie, ja zelfs de Schrift. Wanneer de opgestane Christus in Matth. 28 : 19 zijn leerlingen opdraagt de volken te leren onderhouden alles wat Hij hun bevolen heeft, dan heeft dit laatste betrekking op Jezus' prediking gedurende zijn omwandeling op aarde, dus ook op de Bergrede. We kunnen en mogen deze hoofdstukken niet lospellen uit het geheel van wat Mattheüs als gevolmachtigde getuige van Christus ons aangaande Hem meedeelt. En dan mogen we zeggen: de Christus die in de Bergrede belofte en gebod verkondigt is de Zoon van David, de Zoon van Abraham (Matth. 1 : 1), de Immanuël, God met, ons (Matth. 1 : 23), de Koning der Joden die door zijn eigen volk verworpen, maar door God verhoogd is. Hij is degene die door zijn lijden en sterven zijn volk zal redden van hun zonden en het heil van het Koninkrijk voor hen verwerft. We kunnen de Bergrede niet verstaan zonder dit Evangelie van verzoening en heil te horen meeklinken. (...)
De Bergrede is prediking van het Koninkrijk en roept tot deelgenootschap aan dat Rijk. De geboden van de Bergrede richten zich primair tot de kinderen van het Koninkrijk, tot de gemeente die leeft in het licht van het Koninkrijk.
In deze geladen woorden ontvangt Christus' gemeente onderwijzing, "Weisung", Thora, d.w.z. wordt haar de weg van het Koninkrijk gewezen; die vreemde, aan de stijl van de wereld gemeten tegendraadse weg in het voetspoor van de Messias Jezus.
Die gemeente leeft in een wereld die nog niet het Koninkrijk is. Dat geeft de spanning aan het bestaan. Daarom staat ze voortdurend in de spanning en mag ze niet, vooruitgrijpend op de toekomst te doen alsof Gods kinderen met de ordeningen van de wereld niets te maken hebben.
Anderzijds mogen we dit ethos van de gemeente ook niet versmallen tot een ethiek voor ingewijden, ver van het gewone levensmilieu. Immers, Gods Koninkrijk gaat over alle dingen. En de ordeningen van dit aardse leven, de overheden en de machten komen in het licht te staan van dit Rijk. Juist het slot van het Mattheüsevangelie laat ons zien hoe dit theocratisch element in de verkondiging niet verzwegen mag worden. We hebben een Heere die alle macht heeft en alle volken roept zich te voegen naar zijn heilige wil. Er is niets aan zijn gezag onttrokken. En de kinderen van het Koninkrijk staan in die wereld als het zout der aarde en het licht der wereld. Daarom zal van hun aanwezigheid, hun getuigenis, hun levenswandel een bederf werende en vernieuwende kracht uitgaan. Daarom zal de gemeente die de Bergrede verstaat (horen en doen!) altijd iets hebben van een "stoorzender" die profetisch-getuigend staat in de wereld, heilzaam verontrustend en kritisch stimulerend. Niet vanuit een dopers verzet tegen het bestaande - de gemeente leeft immers in de wereld; maar om zo te wijzen op en te getuigen van het geheim van het Koninkrijk dat in Christus nabij gekomen is en alle verhoudingen onder kritiek stelt. (...)'
Me dunkt dat het boekje van Noordegraaf een uitdaging is om toch maar een (meer) de prediking van de Bergrede ter hand te nemen. Ook die is 'Tale Kanaäns', taal voor hart èn leven.
Toch geestelijk
Toch gaat het niet om de woorden van de Schrift sèc, op zichzélf. Het gaat ook om het verstaan van de woorden door lering van de Geest. Hoe vaak vinden we niet in de Evangeliën, dat de mensen niet verstonden wat Jezus zei. Over de woorden der Schrift moet en mag de glans van de Geest komen, zodat ze voor ons oplichten en in de diepe zin van het woord 'Tale Kanaäns' worden, woorden geladen met een betekenis, een warmte, een innigheid, een scherpte, een troost, een vermaning, een lering, die de wereld niet verstaat. Zó dat de woorden taal van de verborgen omgang worden. Gods verborgen omgang vinden zielen waar zijn vrees in woont; vrees, die mede gestempeld is door het beven voor de woorden van het Woord. Tale Kanaans kan zo ook nooit tot loslippigheid, ook niet tot vrome loslippigheid leiden.
Dat brengt me op een derde boekje, dat ik onder genoemde titel wil aankondigen. Prof. dr. J. Boendermaker verzamelde uit het Latijn vertaalde brieven van Luther 'uit de beslissende Jaren van zijn leven', brieven uit de jaren van zijn wending van de kerk tot Zijn God, uit de tijd, van zijn bekering. Ik citeer Boendermaker:
'Zulke brieven gingen naar mensen die hun leven ten overstaan van de Heilige heel ernstig namen en die juist op die ernst konden stuk lopen. Het waren mensen die voelden dat God niet kan willen dat je zat en onverschillig leeft, mensen die vrijwillig kou en pijn leden omdat Hij, de Knecht, dat ook gedaan had; die bedelden omdat de Heer meer op Lazarus aan de poort dan op de rijke aan zijn tafel leek; die 's nachts opstonden om te waken omdat de Heer ooit mensen daartoe had opgeroepen. Alleen steeds meer mensen raakten ervan evertuigd dat het persé zo móest; dat je ziel zou branden als je niet zó zou leven dat het bijna sterven was. Zij vochten zich een weg naar God, maar raakten voor hun gevoel steeds meer achterop. Iemand moest hen terugroepen van de krampachtigheid, hen terugroepen tot zichzelf, tot elkaar en tot de aarde. Hier is één van hen, een monnik uit een streng klooster, aan dat roepen begonnen; de gerechtigheid, het 'goed zijn' begint niet bij jou, maar het is begonnen bij God en daar stroomt het vandaan, nog steeds, zie je dat dan niet?
Oude woorden, die er nog wel waren, kregen nieuwe kracht: genade, omkering, vergeving, doop, vrijheid.'
Woorden kregen voor Luther nieuwe kracht. Het werden weer authentieke, échte woorden, overstraald door de Geest. Het treft hoe hij in zijn brieven - over alles en nog wat schrijft hij - nauw bij de woorden van de Schrift aansluit. Hoe vaak spreekt hij over de God van alle Barmhartigheden. Hoe hunkert hij ook naar het geestelijk verstaan in zijn diepste innerlijk: 'Wilt u weten hoe het met mij staat - ach ik maak het goddank góéd; hoewel: het werk is erg zwaar, vooral de filosofie, ik had die liever van het begin af geruild voor de theologie, en dan wel die theologie die tot de kern van de zaak, het binnenste van de graankorrel, het merg van het been doordringt.' (17 maart 1509). Hij wil in die tijd, het Woord, de woorden van het Woord, ontvangen. En wie wil ontvangen moet leeg, vrij zijn. Letterlijk geciteerd:
'Daarom moet je zwijgen opdat het wonder van deze geboorte tot diep binnen in je kan spreken en in jezelf gehoord kan worden, want als jij wil spreken dan moet Hij wel zwijgen. Je kunt het Woord niet beter dienen dan met zwijgen en luisteren. (...).
'Die geestelijke lieden die in - hoog aanzien staan en een zeer grote naam hebben - ze zijn, denken ze, ver boven de uiterlijke duisternis uitgekomen, maar diep in hun ziel zijn de Farizeeërs vol eigenliefde en eigenzinnigheid en geheel met zichzelf bezig. Ze zijn uiterlijk moeilijk te herkennen tussen de godsvrienden want ze doen soms meer uiterlijke oefeningen dan de ware godsvrienden - zoals bidden, vasten, een ernstig leven leiden, zodat ze van buiten niet te herkennen zijn; alleen zij in wie de geest van God is zien het. Ze zijn vol oordelen over andere mensen en godsvrienden, maar ze richten zichzelf niet; de echte godsvrienden richten niemand dan alleen zichzelf! Ze zoeken in alle dingen het hunne, hun zaak beheerst hen in alles wat ze doen, bij God en bij alle creaturen zoeken zij slechts het hunne.
Kinderen, zo diep zit dat in hun natuur verankerd dat alle hoeken van een mens daarmee gevuld zijn. Het is net zo makkelijk ijzeren bergen te doorbreken als dit alleen met hun eigen natuur te overwinnen. Het kan alleen overwonnen worden als God geheel de overhand in hen neemt en die "plaats" in bezit neemt.'
Hoe hoog Luther het Woord op zich ook hééft, hij weet uit ervaring goed dat het nodig is het Woord geestelijk te verstaan. Daarom schrijft hij over Erasmus, de verlichte wijsgeer van de 'vrije wil' uit zijn tijd:
'De tijden zijn gevaarlijk en ik merk dat het dus toch niet zó is, dat men al een echt en wijs christenmens is als men grieks en hebreeuws kent. Een man als de zalige Hieronymus, die vijf talen kende, kan niet in de schaduw staan van Augustinus die er maar één kende, al denkt Erasmus daar natuurlijk heel anders over. Maar er is nu eenmaal verschil van opvatting tussen iemand die aanzienlijk wat ruimte laat voor een vrij beslissende menselijke wil (nl. tegenover God) en een die niet anders kent dan de genade.'
Kortom, tale Kanaäns is taal der Schriften, door de Geest verstane taal, daarom geen dorre letter. Niet alleen maar Grieks en Hebreeuws. Want de letter doodt maar de Geest maakt levend.
En exegese buiten het geloof in Christus, zegt Luther, maakt dat gerechtigheid uit de wet en gerechtigheid uit de werken net zo min iets met elkaar te maken hebben als een lijsterbes met een vijg.
V. d. G.
N.a.v. J. van Delden: 'Tale Kanaans', Uitgave Callenbach, Nijkerk, 280 pag., ƒ 42, 50.
Drs. A. Noordegraaf: 'De Bergrede', Uitgave Willem de Zwijger Stichting, Apeldoorn, 56 pag., ƒ 7, 50.
Prof. dr. J. P. Boendermaker: 'Luther, brieven uit de beslissende jaren van zijn leven', Uitgave Ten Have, Baarn, 199 pag., ƒ 24, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1982
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's